vrijdag 6 september 2013

Hun wandel zal Ik op hun eigen hoofd doen neerkomen (Ez. 9)

1 Samuël 31; 1 Korintiërs 11; Ezechiël 9; Psalm 48
Zo Ezechiël 8 de verworden eredienst beschrijft die in Jeruzalem aan de gang was in de jaren die leidden naar haar verwoesting in 587 v.C., dan beschrijft Ezechiël 9 iets van wat God eraan doet.

Er is zowel een negatieve component als een positief element. In zijn visioen hoort Ezechiël Gods roep tot de wachters van de stad (9:1), meer bepaald de verdelgers van de stad. Er dagen zes mannen op, ‘ieder met zijn vernietigingswapen in de hand’ (9:2).

Een zevende man, in linnen gekleed, heeft een schrijverskit aan zijn zijde. God draagt hem op een merkteken op de voorhoofden aan te brengen van wie aan de slachting zullen ontkomen; hij draagt de verdelgers op door de stad te gaan en neer te slaan met de specifieke instructie: ‘ontziet niet en hebt geen deernis’ (9:5), te beginnen bij het heiligdom zelf. ‘Toen begonnen zij bij de mannen, de oudsten, die zich vóór de tempel bevonden’ (9:6).

Terwijl ze hun griezelige taak voortzetten, roept Ezechiël uit, ‘Ach, Here HERE, gaat Gij nu heel het overblijfsel van Israël verdelgen door uw grimmigheid uit te gieten over Jeruzalem?’ (9:8). De Heer antwoordt met een vernietigende aanklacht (9:9-10) die een woordspel bevat: het volk van Israël beweert dat de Heer niet ‘ziet’ of ‘kijkt’, dus is de Heer vastbesloten hen niet te ‘ontzien’ (zien/kijken) en geen deernis te hebben. Hij is vastbesloten: ‘hun wandel zal Ik op hun eigen hoofd doen neerkomen’ (9:10).

Aan het positieve element is al gealludeerd. Niet iedereen wordt gedood. De zevende man, de man met het schrijfgerief, trekt door de stad terwijl hij een kenteken op de voorhoofden aanbrengt bij de ‘mannen die zuchten en kermen over al de gruwelen die daar bedreven worden’ (9:4).

De verdelgers wordt strekt verboden deze mensen kwaad te doen (9:6). Let wel: zij die gespaard worden zijn niet degenen die eenvoudig aan de zijlijn zitten, maar zij die actief rouw bedrijven over de geestelijke neergang van de stad. Ze hebben misschien niet de kracht om verandering te bewerken, maar ze zijn niet gezonken in de lethargie van zorgeloze onverschilligheid. En God spaart hen.

Natuurlijk vindt al het beschrevene hier plaats in Ezechiëls visioenenwereld. In de echte wereld mogen we niet denken dat alle rechtvaardigen en alleen de rechtvaardigen ontkwamen aan alle lijden dat gepaard ging met de belegering door Nebukadnessar: de Bijbel staat vol verhalen waarin rechtvaardige mensen lijden (bijv. Naboth de bezitter van de wijngaard).

Wat dit visioen wel betekent is dat God zelf het oordeel beveelt, en dat God vrijpleit wie trouw bewijst aan het verbond. Vergelijkbare symboliek wordt terug opgepikt tegen het einde van Openbaring 13 en aan het begin van Openbaring 14 (zie vol. I, overdenking voor 23 december).


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten