dinsdag 13 oktober 2015

Ik verdor als gras, maar Gij, o HERE, troont voor eeuwig (Ps. 102)


1 Koningen 16; Kolossenzen 3; Ezechiël 46; Psalm 102

Psalm 102 krijgt soms onterecht het etiket boetepsalm opgekleefd. Het klinkt veel meer als de schreeuw van een mens wiens lijden onverklaarbaar is (zoals bij Job).

Aanvankelijk is het leed privaat en persoonlijk; later wordt het overschaduwd door een groeiende zorg voor Sion. De voortgang naar Sions heerlijkheid lijkt langzaam te verlopen. Dit doet een contrast ontstaan tussen de ‘dagen’ van de psalmist die eindig en vluchtig zijn (102:4) en de ‘jaren’ van de Almachtige die eeuwig duren (102:28).

Maar hier zal ik de aandacht vestigen op de laatste verzen van de psalm. Wie regelmatig de Bijbel lezen zullen merken dat de verzen 26-28 geciteerd worden in Hebreeën 1:10-12, waar God de Messias aanspreekt, en Hem eigenlijk goddelijke status geeft. Je zou je wel kunnen afvragen hoe de auteur van de Hebreeënbrief de Oudtestamentische tekst op die manier verklaarde.

Het antwoord draait gedeeltelijk om het feit dat het oorspronkelijke Hebreeuws van het Oude Testament bestond uit wat we vandaag medeklinkers noemen. Klinkers waren er niet bij. Ze werden veel later toegevoegd – het meest gebruikte klinkersysteem werd zelfs ongeveer duizend jaar later in het christelijke tijdperk bij de Hebreeuwse tekst gevoegd.

Gewoonlijk zorgt dit niet voor problemen. Af en toe echter is het mogelijk om de Oudtestamentische medeklinkertekst te lezen met een ietwat verschillende klinkerkeuze, waardoor een verschillende betekenis ontstaat.

In dit geval bestaat er helemaal geen twijfel over de medeklinkers. Maar de oude Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuaginta, toont hoe deze vertalers het Hebreeuws verstonden – en in deze passage verstonden ze die precies zoals de Brief aan de Hebreeën die weergeeft.

De traditionele klinkerplaatsing, bewaard gebleven in onze Nederlandstalige versies, verstaat de verzen 24-25 zoals de NBG-vertaling. De gedachte is parallel aan de verzen 12-13. Maar de LLX en Hebreeën lezen het als volgt: “Hij antwoordde hem in de weg van zijn kracht, ‘Verklaar mij de geringheid van mijn dagen.

Breng mij niet op [d.w.z., zet mij niet tot actie aan] in de helft van mijn dagen; uw jaren zijn door alle geslachten heen. Gij, Here, hebt in den beginne de aarde gegrondvest…’’

De implicatie van deze weergave is dat God de psalmist aanspreekt , die God aanspreekt als Heer en Schepper. Dit is hoe Hebreeën het verstaat. In deze visie is de volledige Psalm Messiaans, een visionaire psalm zoals Psalm 110 (zie vol. 1, de overdenking van 17 juni).

Probeer Psalm 102 op die manier te herlezen, het houdt steek. Vergelijk het gebruik van Psalm 45 in Hebreeën 1 (zie de overdenking van 4 september): de Davidische koning wordt aangesproken als God, en dit wordt ook in Hebreeën 1 geciteerd.

Maar zelfs indien de traditionele klinkerkeuzes correct zijn, zijn de conclusies die door Hebreeën 1 getrokken worden niet ver weg, hoewel ze op basis van heel verschillende gronden moeten getrokken worden.


Eigen vertaling van de overdenking bij 13 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen