woensdag 28 oktober 2015

Ga heen, neem u een ontuchtige vrouw en kinderen uit een ontuchtige geboren (Hos. 1)


2 Koningen 9; 1 Timotheüs 6; Hosea 1; Psalm 119:73-96

Het eerste vers van Hosea 1 stelt dat deze profetie tijdens de achtste eeuw kwam, waarin ook de profeten Jona en Amos leefden (voornamelijk, zoals Hosea, in het noordelijke koninkrijk van Israël) en Micha en Jesaja (in Juda in het zuiden). Vroeg in deze eeuw ging het op materieel vlak behoorlijk goed, maar beiden verzonken in decadentie en morele en godsdienstige onverschilligheid.

Terwijl Hosea in de canon onmiddellijk achter Daniël komt, heeft het boek dus betrekking op een periode van eeuwen daarvoor. Niettemin is de canonieke associatie leerzaam. Indien Daniëls profetie voortdurend een God onthult die soeverein heerst, onthult Hosea een God die diep bewogen is met zijn wispelturige volk.

We moeten beide portretten van God koesteren – God de transcendente soeverein, God de bewogen persoon – willen we trouw zijn aan wat de Bijbel over Hem zegt.
Wanneer de Heer voor het eerst tot Hosea spreekt, is zijn taal vernietigend. De NIV is (net als de NBG) te braaf; de HSV is (net als in het Engels de Jerusalem Bible) dichter bij het Hebreeuws: ‘Ga! Neem voor u een vrouw van de hoererijen en kinderen van de hoererijen, want het land wendt zich in schandelijke hoererij van de HEERE af’ (1:2, HSV – De Jerusalem Bible geeft nog meer aan dat het land zelf als een hoer geworden is door de HEERE te verlaten, JL). Dus huwt Hosea met Gomer.

Op het eerste gezicht was zij een hoer toen hij met haar trouwde, en keert ze snel terug naar haar onverantwoorde wegen.

Anderzijds is het ook mogelijk dat het bevel van de Heer al vooruitgrijpt naar wat ze wordt, en dat Gomer dus geen hoer was toen Hosea met haar trouwde.

Los van haar achtergrond maken de volgende hoofdstukken duidelijk wat ze werd. Haar kinderen trekken de aandacht in dit hoofdstuk. Jizreël is een naam die we kunnen verbinden met een specifieke betekenis (vgl. 2:23), maar bovenal was het de naam van een dorp waar het huis van Jehu eertijds zoveel mensen afslachtte.
Het is alsof je een kind Tsjernobyl noemt of Hiroshima of Soweto: iedereen kent de verbanden. De Jehu-slachting vond ongeveer een eeuw eerder plaats, maar het volk was er nog altijd verantwoordelijk voor, want het verwierp het geweld nooit.

Gomer baarde dus minstens deze zoon aan Hosea (zij ‘baarde hem een zoon’, cursief toegevoegd). Dit wordt niet gezegd over de volgende twee kinderen: wellicht was Hosea niet de vader. De eerste wordt genoemd ‘Niet geliefd’ of ‘niet beweend’; de tweede wordt genoemd ‘niet mijn volk’. De lessen zijn expliciet: God zal Israël niet langer liefhebben of bewenen, en Hij zal verklaren: ‘gij zijt mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn’ (1:9).

God zal Israëls boog breken (d.w.z. haar gewapende troepen breken) in het dal van Jizreël (1:5). Historisch gezien vond dit plaats in 733, iets meer dan een decennium voor Israël finaal werd verslagen; Assyrië trok binnen en naam haar verdedigingsgordel weg (2 Kon. 15:29).

Wonderlijk genoeg, ondanks deze drie verpletterende godsspraken, eindigt het hoofdstuk met verbazingwekkende hoop (1:10-11). Dit vertelt ons welke kant dit boek opgaat – zowel dit boek Hosea als deze Bijbel.


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen