vrijdag 30 oktober 2015

Daar gij de wet van uw God vergeten hebt, zal ook Ik uw zonen vergeten (Hos. 3-4)

2 Koningen 12; 2 Timotheüs 2; Hosea 3-4; Psalm 119:121-144

Hosea 1 is voor Hosea 2 wat Hosea 3 is voor Hosea 4. Het eerste onderdeel van elk hoofdstukkenpaar is in proza geschreven en focust op Hosea en Gomer, het tweede is in poëzie en focust op de parallelle relatie tussen Jahweh en Israël.

In het hoofdstukkenpaar dat we voor de aandacht hebben (Hosea 3 en 4) begint Hosea met een beheerst verslag in de eerste persoon van wat vervolgens in zijn huwelijk gebeurde. Dit hoofdstuk voltooit het verslag van zijn huwelijk. Hosea krijgt de opdracht zijn vrouw lief te hebben, die blijkbaar teruggekeerd is naar haar hoererij en nu een of andere man ‘toebehoort’ (wellicht een pooier).

Hosea onthult geen van zijn gevoelens wanneer hij Gomer terugkoopt; daden zijn toch belangrijker (iets wat onze generatie enigszins vergeten lijkt). Maar tegelijk draagt hij Gomer op, die nu naar hem is teruggekeerd, om hem trouw te zijn.

Dit weerspiegelt precies Gods situatie. In theorie had Hij alle recht om zijn ‘bruid’ weg te sturen en haar te vergeten. In plaats daarvan is Hij vastbesloten haar terug te krijgen, en te betalen wat maar nodig is om dit te kunnen – maar Hij verwacht ook van zijn bruid, pas teruggekeerd, dat ze Hem trouw is.
God heeft zijn uitverkorenen nog steeds lief. Hij zal hun hart proberen te winnen, zelfs na de meest vreselijke rebellie en tuchtiging, en Hij zal hen terugkopen.

De laatste verzen van hoofdstuk 3 voorzien zelfs een ballingschap die op lange termijn goed zal doen: hij zal een tijd brengen waarin het overblijfsel naar waarheid ‘de HERE, hun God’, zullen ‘zoeken, en David, hun koning’ (3:5).

In Hosea 4 richt God zich tot het afvallige Israël, ‘omdat er geen trouw, geen liefde en geen kennis Gods is in het land’ (4:1). De lange lijst van zonden is uiterst deprimerend. Het volk ‘gaat te gronde door het gebrek aan kennis’ van Gods woord (4:6).

Anders gesteld, ‘een geest van ontucht doet hen dwalen, zodat zij zich in ontucht aan hun God onttrekken’ (4:12). De corruptie is nu diep ingesleten. Sarcasme borrelt op aan de oppervlakte: waarom zou God dochters en schoondochters straffen voor hoererij, wanneer de mannen zich graag afzonderen met hoeren (4:14)?

God werkt bij het volk aan een dieper bewustzijn van schaamte en schuld. De hoon is tastbaar: ‘Komt dus niet naar Gilgal, en gaat niet naar Bet-Awen’ (4:15). Gilgal en Bethel waren twee van de belangrijkste heiligdommen voor het verbondsvolk van God.

Het tweede, Bethel, betekent ‘huis van God’, maar de profeet bewerkt het tot ‘Bet Awen’, d.w.z. ‘huis van zonde’, voor alles wat daar gebeurt. ‘Verknocht aan beelden is Efraïm. Laat hem geworden! (4:17-18a).

Ga naar de kerk met deze bende, en al wat je doet is deelnemen aan hun walgelijke afgoderij en zelfzucht, met geen enkele interesse om Gods woord te leren. Je kunt beter thuisblijven; dit soort ‘kerk’ zal je slechts bederven.


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen