zondag 4 oktober 2015

Eén herder zal er voor hen allen zijn (Ez. 37)


1 Koningen 7; Efeziërs 4; Ezechiël 37; Psalmen 87—88

Sinds de aankondiging van de val van Jeruzalem heeft Ezechiël nieuw leiderschap beloofd, een terugkeer tot het land, en een morele en geestelijke transformatie. Maar net als zijn eerdere aankondiging van de val van Jeruzalem op aanzienlijk scepticisme stootte, zo wordt nu zijn aankondiging van de zegeningen op hetzelfde onthaald.

Het volk is verstrooid, hun steden verwoest, en veel volksgenoten zijn over het buitenland verspreid, terwijl ze als ballingen in vreemde landen leven. Het is moeilijk zelfs maar een glimp van hoop te ontwaren. Daarom schreeuwen ze ‘Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vervlogen; het is met ons gedaan’ (37:11).

In Ezechiël 37 biedt God een gezicht en een objectles om die hoop te wekken en te voeden.

Eerst krijg je het gezicht van de vallei met de dorre doodsbeenderen (37:1-14). Ezechiël krijgt deze ‘zeer dorre’ beenderen te zien en krijgt de vraag ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen herleven?’ (37:3).

De beenderen vertegenwoordigen de Israëlieten in ballingschap. De noordelijke stammen zijn al anderhalve eeuw in ballingschap. De ballingengemeenschap in Babylon, waar Ezechiël leeft, is daar een decennium. De beenderen zijn zelfs zeer dor.

Ten eerste wordt Ezechiël bevolen tegen de beenderen te profeteren. Wonderlijk genoeg komen de beenderen bij elkaar en worden ze bedekt met vlees en huid – maar we zijn slechts van skeletten naar lichamen gegaan.

Dan krijgt Ezechiël de opdracht te profeteren tot de ‘adem’ (ruach, wat tegelijk ‘geest’ en ‘wind’ betekent). Nu komen de lichamen tot leven en gaan ze op hun voeten staan – ‘een geweldig groot leger’ (37:10).

Met andere woorden: hoewel prediking op zich bepaalde veranderingen bewerkt, is hetgeen vereist is de ingrijpende kracht van de Geest van God.
Binnen de metaforische wereld is dit niets minder dan opstanding uit de dood (37:12). De betekenis van het gezicht is echter dat God zijn Geest zal uitstorten, en de ballingschap zal eindigen (37:14).

Het tweede deel van het hoofdstuk is gewijd aan de objectles van de twee stukken hout (37:15-28).

Het eerste stuk hout vertegenwoordigt Juda; het tweede vertegenwoordigt de noordelijke stammen van Israël. Ezechiël staat voor God. Bij het aaneenzetten van de twee stukken hout, verklaart God dat er bij de beloofde terugkeer niet langer twee koninkrijken zullen zijn, maar één. ‘En één koning zal over hen allen koning zijn; niet langer zullen zij twee volken zijn en niet langer verdeeld in twee koninkrijken’ (37:22).

Nog maar eens komt de belofte van innerlijke transformatie naar voren: ‘Niet langer zullen zij zich verontreinigen met hun afgoden, hun gruwelen en al hun overtredingen, maar Ik zal hen verlossen van alle afvalligheid waarmee zij gezondigd hebben, en hen reinigen, zodat zij Mij tot een volk zullen zijn en Ik hun tot een God zal zijn’ (37:23).

Wat nog het belangrijkste is, de beloofde Messias zal hen leiden: ‘En mijn knecht David zal koning over hen wezen; één herder zal er voor hen allen zijn. Zij zullen naar mijn verordeningen wandelen en naarstig mijn inzettingen onderhouden’ (37:24).


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen