donderdag 16 juli 2015

Waarom is de weg der goddelozen voorspoedig? (Jer. 12)


Jozua 23; Handelingen 3; Jeremia 12; Matteüs 26

In de achtste eeuw voor Christus kreeg Hosea te maken met het vreselijke verraad van een vrouw met wie hij in het huwelijksverbond stond, maar die tragisch verkleefd was aan prostitutie. Hij leerde daardoor iets van hoe God staat tegenover de geestelijke hoererij van het volk met wie Hij zich door een verbond gelieerd heeft.

Op een enigszins vergelijkbare manier leed Jeremia onder de verwerping door zijn vrienden en verwanten (11:18-23 – zie de overdenking van gisteren). Zijn angst en boosheid over de situatie vormen voor God de achtergrond om zijn reactie te verklaren op de verwerping door het volk (Jer. 12).

De vraag die Jeremia stelt wordt opgeroepen door zijn ervaring in de onmiddellijk voorafgaande verzen. Hij heeft zijn bijdrage geleverd om hervorming te stimuleren, maar zijn leven wordt bedreigd door de verwanten en mensen uit zijn eigen stad. Hoewel hij nog steeds de gerechtigheid van God erkent, protesteert Jeremia ,‘toch wil ik over rechtszaken met U spreken: Waarom is de weg der goddelozen voorspoedig, en zijn zonder zorg allen die zich trouweloos gedragen?’ (12:1).

Ondergedompeld in wanhoop en overspoeld door een gevoel van de zuivere ongerechtigheid van alles, vraagt Jeremia God in de openingsverzen van dit hoofdstuk waarom Hij niet gewoon de zondaars wegneemt en hen doodt.

God beantwoordt Jeremia’s vraag niet meteen (12:5-6).In plaats daarvan zegt Hij eigenlijk aan de profeet dat dit alles nog maar klein bier was. Wanneer Jeremia al zo pijnlijk struikelt in zijn eigen stad, hoe zal het dan met hem gaan in de veel gecompliceerder en verdorven sfeer van Jeruzalem?

‘Als gij met voetgangers loopt, maken zij u moede; hoe zult gij dan een wedloop beginnen met paarden?’ (12:5). Als je al struikelt in het relatief veilige gebied van Anatot, ‘wat kun je dan beginnen in het struikgewas bij de Jordaan?’ (in de periode voor de ballingschap was de Jordaanvlakte bedekt met weelderige begroeiing die veel wilde dieren bescherming bood, zoals de Aziatische leeuw). Veel christenleiders hebben moeten leren dat het aanvankelijke lijden nog maar een voorbereiding was voor veel meer van hetzelfde.

Jeremia is minstens al iets beter in staat om te verstaan wat God bedoelt wanneer Hij zegt ‘Ik heb mijn huis verlaten, mijn erfdeel verworpen; Ik heb mijn zielsgeliefde gegeven in de greep van haar vijanden. Mijn erfdeel was Mij geworden als een leeuw in het woud, het had tegen Mij gebruld; daarom ben Ik het gaan haten’ (12:7-8).

Zo schilderen de volgende verzen het oordeel dat onvermijdelijk moet volgen. Zelfs hier zie je echter hoe Gods genade er doorheen schijnt. Nadat God hen heeft ‘weggerukt’, zal Hij hen terugbrengen naar hun erfdeel (12:14-15).

Indien ballingschap onvermijdelijk is door hun zonde, zal herstel volgen dankzij Gods erbarmen. Zelfs heidense volkeren zullen delen in de zegen van de Heer, waar ze ook maar de Baäls afzweren en zweren bij de levende God (12:16).


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen