woensdag 29 juli 2015

Het zwaard roep Ik op tegen alle bewoners der aarde (Jer. 25)


Richteren 12; Handelingen 16; Jeremia 25; Markus 11

De profetie van Jeremia 25 wordt gedateerd in het vierde jaar van Nebukadressar, d.w.z. in 605 v.C., het jaar waarin de Babyloniërs de Egyptenaren versloegen in Karkemis, daarbij Juda dwingend zijn loyaliteit te verleggen naar de nieuwe en opkomende macht.

Op dit ogenblik profeteert Jeremia al drieëntwintig jaar – vanaf de regering van de laatste goede koning, Josia, tot op deze dag (25:3). De opkomst van de Babylonische suprematie is voor Jeremia een geschikt moment om een aantal van zijn hoofdthema’s te herhalen: een terugblik op de chronische ongehoorzaamheid van het volk, een terugblik op de waarschuwingen geen andere goden na te volgen, de weigering van het volk om naar de woorden van de Heer te luisteren (25:3-8).

Maar er zijn in dit hoofdstuk verschillende elementen die ofwel niet eerder vermeld werden, of die tot hiertoe nog maar zijdelings behandeld werden.

Ten eerste wordt Nebukadressar, in taal die doet denken aan Jesaja, beschreven als Gods ‘dienaar’ (25:9). Dit is een manier om te zeggen dat het God zelf is die achter de val van Jeruzalem zit, zelfs al is de tijdelijke macht die het werk uitvoert dan Babylon en zijn koning.

Ten tweede zal de dienst aan de koning van Babylon ‘zeventig jaren’ duren (25:12). Er zijn verschillende manieren om de duur van de ballingschap te berekenen. Dit is een afgerond getal dat begint met de opkomst van Babylon in 609 en ofwel loopt tot de nederlaag van Babylon tegen de Perzen (539), of misschien vanaf de eerste wegvoering van leiders in 605 tot de eerste terugkeer van de Joden naar het land onder het regime van koning Kores van Perzië (536; vgl. 2 Kron. 36:20-23; Zach. 1:12).

Ten derde, op een manier die ons herinnert aan wat God zegt dat Hij zal doen met de Assyriërs nadat Hij hen gebruikt heeft om het Noordelijke koninkrijk te tuchtigen (Jes. 10:5 e.v.), zegt God hier dat Hij Babylon zal straffen, ‘hun ongerechtigheid bezoeken’ en ‘tot eeuwige woestenijen’ zal maken (25:12). ‘Dan zal Ik over dit land doen komen al mijn woorden die Ik daartegen gesproken heb, alles wat in dit boek geschreven staat, wat Jeremia over alle volken heeft geprofeteerd’ (25:13).

Ten vierde wordt in de volgende verzen van Jeremia verlangd, in een visionaire ervaring, dat hij de volken zal doen drinken van de ‘beker met de wijn der gramschap’ (25:15; vgl. Opb. 14:10).

De God van de Bijbel is niet zomaar een stammengod; Hij houdt alle volken verantwoordelijk. Het oordeel mag dan beginnen met de verbondsgemeenschap, maar finaal omhelst het alle gemeenschappen, zonder uitzondering. ‘Gij zult niet vrij uitgaan, want het zwaard roep Ik op tegen alle bewoners der aarde, luidt het woord van de HERE der heerscharen’ (25:29).

En waarheen zouden wij vluchten om aan het oordeel te ontkomen, behalve naar de schuilplaats die Hij alleen biedt?


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen