woensdag 22 februari 2012

Een nieuwe familie op basis van gehoorzaamheid aan het woord (Lk. 8)


Exodus 5; Lukas 8; Job 22; 1 Korinthiërs 9

In Lukas 8:19-21 lees je: ‘Zijn moeder en broeders kwamen tot Hem en zij konden Hem niet bereiken vanwege de schare. Men boodschapte Hem: Uw moeder en uw broeders staan buiten en willen U zien.’ Wellicht leefde de veronderstelling dat Jezus zich zelf een weg ging banen naar hen toe, of zijn autoriteit zou gebruiken om te zorgen dat ze vrije doorgang kregen. Uiteindelijk was dit toch een cultuur die veel minder individualistisch was ingesteld dan de onze, veel meer op gezin en de grotere familie georiënteerd.

Het maakt Jezus’ antwoord nog verbazingwekkender: ‘Mijn moeder en mijn broeders zijn dezen, die het woord Gods horen en doen’ (8:21). Vier dingen moeten hier gezegd worden.

Ten eerste staat dit gedeelte ook niet apart. Eens Jezus zijn publieke dienst start, dan verraadt hij bij geen enkele gelegenheid, tot aan het kruis, nog maar de minste voorkeursbehandeling voor zijn eigen familieleden, inclusief zijn moeder. Bij elke gelegenheid houdt Hij ofwel rustig afstand van hen (zoals hier en in 11:27-28), of wijst Hij hen vriendelijk terecht (bijv. in Joh. 2:1-11). Er is geen uitzondering. Zij die beweren dat Maria een voetje voor heeft in de genegenheden en zegeningen die alleen Jezus kan schenken, kunnen dit niet op redelijke wijze staven vanuit deze teksten.

Ten tweede is het niet moeilijk om de redenen voor Jezus’ handelswijze te vinden. Ook buiten deze tekst blijven de evangeliën onze aandacht vestigen op de uniciteit van Jezus. In de context van Lukas wordt de familieband overschaduwd door de maagdelijke conceptie van Jezus, die verbonden is met Jezus’ opdracht en met wie Hij is. Te oordelen naar het boek Handelingen moet zelfs Jezus zijn natuurlijke familie zich na de opstanding verzoenen met wie deze zoon en broer van hen werkelijk was, en ze werden deel van de christelijke gemeenschap die Hem aanbad.

Ten derde suggereert dit op geen enkel ogenblik dat Jezus hard was voor de gevoelens van zijn familie. Een van de meest treffende momenten in het evangelie van Johannes schildert Jezus aan het kruis, terwijl Hij bijna met zijn laatste ademtocht voorziet in de zorg en stabiliteit die nodig is voor zijn radeloze moeder (Joh. 19:26-27).

Ten vierde mag de kracht van de passage die we voor ons hebben niet gemist worden: Jezus benadrukt dat degenen die Hem het meest na staan, degenen die Hij ‘bezit’, die de zijnen zijn, degenen die vlot toegang tot Hem hebben, degenen die deel uitmaken van zijn echte familie, dit voortaan niet zijn natuurlijke verwanten zijn, maar ‘dezen, die het woord Gods horen en doen’ (8:21). Anders dan veel heersers, toont Jezus geen interesse in een natuurlijke dynastie. Ook lag zijn ultieme focus niet op zijn stam, geslacht of gezin. Hij kwam om het gezin van God tot blijvend leven te roepen – en zij worden gekenmerkt door het gehoorzaam luisteren naar Gods woord.


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

dinsdag 21 februari 2012

‘Ik zal het hart van Farao verharden’ (Ex. 4)


Exodus 4, Lukas 7, Job 21, 1 Korinthiërs 8

In Exodus 4 vormen twee elementen de inleiding op complexe ontwikkelingen die vooruitgrijpen naar de rest van de Bijbel.
De eerste is de reden die God geeft over waarom Farao niet onder de indruk zal zijn van de wonderen die Mozes bewerkt. God verklaart: ‘Ik zal zijn hart verharden, zodat hij het volk niet zal laten gaan’ (4:21). In de loop van de daaropvolgende hoofdstukken varieert de vorm van de uitdrukking: niet alleen ‘Ik zal het hart van Farao verstokken’ (7:3), maar ook ‘het hart van Farao verhardde’ of ‘was hard’ (7:13, 22; 8:19 enz.) en ‘liet hij zijn hart niet vermurwen’ (8:15, 32 enz.).

Er is geen eenvoudig patroon in deze verzen te onderscheiden. Aan de ene kant kunnen we niet zeggen dat het patroon evolueerde van ‘Farao verhardde zijn hart’ tot ‘Farao’s hart werd verhard’ tot ‘God verhardde Farao’s hart’ (alsof Gods verharden niet meer was dan de goddelijke oordelende bevestiging van een patroon dat de man zelf gekozen had). Aan de andere kant kunnen we niet zeggen dat het patroon eenvoudig in dalende lijn werkte van ‘God verhardde Farao’s hart’ tot ‘Farao’s hart werd verhard’ tot ‘Farao verhardde zijn hart’ (alsof Farao’s zelfopgelegde verharding niets meer was dan het onvermijdelijke gevolg van de Goddelijke verordening).

Drie waarnemingen kunnen wat licht werpen op deze teksten. a) Gezien de Bijbelse verhaallijn tot nu toe, gaat men ervan uit dat Farao al een zeer slecht persoon is. Meer bepaald heeft hij Gods verbondsvolk tot slaven gemaakt. God heeft geen moreel neutraal persoon verhard; Hij heeft oordeel uitgesproken over een slecht mens. De hel is een plaats waar bekering niet langer mogelijk is. Gods verharden heeft het effect dat het die straf een beetje vroeger oplegt dan gewoonlijk. b) In alle menselijke acties is God nooit compleet passief: dit is een theïstisch universum, zodat ‘God verhardde Farao’s hart’ en ‘Farao verhardde zijn eigen hart’ onderling complementair zijn, verre van helemaal verschillend. c) Dit is niet de enige passage waar dit soort dingen gezegd wordt. Kijk bijvoorbeeld naar 1 Koningen 22, Ezechiël 14:9 en bovenal naar 2 Tessalonicenzen 2:11-12: ‘En daarom zendt God hun een dwaling, die bewerkt, dat zij de leugen geloven, opdat allen worden geoordeeld, die de waarheid niet geloofd hebben, doch een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid’.

Het tweede vooruitgrijpende element is de ‘zoon’-terminologie: ‘Israël is mijn eerstgeboren zoon; daarom zeg Ik u: laat mijn zoon gaan, opdat hij Mij diene; zoudt gij echter weigeren hem te laten gaan, dan zal Ik uw eerstgeboren zoon doden’ (Ex. 4:22-23). Die eerste verwijzing naar Israël als de zoon van God ontwikkelt in een pulserende typologie die de Davidische koning omarmt als de zoon bij uitstek, de zoon ‘par excellence’, en uiteindelijk uitmondt bij Jezus, de ultieme Zoon van God, het ware Israël en de messiaanse Koning.


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

maandag 20 februari 2012

De HEER: van niets of niemand afhankelijk (Ex. 3)


Exodus 3, Lukas 6, Job 20, 1 Korinthiërs 7

Twee elementen in Exodus 3 vragen onze aandacht.

Het eerste is de dramatische introductie van ‘de engel des Heren’ (3:2). Op zijn minst bij aanvang ziet Mozes geen ‘engel’. De tekst zegt letterlijk: ‘Daar verscheen hem de Engel des HEREN als een vuurvlam midden uit een braamstruik’ – maar dit kan niet betekenen dat een engelachtig wezen verscheen tussen de vlammen, te onderscheiden van de vlammen, want hetgeen de aandacht van Mozes trekt is de braamstruik zelf die, hoewel ze blijkbaar brandt, nooit verteerde.
De verschijning van ‘de engel des Heren’ was dus klaarblijkelijk in de wonderbaarlijke vlammen zelf. Het valt op dat wanneer de stem tot Mozes spreekt vanuit de brandende braamstruik, het niet de stem van de engel is, maar de stem van God: ‘riep God hem uit de braamstruik toe: Mozes, Mozes!’ (3:4). Het daaropvolgende gesprek is tussen God en Mozes, er is geen verdere vermelding van ‘de engel des Heren’.

Op het eerste gezicht is deze ‘engel des Heren’ een bepaalde manifestatie van God zelf. We zullen nog gelegenheid hebben om dieper in te gaan op oudtestamentische passages waar de engel des Heren verschijnt – soms in menselijke gedaante, soms zelfs niet expliciet een ‘engel’ genoemd (herinner je de ‘man’ die worstelt met Jakob in Gen. 32), altijd angstaanjagend ‘ander’, en telkens te identificeren met God zelf.

We mogen ons wel afvragen of, wanneer de tekst die we voor de aandacht hebben het zo weergeeft dat ‘God zei’, dit dan niet meer betekent dan dat God sprak doorheen een engelenboodschapper. Uiteindelijk, als de boodschapper de woorden van God spreekt, dan is het in zekere zin God zelf die spreekt. Maar de Bijbelse verschijningen van ‘de engel des Heren’ zijn niet zo makkelijk in een netjes afgebakende en simplistische verklaring te passen. Het is bijna alsof de Bijbelse auteurs willen aanduiden dat God zelf verscheen, terwijl die transcendente God toch onderscheiden wordt van gelijk welke loutere verschijning.
De engel des Heren blijft een enigmatische figuur die geïdentificeerd kan worden met God, maar van Hem dient onderscheiden te worden – een vroege aankondiging als het ware, van het eeuwige Woord dat vlees werd, en tegelijk zowel Gods metgezel als God zelf (Joh. 1:1, 14).

Het tweede element is zelfs nog belangrijker, hoewel ik er slechts de kortste commentaar kan aan wijden. De naam van God (3:13-14) kan weergegeven worden als ‘IK BEN WIE IK BEN’, zoals ook de NBG doet, of ‘Ik zal zijn die Ik zal zijn’. In het Hebreeuws is de verkorte vorm ‘Ik ben’ op een bepaalde manier verbonden met YHWH, vaak uitgesproken als Yahweh (en meestal weergegeven als ‘HERE’, in hoofdletters; dezelfde letters staan voor Jehovah in het Nederlands). Deze naam suggereert minstens dat God algenoegzaam is, eeuwig, volledig zelfstandig en volkomen soeverein: God is wat Hij is, van niets en niemand afhankelijk.


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

zondag 19 februari 2012

Geen andere held dan God (Ex. 2)


Exodus 2, Lukas 5, Job 19, 1 Korinthiërs 6

In de meest cruciale gebeurtenissen uit de heilsgeschiedenis gaat God tot het uiterste om te verzekeren dat niemand eenvoudig zou concluderen dat die gebeurtenissen zich voordeden door menselijke volharding of wijsheid. Ze kwamen tot stand door God zelf – op zijn tijd, volgens zijn plan, met zijn middelen, tot zijn heerlijkheid – maar in interactie met zijn volk. Het is allemaal terug te vinden in Exodus 2:11-25.

Het verslag is kort. Het vertelt ons niet hoe de moeder van Mozes erin slaagde om in hem een diep gevoel van eenheid met zijn eigen volk te bewerken voor hij opgevoed werd aan het koninklijk hof. Mogelijk genoot hij verder contact met zijn natuurlijke moeder; mogelijk verdiepte hij zich als jongeman in zijn verleden en onderzocht hij nauwgezet de toestand en onderwerping van zijn eigen volk. We maken kennis met Mozes wanneer hij al zo betrokken is met de Israëlieten in slavernij dat hij bereid is een brute Egyptische opzichter te vermoorden. Wanneer hij ontdekt dat de moord die hij beging algemeen bekend wordt, moet hij vluchten voor zijn leven.

Toch kun je niet anders dan nadenken over de plaats van deze episode in de verhaallijn die leidt tot Mozes’ leiderschap in de uittocht een paar tientallen jaren later. Door Gods eigen oordeelsdaden zouden veel Egyptenaren dan omkomen. Dus waarom gebruikt God Mozes niet nu hij nog een jongeman is, vol vuur en verlangen om te dienen en zijn volk te bevrijden?

Het is gewoon Gods manier van doen niet, zijn weg niet. God wil Mozes zachtmoedigheid en nederigheid leren, hem leren vertrouwen op Gods krachtige en wonderlijke ingrijpen, op Gods timing leren wachten. Hij handelt op dusdanige manier dat niemand zal kunnen zeggen dat Mozes de ware held is, de grote visionair. Wanneer hij tachtig is, wil Mozes de Heer niet meer op die manier dienen. Hij is niet langer een idealistische, vurige visionair. Hij is een oude man die door God bijna moet overgehaald worden (Ex. 3) en zelfs bedreigd (Ex. 4:14) vooraleer hij gehoorzaamt. Er is daarom geen andere held dan God, en geen eer behalve voor God.

Het hoofdstuk eindigt met vermelding van het volgende: ' de Israëlieten zuchtten nog steeds onder de slavernij en schreeuwden het uit, zodat hun hulpgeroep over de slavernij omhoog steeg tot God. En God hoorde hun klacht en God gedacht aan zijn verbond met Abraham’ (2:23-24). Dit betekent niet dat God zijn verbond vergeten was. We zagen reeds dat God Jakob expliciet opdroeg naar Egypte te gaan en voorzegde dat God op een dag zijn verbondsplannen zou uitvoeren. Dezelfde God die soeverein deze zaken regelt en plechtig voorzegt wat Hij zal doen, kiest ervoor om de vervulling van deze beloften tot stand te brengen door de persoonlijke interactie met zijn verbondsvolk in hun nood, terwijl Hij hun roep beantwoordt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 19 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

zaterdag 18 februari 2012

Wat het verleden ons (niet) leert (Ex.1)

Exodus 1; Lukas 4; Job 18; 1 Korinthiërs 5

‘Toen kwam er een nieuwe koning over Egypte, die Jozef niet gekend had’ (Ex. 1:8). Zij die niets leren uit de geschiedenis zijn voorbestemd om al zijn vergissingen te herhalen, wordt ons verteld. Of ook nog: het enige dat de geschiedenis ons leert is dat we geen lessen trekken uit de geschiedenis. Vergeten we de treffende aforismen even, dan hoef je toch niet al te lang in de Schrift te lezen vooraleer je ziet welke droevige 'vergeten' daarin speelt.

Voorbeelden te over. Je zou na de zondvloed verwachten dat een dergelijk allesvernietigend oordeel de mensen die daarna leefden zo bang zou maken dat ze het oordeel van God te allen prijze willen vermijden, maar dit is niet wat gebeurt. God leidt Israël uit hun gevangenschap en gebruikt spectaculaire plagen en de doortocht door de Rode Zee, maar na slechts enkele weken zijn de Israëlieten bereid om hun redding aan een god toe te schrijven die voorgesteld wordt door een gouden kalf. Het boek Richteren beschrijft het droevige patroon van zonde, oordeel, redding, gerechtigheid, gevolgd door zonde oordeel, redding, gerechtigheid – de zorgelijke cyclus gaat langzaam neerwaarts.

Je zou denken dat koningen in de koninklijke lijn onder het Davidisch koningshuis lessen zouden trekken uit wat hun vaders leerden, en dat ze nauwgezet de zegen van God zouden zoeken door trouwe gehoorzaamheid; maar dit was nauwelijks wat er gebeurde. Na de catastrofale ondergang van het noordelijke koninkrijk en het in ballingschap voeren van zijn leiders en werklieden, vraag je je af waarom het zuidelijke koninkrijk het niet opmerkte en verbondstrouw aan de dag legde. In feite ben je nauwelijks anderhalve eeuw verder en de Babyloniërs laten hen hetzelfde lot ondergaan.

Het is niet moeilijk om ook vreselijke vergeetachtigheid te vinden in sommige nieuwtestamentische kerken. Dus is de vergeetachtigheid van de heersers van Egypte, geholpen door een wissel in dynastie, nauwelijks verrassend. Een paar honderden jaren is een lange tijd. Hoeveel christenen in het westen hebben werkelijk de lessen van het evangelisch ontwaken in zich opgenomen, laat staan die van de Reformatie?

Niet ver van waar ik deze lijnen neerschrijf is een kerk gevestigd die op een zondagmorgen 5 à 6.000 mensen trekt. Zijn leiders zijn vergeten dat het nauwelijks twintig jaar geleden begon als een kerkplant. Nu willen ze zich terugtrekken uit de denominatie die hen oprichtte, niet omdat ze het theologisch niet eens zijn met de denominatie, niet vanwege moreel kwaad erin, maar gewoonweg omdat ze zo onder de indruk is van haar eigen grootheid en belang dat men te hoogmoedig is om dankbaar te zijn. Je kunt denken aan scholen die hun leerstellige grondslage verlaten hebben binnen één generatie. Of je kunt denken aan individuele mensen, waaronder bijbelgeleerden van naam, die zo onder de indruk zijn van nieuwigheden dat slimme originaliteit door hen hoger geacht wordt dan goddelijke trouw. Landen, kerken en mensen veranderen, bij elke stap denkend dat ze meer ‘vooruit’ zijn dan allen die hen voorgingen.

Tot onze schaamte vergeten we alle dingen die we zouden moeten herinneren.


Eigen vertaling van de overdenking bij 18 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

vrijdag 17 februari 2012

'Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht' (Gn.50)


Genesis 50, Lukas 3, Job 16—17, 1 Korinthiërs 4

Het laatste hoofdstuk van Genesis bevat een gedeelte dat zowel aandoenlijk als glorieus is (Gen. 50:15-21).

Alles wat droevig en gebrekkig is in deze familie duikt terug op wanneer Jakob sterft. Jozefs broers vrezen dat hun vermaard gezinslid misschien zijn haatdragende rancune slechts tijdelijk onderdrukt heeft tot de dood van de oude man. Waarom dachten ze dit? Was het omdat ze nog steeds geplaagd werden door schuldgevoelens? Projecteerden ze slechts op Jozef wat ze zelf zouden doen in zijn plaats? Hun aanpak laadt nieuwe zonden op hen: ze liegen over wat hun vader zei, in de hoop dat een oproep van Jakob op zijn minst een gevoelige snaar zou raken bij Jozef. In dit licht klinkt hun nederige onderwerping (‘Zie, wij zijn u tot slaven’, 50:18) minder als loyale hulde dan als wanhopige manipulatie.

Jozef daarentegen weent (50:17). Hij kan niet anders dan zien dat deze kruiperige leugens verraden hoe weinig geliefd hij is of hoe weinig ze hem vertrouwen, zelfs na zeventien jaren (47:28) van uiterlijk herstel. Zijn verbale respons toont niet slechts pastorale zachtmoedigheid ‘Zo troostte hij hen en sprak tot hun hart’, met de belofte voor hen en hun gezinnen te zullen zorgen (50:21) – het weerspiegelt ook een man die diep nagedacht heeft over de mysteries van voorzienigheid, over Gods soevereiniteit en menselijke verantwoordelijkheid. ‘Vrees niet’, zegt hij. ‘Ben ik in Gods plaats?’ Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, ten einde te doen, zoals heden het geval is: een groot volk in het leven te behouden’ (50:19-20).

De diepte van deze redenering komt scherper in beeld wanneer we nadenken over wat Jozef niet zegt. Hij zegt niet dat Jozefs broers hem in slavernij verkochten gedurende een tijdelijke onachtzaamheid van Godswege, maar dat God, die een uitstekende schaakspeler is, het spel heeft omgedraaid en te zijner tijd Jozef tot Eerste Minister van Egypte heeft gemaakt.

Nog minder zegt hij dat het Gods bedoeling was om Jozef naar Egypte te sturen in een welbepaalde strijdwagen, maar dat Jozefs broers ongelukkigerwijs het goddelijke plan in de war stuurden en God dwongen om te antwoorden met slimme tegenzetten om zijn eigen goede bedoelingen teweeg te brengen.

Veeleer waren er in die ene gebeurtenis – Jozef die als slaaf wordt verkocht – twee partijen en twee heel verschillende intenties. Aan de ene kant handelden Jozefs broers, met kwade bedoelingen; aan de andere kant handelde God, en zijn intenties waren goed. Beiden handelden om deze gebeurtenis tot stand te laten komen, maar waar het boze ervan terugvoert naar de broers en niet verder, wijst het goede erin naar God.

Dit is een gebruikelijk standpunt in de Schrift. Het zorgt voor vele complexe filosofische discussies. Maar de basisidee is eenvoudig. God is soeverein en zonder uitzondering goed; wij zijn moreel verantwoordelijk en vaak slecht.


Eigen vertaling van de overdenking bij 17 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

donderdag 16 februari 2012

'Mijn ogen hebben uw heil gezien' (Lk. 2)

Genesis 49, Lukas 2, Job 15, 1 Korinthiërs 3

Jezus groeide helemaal op als Joodse jongen. Niet alleen was Hij van Joodse afkomst, Hij was ook van Davidische komaf: wettelijk behoorde Hij tot het onderdrukte koningshuis (Lk. 2:4). De keizerlijke politiek werd van Godswege gestuurd om te verzekeren dat Jezus geboren zou worden in de oude stad van David (2:1-4, 11). Op de achtste dag van zijn leven werd Jezus besneden (2:21). Op het daarvoor bepaalde tijdstip brachten Maria en Jozef een offer, naar het voorschrift uit de Wet voor wat vereist was voor elke eerstgeborene (2:22-24). Van Maria en Jozef wordt ons verteld dat ‘zij alles volbracht hadden, wat volgens de wet des Heren te doen was’. Tijdens de eerste dagen van Jezus’ leven bad Simeon profetisch tot God, terwijl hij verklaarde dat de komst van Jezus tot ‘heerlijkheid voor uw volk Israël’ was (2:32); bejaarde Hanna ‘loofde mede God en sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten’ (2:38).

Elk jaar reisden Jozef en Maria de vele kilometers van Nazareth naar Jeruzalem om deel te nemen aan het feest rond Pascha, ‘zoals dit bij het feest gebruikelijk was’ (2:41-42). Ze voegden zich bij tienduizenden andere pelgrims. Natuurlijk ging Jezus mee en was Hij getuige bij de slachting van duizenden paaslammetjes, hoorde Hij de tempelkoren en reciteerde Hij de oude Schriften. Op zijn twaalfde leidden Jezus’ voortdurende blootstelling aan het erfgoed van zijn volk en aan de inhoud van hun Schriften tot de buitengewone gesprekken die Hij voerde met de leraars uit de tempel (2:41-52).

We beginnen niet eens te beseffen over welke terreinen Jezus allemaal sprak en waarin Hij handelde, en op welke terreinen zijn leven en dienst en zijn dood en opstanding allemaal invloed hebben, tenzij we ze vinden in de oude Hebreeuwse Bijbel.

Maar dit is niet alles wat erover te zeggen valt. Diezelfde Bijbel begint niet bij Abraham en het ontstaan van de Israëlieten. Hij begint met God, de oorsprong van het heelal, de schepping van menselijke wezens die Gods beelddragers zijn, de wrede rebellie van de zondeval, de eerste cycli van oordeel en vergeving, en de eerste beloften van redding die zou volgen.

Jazeker, Paulus verstond dat de lange geschiedenis van de Joden moet gezien worden binnen het nog langere verhaal van het menselijke ras, en dat zelfs de eerste roeping van de man die de voorvader is van alle Joden, verduidelijkt dat door hem alle volken op aarde gezegend zullen worden (Gal. 3, vgl. Gen. 12). Hier, aan het begin van Jezus’ leven, komt hetzelfde raamwerk weer piepen. Simeon prijst de soevereine Heer dat Hij hem toestaat te blijven leven om deze baby te zien: ‘want mijn ogen hebben uw heil gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: licht tot openbaring voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israël.’

Eigen vertaling van de overdenking bij 16 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

woensdag 15 februari 2012

De Schrift is eenduidig: ga naar Jezus (Lk. 1)


Genesis 48, Lukas 1:39-80, Job 14:1, 1 Korinthiërs 2

Soms wekt slechte theologie reactionaire slechte theologie op. Omdat het rooms-katholicisme Maria gaandeweg meer titels gaf en mythes toeschreef, hebben protestanten soms gereageerd door stil te blijven over haar verbazingwekkende karakter. De aanpak van geen van beide houdt goed stand wanneer die door dit gedeelte (Lk. 1:39-80) en enkele andere waarover we zullen kunnen nadenken, wordt beproefd.

Katholieken gaven Maria titels als ‘Moeder Gods’ en ‘Koningin van de Hemel’, maar geen daarvan wordt in de Bijbel gevonden. De visie dat Maria onbevlekt werd ontvangen (en daarom zondeloos is), en dat ze net als Henoch lichamelijk in de hemel werd opgenomen en daarmee aan de dood ontsnapte, vinden in de Bijbel al evenmin enige basis. Die laatste visie werd voor de rooms-katholieken niet eerder een dogma dan in 1950. Volgens nieuwsberichten overweegt de huidige Paus of hij een andere titel, die conservatieve katholieken al voor Maria gebruiken, ook niet zou invoeren als een te belijden dogma, nl. de titel van ‘Coredemptrix’ of ‘medeverlosseres.

Maar Lukas’ getuigenis wijst in een andere richting. In Maria’s lofzang (1:46-55), traditioneel de ‘Magnificat’ genoemd (naar het Latijnse woord voor ‘verheerlijken’ of ‘grootmaken’: ‘Mijn ziel maakt groot de Here’), zegt Jezus’ moeder dat haar geest zich verblijdt in ‘God, mijn Heiland’ – wat zeker klinkt alsof ze zichzelf zag als iemand die een Redder nodig had, wat vreemd zou zijn voor iemand die onbevlekt ontvangen was. Meer, als je snel doorheen de evangeliën scant ontdek je dat Maria gedurende Jezus’ dienst geen speciale toegang had tot haar beroemde zoon, soms ook de aard van zijn missie niet begreep (bijv. 2:48-50), en nooit iemand hielp een bepaalde gunst van Jezus te verkrijgen die hij of zij ook anders niet kon krijgen. Ja, het eenduidig getuigenis van de Schrift is dat mensen tot Jezus moeten gaan. Jezus zegt: ‘Kom tot Míj, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ík zal u rust geven’ (Mt. 11:28). Hij zegt niet: ‘Kom tot mijn moeder’. Hij alleen is de ware Middelaar tussen God en mensen.

Niettemin is Maria helemaal prachtig als een voorbeeld van vele deugden (zoals bijvoorbeeld ook Jozef dat is in Genesis 37-50). Ze aanvaardt haar verbazingwekkende rol onderdanig en onverstoorbaar, zeker als je bedenkt wat het aanvankelijk voor haar reputatie heeft betekend (1:34-38). Tweemaal noemt Elisabeth haar ‘gezegend’ (1:42, 45), d.w.z. door God aangenomen; de bovennatuurlijke erkenning van de superioriteit van de Zoon van Maria boven de zoon van Elisabeth (1:41-45) was ongetwijfeld een van de dingen die Maria in haar hart overwoog (2:19). Maar geen van deze dingen stijgen Maria naar het hoofd: zijzelf erkent dat haar ‘gezegend’-zijn niet gebaseerd is op haar intrinsiek superieur zijn, maar op Gods (‘de Machtige’) gedenken van haar ‘lage staat’ en zijn keuze om ‘grote dingen’ voor haar te doen (1:48-49). Zij focust in de ‘Magnificat’, zoals ook wij dat moeten doen, op de trouw van God die nu de zo lang beloofde verlossing brengt (1:50-55).


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

dinsdag 14 februari 2012

Het verslag van de evangeliën berust op ooggetuigen (Lk. 1)


Genesis 47, Lukas 1:1-38, Job 13, 1 Korinthiërs 1
Hoe zijn de evangeliën uit de canon bij ons terechtgekomen?

Aan de ene kant is het voldoende ervan verzekerd te zijn dat God erin voorzag. Maar normaal gezien handelt God doorheen middelen die identificeerbaar zijn. Op geen enkel ogenblik geven de canonieke evangeliën de indruk dat ze vanuit de hemel aangereikt werden op gouden dienbladen, of slechts uitgeschreven door apostelen die een oor hadden voor goddelijk dicteerwerk.

Lukas voorziet ons van de meeste details over hoe hij bij zijn taak tewerk ging (Lk. 1:1-4). Hij vertelt ons dat al ‘velen zich tot taak hebben gesteld om een verslag te schrijven’ over Jezus’ leven en dienstwerk, in lijn met wat was ‘overgeleverd door degenen die vanaf het begin ooggetuigen zijn geweest en dienaren van het Woord zijn geworden’ (1:1-2). Hieruit kunnen we twee dingen afleiden. a) Lukas beweert niet zelf een ooggetuige te zijn van Jezus. Maar hij beweert wel dat hij in contact staat met wat de oorspronkelijke ‘ooggetuigen’ en ‘dienaren van het Woord’ hebben doorgegeven. b) Tegen de tijd dat hij schrijft weet Lucas al dat er dan al veel geschreven verslagen circuleren. Dit moet ons niet verrassen. De Joden waren een geletterd volk. Elke jongen leerde lezen en schrijven. Het is onwaarschijnlijk dat niemand iets op papier zou hebben gezet in de eerste jaren volgend op Jezus dood, opstanding en verheerlijking.

Dan vertelt Lukas ons dat hijzelf ‘alles van de aanvang af nauwkeurig’ naging. De woorden suggereren dat hij de bronnen las, sprak met de hoofdpersonen die hij kon vinden, en de verslagen evalueerde. We kunnen op zijn minst een glimp van zijn methode opvangen wanneer we zijn tweede boek lezen, het boek van de Handelingen. Daar ontdekken we, door zijn bewegingen te volgen, dat hij kan gesitueerd worden in alle belangrijke vroege christelijke centra, waar hij de mogelijkheid had om met alle vroege christen leiders te spreken en om alle vroege verslagen en archieven te lezen. Het is dus geen al te grote sprong om hieruit af te leiden dat als dokter Lukas (zie Kol. 4:14) wat extra informatie vermeldt over de unieke zwangerschap van Maria (Lk. 1:26 e.v.), dit is omdat hij haar opzocht en enkele lange gesprekken met haar had. Na verloop van tijd besloot hij dan om zijn verslag ‘in ordelijke vorm’ te schrijven (1:3).

Twee dingen volgen. Ten eerste, hoeveel de Heilige Geest ook toezag op de totstandkoming van dit evangelie, dit goddelijke toezicht sloot de noodzaak tot minutieus onderzoek en zorgzaam werk niet uit. Ten tweede is deze methode om een canoniek boek te doen ontstaan, volledig in lijn met zijn onderwerp: God Zelf bracht de messiaanse Zoon van David, de Zoon van God, in deze wereld binnen (1:35), de eeuwige die het tijdelijke binnenkomt en er daarbij voor zorgt dat men voor eeuwig over Hem zou kunnen spreken zoals een getuige spreekt over wat wordt waargenomen. De overdracht van de christelijke waarheid berust dus noodzakelijkerwijs voor een deel niet op het mystieke, maar op getuigenis.


Eigen vertaling van de overdenking bij 14 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

Bron afbeelding

maandag 13 februari 2012

Met maar één vleugel moet een vliegtuig wel crashen (Gn. 46)

Genesis 46, Markus 16, Job 12, Romeinen 16

Een van de moeilijkste dingen om te begrijpen is dat de God van de Bijbel zowel persoonlijk is – in interactie met andere personen – als transcendent (d.w.z. verheven boven tijd en ruimte – het domein waarin al onze persoonlijke interacties met God plaatsvinden). Als de transcendente Heerser regeert Hij over alle dingen, zonder uitzondering. Als de persoonlijke Schepper communiceert Hij op persoonlijke manieren met degenen die zijn beelddragers zijn, terwijl Hij zich openbaart als niet alleen persoonlijk maar ook nog eens feilloos goed. Hoe we deze elementen kunnen bijeenbrengen gaat uiteindelijk ons petje te boven, ook al wordt er vaak eenvoudigweg vanuit gegaan in de Bijbel.

Wanneer Jakob verneemt dat Jozef nog leeft, brengt hij God, die zich nog maar eens zo genadig aan Jakob openbaart, slachtoffers: ‘Ik ben God, de God van uw vader, vrees niet naar Egypte te trekken, want Ik zal u daar tot een groot volk maken. Ik zal zelf met u naar Egypte trekken en Ik zal u ook zeker weer terugvoeren en Jozef zal u de ogen toedrukken’ (Gen. 46:3-4).

Het boek Genesis maakt duidelijk dat Jakob wist dat Gods verbond met Abraham de belofte inhield dat het land waar ze nu verbleven op een dag aan hem en zijn nakomelingen zou gegeven worden. Dit is waarom Jakob die directe openbaring van God nodig had om hem te bewegen het land te verlaten. Jakob was op drie terreinen herbevestigd: a) God zou zijn nakomelingen gedurende hun verblijf in Egypte tot een ‘groot volk’ maken; b) God zou hen uiteindelijk uit Egypte leiden; c) op het persoonlijke niveau is Jakob vertroost wanneer hij hoort dat zijn lang verloren gewaande zoon Jozef nog zijn vaders dood zal mogen meemaken.

Dit zorgt allemaal voor persoonlijke vertroosting. Het openbaart ook iets van de mysteries van Gods voorzienige soevereiniteit. Lezers van de Pentateuch weten immers dat dit verblijf in Egypte zal uitmonden in slavernij, dat dan van God gezegd zal worden dat Hij de klacht van zijn volk ‘hoort’, en dat Hij na verloop van tijd Mozes zal doen opgroeien, die Gods vertegenwoordiger zal zijn bij de tien plagen, in de doortocht van de Rode Zee, het geven van het verbond van de Sinaï en van de wet, de tocht door de woestijn en bij het (her)betreden van het Beloofde Land. De soevereine God, die Jozef naar Egypte brengt om de weg te bereiden voor deze kleine gemeenschap van zeventig mensen, heeft nog heel wat complexe plannen in voorraad. Die zijn ontworpen om zijn volk naar de volgende fase te brengen in de heilsgeschiedenis, en hen uiteindelijk te leren dat Gods woorden meer zijn dan voedsel (Deut. 8).

Je kunt Gods soevereine transcendentie net zomin losmaken van zijn persoonlijkheid of vice versa, als je een vleugel van een vliegtuig kunt losmaken en verwachten dat het toestel nog vliegt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 13 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

Bron afbeelding

zondag 12 februari 2012

‘Werkelijk, deze Mens was Gods Zoon!’ (Mk. 15)


Genesis 45, Markus 15, Job 11, Romeinen 15
In Markus 15 spreken mensen beter dan ze eigenlijk beseffen.
‘Wat moet ik dan doen met Hem, die gij de Koning der Joden noemt?’, vraagt Pilatus (15:12). Natuurlijk gebruikt hij die uitdrukking ‘de Koning der Joden’ met een zekere snerende minachting. Wanneer de menigte antwoordt met ‘Kruisig Hem!’ (15:13-14), dan denken zij die politieke motieven hebben dat dit het einde is van alweer iemand met messiaanse aanspraken. Zij weten niet dat deze koning moét sterven, dat zijn regering afhangt van zijn dood en dat Hij tegelijk Koning en Lijdende Knecht is.

De soldaten vlechten een doornenkroon in elkaar en duwen die hardhandig op zijn hoofd. Ze slaan en bespuwen Hem en vallen dan op hun knieën in een spottende verering, terwijl ze roepen ‘Wees gegroet, Gij Koning der Joden!’ (15:18). In feite is Hij meer dan de Koning der Joden (hoewel zeker niet minder). Op een dag zal elk van deze soldaten, met ieder ander, ook weer neerknielen voor de opgewekte man die ze bespot en gekruisigd hebben, en zullen ze belijden dat Hij Heer is (Fp. 2:9-11).

De voorbijgangers konden niet aan de drang weerstaan om verwijten te slingeren: ‘Ha, Gij, die de tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, red Uzelf, kom af van het kruis!’ (15:29-30). De onverschillige spot verborg de waarheid die ze niet konden zien: eerder had Jezus inderdaad geleerd dat Hijzelf de ware tempel was, het tegenbeeld van het gebouw in Jeruzalem, de ultieme ontmoetingsplaats tussen God en mensen (Joh. 2:19-22). Meer, Jezus had niet enkel benadrukt dat Hijzelf de tempel is, maar dat Hij dit is op grond van het feit dat deze tempel moet worden vernietigd en in drie dagen terug herrijzen. Had Hij ‘afgekomen’ van dat kruis en zichzelf gered, zoals zijn bespotters stelden, dan kon Hij niet de afgebroken en herrezen ‘tempel’ worden die mannen en vrouwen weer met God verzoent.
‘Anderen heeft Hij gered, Zichzelf kan Hij niet redden’ (15:31). Weer mis – en ook weer correct. Dit is de man die vrijwillig naar het kruis gaat. (14:36; vgl. Joh. 10:18). Te zeggen dat Hij zichzelf niet ‘kàn’ redden, is dwaas beperkend. Maar Hij kon zichzelf niet redden én tegelijk anderen redden. Hij redt anderen door zichzelf niét te redden.

‘Laat de Christus, de Koning van Israël, nu afkomen van het kruis, dat wij het zien en geloven’ (15:32). Maar in wat voor een Christus zouden ze in dat geval geloofd hebben? Een machtige koning, ongetwijfeld – maar niet de Redder, niet het Offer, niet de Lijdende Dienstknecht. Ze hadden niet lang in Hem kunnen geloven, want de basis voor die verandering in hen was precies gelegen in dat kruiswerk waarvan ze Hem smadend wilden afbrengen.
‘Werkelijk, deze Mens was Gods Zoon!’ (15:39). Ja, meer dan ze beseften.


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

Bron afbeelding

zaterdag 11 februari 2012

Juda: van egoïst naar plaatsvervanger (Gn. 44)


Genesis 44, Markus 14, Job 10, Romeinen 14

Tot op dit punt in het verhaal (Gen. 44) verscheen Juda in geen al te goed licht. Wanneer Jozefs broers voor het eerst hun bedoeling om hem te doden duidelijk maken (Gen. 37:19-20), zijn er twee van hen die met alternatieven komen. Ruben suggereert dat Jozef gewoon in een put kan worden gegooid waar hij niet uit kan ontsnappen (37:21-22). Dit voorstel had twee voordelen. Ten eerste kon de moord niet op directe wijze aan de broers gekoppeld worden. En ten tweede hoopte Ruben later in het geheim terug te komen om zijn jongste broer te redden. Ruben was compleet van de kaart toen zijn plan niet slaagde (37:29-30). De andere broer met een onafhankelijk voorstel was Juda. Zijn argument was dat er geen voordeel te halen viel uit een zuivere moord. Het zou beter zijn om Jozef als slaaf te verkopen (37:25-27) – zijn visie haalde het.

Juda verschijnt opnieuw in het volgende hoofdstuk, waarin hij slaapt met zijn schoondochter (Gen. 38) en, zeker aanvankelijk, een dubbele standaard aan de dag legt (zie de overdenking van 6 februari).

Maar hier in Genesis 44 werpt Juda zich meer op als een heroïsche figuur. Jozef stuurt de dingen zodanig dat Benjamin en zijn broers gearresteerd worden voor diefstal. Hij dringt er daarbij op aan dat alleen Benjamin in Egypte achterblijft als slaaf. Mogelijk was Jozefs list bedoeld om zijn oudere broers te testen, om te zien of ze nog steeds de jongste weerstonden, of ze nog zo hard waren dat ze een van hen in slavernij konden laten belanden, terwijl ze zich in de handen wreven dat zij zelf toch mooi de dans ontsprongen. Het is Juda die tussenkomt en boven alles pleit op de bijzondere liefde die zijn vader voor Benjamin koestert. Hij verwijst zelfs naar Jakobs geloof dat Jozef omkwam door wilde dieren (44:28), alsof dat duidelijke bedrog en de slechtheid van dit alles de voorbije kwarteeuw in zijn gedachten waren blijven spoken. Juda legt uit hoe hijzelf beloofd had de jongen veilig terug te brengen en hij houdt een emotioneel pleidooi: ‘Nu dan, laat toch uw knecht in de plaats van de jongen als slaaf voor mijn heer achterblijven, en de jongen trekke met zijn broeders mee. Want hoe zal ik naar mijn vader heentrekken, wanneer de jongen niet bij mij is? Ik zou het verdriet niet kunnen aanzien, dat mijn vader zou treffen’ (44:33-34).

Dit is het hoogtepunt in wat we van Juda’s pelgrimstocht weten. Hij biedt zijn leven aan als vervanging voor een ander. Misschien was hij daarbij deels gedreven door een schuldig geweten. Indien dit het geval was, kwam de pure heldendaad voort uit zuivere schaamte. Hij kon niet weten dat minder dan tweeduizend jaren later, zijn meest illustere nakomeling zichzelf zou opofferen als een plaatsvervanger voor hen (Markus 14), daarbij op geen enkele manier gedreven door schaamte maar slechts door gehoorzaamheid aan zijn hemelse Vader en door liefde voor schuldige rebellen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

Bron afbeelding

vrijdag 10 februari 2012

World Press Photo: soms zegt een foto meer dan duizend woorden



De winnende foto van dit jaar. Bij de protesten in Jemen houdt een vrouw een gewond familielid dicht tegen zich aan.



Ook in Jemen: twee kindbruidjes poseren met hun man. Een van de meisjes was 6 toen ze huwde, haar man was 25. De helft van alle vrouwen in Jemen huwden als kind.



Foto uit Buenos Aires. Marco leidt Monica uit haar slaapkamer de woonkamer in. Monica leidt aan de ziekte van Alzheimer.


Je vindt nog meer winnende foto's met een woordje uitleg achter de link naar de World Press Photo Contest 2012.


Documentaire over C.H. Spurgeon

Een documentairefilm (van langer dan een uur) over C.H. Spurgeon, The People's Preacher - ofte: de prediker van het volk.



Met Gods ogen naar onze cultuur kijken (Mk. 13)


Genesis 43, Markus 13, Job 9, Romeinen 13

Christenen waren het vaak oneens over de precieze uitleg van Markus 13. Maar welke meningsverschillen ook opdoken, we kunnen niet naast het verbazingwekkende contrast kijken tussen de manier waarop de discipelen naar het tempelcomplex kijken en de manier waarop Jezus zelf dit doet.

De discipelen zijn onder de indruk van de stenen en gebouwen: ‘zie, welke stenen en welke gebouwen’ (13:1). Het is de architectuur, het product van de menselijke creativiteit en het menselijk vernuft, die hun aandacht trekt. Maar Jezus bekijkt het op een ander vlak. Hij staat stil bij de patronen van slechtheid in deze wereld, de valse religieuze aanspraken, de vervolging van zijn discipelen, het oordeel dat komt. Hij voorziet oordeel voor de stenen en het gebouw: ‘Er zal geen steen op de andere gelaten worden, die niet zal worden weggebroken’ (13:2). Het zal nog een goede veertig jaren duren eer deze voorzegging letterlijk wordt vervuld.

Dit gedeelte roept herinneringen op aan een ander. In Handelingen 17:16 e.v. bevindt Paulus zich in Athene. Zijn reactie op de stad is treffend. Lucas zegt niet dat Paulus onder de indruk was van de spectaculaire architectuur, van de geschiedenis van loutere wetenschap, van de literatuur die zijn inwoners hadden voortgebracht, of van de heerlijkheid van zijn erfgoed. Ver van dat. Paulus keek rond in deze eerbiedwaardige oude stad en zijn geest werd ‘in hem geprikkeld, toen hij zag, dat de stad zo vol afgodsbeelden was’ (17:16).

In geen van beide gevallen – noch in Jezus’ inschatting van Jeruzalem, noch in die van Paulus wat betreft Athene – was de analyse oppervlakkig. Beide keren rekende de evaluatie met zaken zoals ze er vanuit Gods perspectief uitzagen. Wie onder de indruk is van machtige bouwwerken en spectaculaire menselijke verwezenlijkingen doet er goed aan om het verslag van de torenbouw van Babel nog eens te overdenken (Gen. 11). Ongetwijfeld waren er toen ook sommigen onder de indruk van het bouwwerk. Maar God, die keek naar het menselijke hart en de redenen voor het gebouw, zag het als nog maar eens een staaltje van ondraaglijke eigendunk.

Op heel gelijklopende wijze worden wij er ook toe opgeroepen om onze cultuur te verstaan en te beoordelen vanuit Gods perspectief. Omdat mensen geschapen zijn naar het beeld van God, kunnen we veel doen dat waardevol en bewonderenswaardig is. Theologisch gesproken is dit het resultaat van ‘algemene genade’. Maar het is mogelijk om veel te veel onder de indruk te zijn van rijkdom, macht, architectuur, roem, wetenschap, fysieke moed of technologie, met als gevolg dat we niet meer verder nadenken over de morele en geestelijke dimensies van de wereld rondom ons. We kunnen de glorie zien en blind blijven voor de schande; we kunnen menselijke verwezenlijkingen zien en de onderliggende afgoderij verwaarlozen; kortom: we kunnen onder de indruk zijn van al wat indruk maakt op Gods gevallen beelddragers, maar tekortschieten in het beoordelen van deze werkelijkheden in het licht van het kruis en in het licht van de eeuwigheid. We zouden er veel beter aan doen om de voorbeelden van Jezus en Paulus te volgen.



Eigen vertaling van de overdenking bij 10 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

Bron afbeelding
Bron afbeelding 2

donderdag 9 februari 2012

Actueel voorbeeld van vergeving

Gisteren gelezen in Het Nieuwsblad:

Opmerkelijk: man vergeeft doodrijdster van zijn vrouw


Geef God wat van God is (Mk. 12)

Genesis 42, Markus 12, Job 8, Romeinen 12

Het gesprek tussen Jezus en sommige van zijn tegenstanders in Markus 12:13-17 is hoogst interessant. Markus zegt dat Jezus’ opponenten naar Hem toekwamen ‘om Hem op een woord te vangen’ (12:13). Ongetwijfeld is dit ook de reden dat ze begonnen met nogal minzaam gevlei over hoe principieel Hij wel is als leraar, vastbesloten om zich niet te laten beïnvloeden door de populaire opinie. Het is allemaal een val. ‘Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet?’, vragen ze. ‘Zullen wij betalen of niet betalen?’ (12:14:15).

Ze dachten dat ze Hem te pakken hadden. Antwoordde Hij ‘Nee’, dan kreeg Hij last met de Romeinse autoriteiten. Zij zouden een populair religieus prediker in een onstabiel land als dit zeker niet zomaar laten begaan als die zou oproepen om geen belastingen te betalen. Misschien wachtte Jezus wel de doodstraf voor verraad. Maar zou Hij ‘Ja’ antwoorden, dan zou Hij het vertrouwen van het volk verliezen en zou daarmee ook zijn populariteit tanen. Veel Joden koesterden niet alleen de algemeen menselijke wrevel tegenover belastingen, maar hadden ook theologische bezwaren. Hoe kon een Jood die het nauw nam met zijn overtuigingen belastingen betalen als er op de munten een afbeelding stond van de keizer, dan nog niet gesproken over de munten die hem ook goddelijke titels toedichtten? Als Joden bovendien werkelijk oprecht waren, zou God dan niet neerdalen en zijn volk terug verlossen, deze keer van de Romeinse supermacht? Vraagt principiële trouw aan God niet dat je dan geen belastingen betaalt?

Welk antwoord Jezus ook gaf, Hij zou verliezen. Maar Hij weigert zich gewonnen te geven. In plaats daarvan vraagt Hij om een munt, vraagt wiens beeltenis er op voorkomt, en argumenteert dat het gerechtvaardigd is te geven aan Caesar wat van Caesar is en aan God wat van God is. Jezus ontsnapt zo netjes aan hun valstrik en zijn tegenstanders verwonderen zich.

Maar er zijn diverse toepassingslagen hier. Onder een strikte theocratie zouden Jezus’ woorden onsamenhangend zijn: de regering van God wordt uitgevoerd door de koning, zodat hun macht niet zo makkelijk van elkaar te onderscheiden valt. Bovendien was de structuur van het oude verbond op papier heel nauw verbonden met een theocratische regering. Maar hier kondigt Jezus aan dat er onderscheid moet gemaakt worden tussen de aanspraken van Caesar en die van de levende God.

Natuurlijk betekent dit niet dat Caesars macht volledig losstaat van Gods macht, en ook niet dat God niet volledig voorzienig de controle zou behouden. Maar er valt moeilijk aan de conclusie te ontkomen dat Jezus een fundamentele verandering aankondigt in de regering van de verbondsgemeenschap. Het punt voor die gemeenschap is niet langer een theocratisch koninkrijk; het is nu een gemeenschap van kerken van overal ter wereld, die leven onder vele ‘koningen’ en ‘caesars’ of ‘keizers’, terwijl ze geen van hen aanbidden. En dit is waarom overal in de wereld veel christenen, als ze doorheen de geschiedenis geen bepaalde godsdienst willen vestigen, dit herleiden naar deze uitspraak van de Heer Jezus zelf.
(vertaling laatste zin nog onduidelijk. Engels: And that is why many christians around the world trace the history of the non-establishment of a particular religion to this utterance of the Lord Jesus himself.)


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

Bron afbeelding

woensdag 8 februari 2012

Rechtuit maar niet naïef (Mk. 11)

Genesis 41, Markus 11, Job 7, Romeinen 11

Het gesprek tussen Jezus en sommige opponenten, zoals weergegeven in Markus 11:27-33, is een van de vreemdste van de vier evangeliën. Jezus ontwijkt hun belangrijkste vraag door er zelf een te stellen, een die ze om politieke redenen niet kunnen beantwoorden. Waarom antwoordt Jezus niet eenvoudigweg op de vraag? Klinkt dit niet een klein beetje als gegoochel, of slechter nog, een kleingeestig manoeuvre voor de macht of om het laatste woord te hebben?

Aan de ene kant was de vraag van de hogepriesters, de wetgeleerden en leiders volkomen legitiem. Met welk gezag reinigt Jezus de tempelplaats, aanvaardt Hij de lof van ontelbare duizenden als Hij Jeruzalem binnengeleid wordt en predikt Hij met vast vertrouwen? Hij kan niet bogen op de autoriteit van de rabbijnse scholen, ook niet van hen die hoge kerkelijke of politieke posities bekleden. Dus welk soort gezag is dit?

Hoe had Jezus kunnen antwoorden? Had Hij verklaard dat Hij deze dingen eenvoudigweg op eigen kracht deed, dan had Hij aanmatigend en arrogant geklonken. Hij kon geen passende aardse autoriteit noemen. Had Hij blijven benadrukken dat alles wat Hij zei en deed de woorden en daden van God waren, dan hadden ze Hem kunnen pakken op grond van godslastering. Het is niet eenvoudig welk antwoord Hij naar waarheid kon geven dat hen tegelijk tevreden stelde en zijn eigen veiligheid garandeerde.

Dus antwoordt Jezus hen dat Hij hun vraag zal beantwoorden als zij een van zijn vragen willen beantwoorden: ‘De doop van Johannes, was die uit de hemel of uit de mensen? Antwoordt Mij daarop’ (11:30). Zijn gesprekspartners wegen hun mogelijke antwoorden af op basis van politieke gevolgen. Als ze zeggen ‘Uit de hemel’, overwegen ze, dan zal Hij hen veroordelen omdat ze geen discipelen van Johannes werden. Erger nog, ze kunnen er niet naast kijken dat dit ook een val is voor het antwoord op hun eigen vraag. Want uiteindelijk wees Johannes de Doper naar Jezus. Als ze toegeven dat Johannes’ dienst een hemelse verankering heeft, en Johannes wijst op Jezus, dan heeft Jezus wel degelijk hun vraag beantwoord; want ook zijn dienst moet dan de goedkeuring van de hemel wegdragen. Maar als ze zeggen ‘Uit de mensen’, dan lijden ze gezichtsverlies bij het volk bij wie Johannes populair was. Dus zeggen ze niets en verliezen ze hun recht op een antwoord van Jezus (11:31).

Twee pastorale implicaties volgen uit dit gesprek. De eerste is dat sommige mensen niet kunnen doordringen tot Jezus’ ware identiteit en dienst, zelfs wanneer ze indringende vragen lijken te stellen, omdat in werkelijkheid hun mening al gevormd is en ze eigenlijk munitie zoeken om Hem te vernietigen.

De tweede is dat een wijs antwoord soms een indirect antwoord is dat de valstrikken vermijdt en meteen de tweeslachtige perversiteit van de gesprekspartner aan het licht brengt. Hoewel christenen er normaal gezien geen doekjes moeten om winden, moeten we ook nooit naïef zijn.


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

dinsdag 7 februari 2012

Online tijdschrift voor Bijbelse Counseling

Na een afwezigheid van 4 jaar is het 'Journal of Biblical Counseling' terug.
Dit is niet het enige goede nieuws: je kunt dit tijdschrift nu gratis online lezen.
David Powlison leidt alles in goede banen. Het is een initiatief van CCEF, de Christian Counseling & Educational Foundation

Bezoek hier de website van Journal of Biblical Counseling.

Bekijk hier nummer 1 van Journal of Biblical Counseling als pdf.

Waarom een gelovige geen fatalist is (Gn. 40)


Genesis 40, Markus 10, Job 6, Romeinen 10

Vertrouwen op Gods soevereiniteit moet niet verward worden met vervallen in fatalisme. Het is geen gelaten zucht van ’Que sera, sera’ – ‘What will be, will be’ of ‘wat zal zijn, zal zijn’. Jozef begreep dit (Gen. 40).

Het verslag van Farao’s schenker en bakker vertelt ons niet wie van beiden uiteindelijk schuldig was aan iets, zo dit al gold voor een van hen. Het vertelt ons alleen wie van de twee door Farao schuldig werd bevonden. Zelfs dan wordt ons niets onthuld over de aard van de misdaad. De focus ligt eerder op hun dromen en op het feit dat – van alle gevangenen - alleen Jozef in staat was om hun dromen uit te leggen. De uitleggingen zijn zo dramatisch en gaan zodanig precies in vervulling, dat de accuratesse ervan niet betwist kan worden.

Jozef zelf maakt zich geen illusies over de bron van zijn bekwaamheid. ‘Zijn de uitleggingen niet Gods zaak?’, vraagt hij (40:8). Zelfs als hij voor Farao staat, waar je misschien had kunnen verwachten dat hij zijn uitleggingen een beetje zou aanpassen om zijn eigen reputatie aan te dikken, zal Jozef zelfs nog meer benadrukken dat hij zelf niet in staat is om dromen uit te leggen: alleen God kan dit doen (41:16, 25).

Maar ondanks deze onwankelbare trouw aan God, ondanks zijn openhartige belijdenis van zijn eigen limieten, ondanks de zuivere volharding en integriteit van zijn wandel onder onrechtvaardig lijden, verwart Jozef Gods voorzienigheid niet met fatalisme. Het punt wordt op twee manieren aangetoond in dit hoofdstuk.
Ten eerste is Jozef wel bereid om de schenker over zijn eigen netelige situatie te vertellen (de dienaar die na drie dagen zal vrijgelaten worden en zijn positie aan het hof terugkrijgt) in de hoop dat hij zal vrijgelaten worden (40:14-15). Jozefs geloof in God betekent niet dat hij helemaal passief wordt. Hij onderneemt duidelijk actie om verbetering in zijn omstandigheden te kunnen bewerken, mits die actie het zegel van integriteit draagt.

Ten tweede: wanneer hij kort de omstandigheden beschrijft die hem in de gevangenis brachten, doet Jozef geen moeite om te vergulden dat het om een zeer boosaardige daad ging. Hij benadrukt dat hij ‘gestolen’ is ‘uit het land der Hebreeën’ (40:15). Dit was een belangrijk punt, want de meeste slaven waren in die toestand beland door economische omstandigheden. Wanneer mensen bijvoorbeeld bankroet waren, verkochten ze zichzelf als slaven. Maar dit was niet wat er met Jozef gebeurd was, en hij wilde dat Farao dit wist. Hij was een slachtoffer. Bovendien heeft hij zelfs tijdens zijn leven als slaaf in Egypte ‘niets gedaan, waarom zij mij in dit kerkerhol hadden kunnen zetten’ – wat natuurlijk betekent dat hij onterecht in de gevangenis zit. Jozef verwart dus Gods voorzienige regering niet met Gods morele goedkeuring.

Fatalisme en pantheïsme kunnen moeilijk onderscheid maken tussen wat er is en wat er had moeten zijn. Gefundeerd Bijbels theïsme moedigt ons aan om te vertrouwen op de goedheid van de soevereine, voorzienige God, terwijl het aan de kaak stelt en zich verzet tegen wat boos is in deze gevallen wereld.


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 februari uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998. Dit dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I.

Bron afbeelding