maandag 3 augustus 2015

Zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen (Jer. 30-31)


Richteren 17; Handelingen 21; Jeremia 30-31; Markus 16

Jeremia 30-31 onderbreekt het biografisch materiaal over Jeremia met een aantal uitspraken over het herstel van Israël en Juda. Soms worden beide koninkrijken genoemd (30:3); soms worden ze beiden bedoeld onder ‘Jakob’ (30:7) of ‘Israël’ (30:10; 31:1).

Zoals in de profetie van Jesaja bepaalt alleen de context of ‘Israël’ verwijst naar het noordelijke koninkrijk, dat al meer dan een eeuw in ballingschap is, of naar geheel ‘Jakob’ (of meer precies naar het deel dat luistert en naar het land terugkeert).

De ‘dodelijke’ breuk en ‘ongeneeslijke wond’ waaraan ze leden is het gevolg van hun zonde (30:12-14) – een constante realiteit aan deze kant van de zondeval. Maar ‘Ik zal u genezing schenken, u van uw wonden genezen, luidt het woord des HEREN’ (30:17).

Twee hoogtepunten:

(1) Jeremia 31:15: Rachel, een van de matriarchen, wiens graf nabij Rama lag, ongeveer 8 km ten noorden van Jeruzalem (1 Sam. 10:2-3; Joz. 18:25), wordt hier afgebeeld als wenend voor haar ‘kinderen’ die in 722 v.C. weggevoerd waren (toen de noordelijke stammen in ballingschap gingen) en opnieuw in 587 (toen hetgeen overbleef van het zuidelijke koninkrijk weggevoerd werd, Jer. 40:1).

Mt 2:17-18 stelt dat deze woorden (typologisch) ‘vervuld’ worden wanneer moeders opnieuw wenen na de afslachting van de onschuldigen die met Jezus’ geboorte verbonden is. Want hoewel de ballingen terugkeerden naar Jeruzalem tijdens de Perzische periode, beginnen de meest schitterende kenmerken die gepaard gaan met het einde van de ballingschap, zich pas te ontvouwen bij de komst van de Messias.

(2) Jeremia 31:29 e.v.: Deze belofte van een nieuw verbond is bijzonder indringend. Omwille van de tribale, representatieve aard van het oude verbond, heeft het volk een spreuk bedacht: ‘De vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee geworden’ (31:29).

Onder het Mozaïsch verbond waren bijzondere mensen – profeten, priesters, koningen en een paar anderen – bijzonder gezalfd met de Geest, en zij hadden de taak het volk te vertegenwoordigen bij God, en God tegenover het volk. ‘Ken de Here’, vermaanden ze hen.

En omwille van die tribale, representatieve structuur, was het zo dat als de leiders in zonde vielen (‘onrijpe druiven gegeten hebben’), het hele volk in verderf verviel en teniet ging (‘de tanden der kinderen zijn slee geworden’).

Maar onder het nieuwe verbond gaat de spreuk niet langer op (31:30 e.v.). Iedereen onder het nieuwe verbond zal de Heer kennen: God zal zijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven (31:33). Er zullen niet langer bemiddelende leraars zijn, want allen zullen Hem kennen (31:34); leraars zullen louter deel uitmaken van het lichaam, maar niet als middelaars met ‘inside’-kennis van God. En de vergeving van zonden zal absoluut zijn (31:34).

Ontdek waar deze thema’s worden opgepikt in het Nieuwe Testament.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen