woensdag 5 augustus 2015

In die dagen en te dien tijde zal Ik aan David een Spruit der gerechtigheid doen ontspruiten (Jer. 33)


Richteren 19; Handelingen 23; Jeremia 33; Psalmen 3-4

In de belofte van herstel die Jeremia 33 biedt, focust de laatste helft van het hoofdstuk op het herstel van de Davidische troon en aanverwante zaken (Jer. 33:14-26).

Een paar opmerkingen:

(1) De verzen 15 en 16 herhalen grotendeels 23:5-6 (zie de overdenking van 27 juli). De woorden worden beschreven als Gods ‘goede woord’ (33:14), d.i. de belofte die Hij een beetje eerder deed aan Israël via Jeremia, en waar Hij nu opnieuw de aandacht op vestigt nu Jeremia gevangen zit in de gevangenhof en de ondergang van de stad niet lang meer uitblijft.

De vernietiging van de stad is aanstaande, de ballingschap van het volk gewoon onvermijdelijk – en God wil dat zowel Jeremia als het volk over de spoedige rampen heen kijken en nadenken over zijn beloften waarvan de vervulling zeker is. Dit is een onmisbaar onderdeel van wat het betekent te wandelen door geloof.

(2) In het algemeen onthult Jeremia niet zoveel over de komst van de Messias als Jesaja – of, duidelijker gesteld, wat hij onthult is meer diffuus en minder scherpgesteld. Niettemin schildert hij de komende als de goede herder (23:4; 31:10), de rechtvaardige Spruit (23:5; 33:15), en als David de koning, de knecht des Heren (30:9; 33:21, 26).

(3) De zekerheid van Gods verbond met David is gelieerd aan de zekerheid van Gods verbond met de dag en de nacht (33:19-21) – met andere woorden, gelinkt aan de volkomen betrouwbaarheid van God om zijn geordende universum te bewaren. De stabiliteit van het Davidisch koningshuis wordt niet vergeleken met de morgendauw die verdwijnt, maar met de dagelijkse cyclus, waarvan de regelmatigheid afhangt van de trouw en betrouwbaarheid van een krachtige en voorzienige God.

Alhoewel er gedurende een tijd niets meer te zien zal zijn van het Davidische koningshuis dan een treurige stomp, zal God zelf die maken tot ‘een Spruit der gerechtigheid’, ‘die naar recht en gerechtigheid in het land zal handelen’ (33:15).

(4) Nog een beetje verbazingwekkender, en zeker zeldzamer onder de profeten, is de belofte dat het de Levieten nooit zal ontbreken aan een man om voor God te staan en de voorgeschreven offeranden te brengen (33:18, 21).

Dit kan verwijzen naar de jaren na de ballingschap, wanneer de tempel herbouwd is en de Levietische offeranden heringevoerd. Maar diezelfde Jeremia had ook een nieuw verbond voorzien, een aankondiging die het Mozaïsch verbond in principe overbodig maakt (Heb. 8:13).

Vier eeuwen voor Jeremia voorzag David zelfs de opkomst van een priesterdom naar Melchizedek (Ps. 110) dat vooruitgrijpt naar het einde van het Levietische systeem en een verandering in de Wet (Heb. 7:11-12).

Vanuit een canoniek gezichtspunt ligt de ultieme typologische vervulling van dit gedeelte mogelijk in het koninkrijk van ‘priesters’ dat voortkomt uit het werk van de grote David (1 Pet. 2:5; Opb. 1:6).


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen