zaterdag 8 augustus 2015

Niemand schrok van wat hij hoorde, niemand scheurde zijn kleren (Jer. 36, 45)


Ruth 1; Handelingen 26; Jeremia 36, 45; Psalm 9

Deze twee hoofdstukken, Jeremia 36 en 45, bieden ons op twee vlakken waardevolle inzichten: de relatie tussen Jeremia en Baruch, en hoe Jeremia’s profetieën uiteindelijk neergeschreven werden.

(1) Baruch, de zoon van Neria (36:4) en broer van Seraja, die hofmaarschalk was in dienst van koning Zedekia (51:59), verschijnt voor het eerst in dit boek in hoofdstuk 32, waar hij dient als een wettelijk getuige. Het blijkt nu dat Baruch Zedekia’s notulist was (zijn schrijver, min of meer zijn secretaris).

(2) Op een bepaald ogenblik dacht Baruch duidelijk dat hij verder kon komen als hij banden zou hebben met een profeet als Jeremia. Hij is diep teleurgesteld als hij ontdekt dat het anders uitdraait (Jer. 45). De consequentie van de boodschappen die hij had neergeschreven raakt zijn eigen ziel, en hij is zwaar terneergedrukt.

Jeremia reageert op twee manieren.
(a) Hij wijst de jongeman terecht omdat hij zo kortzichtig aan zijn eigen toekomst denkt terwijl het hele land wegzinkt. Dit is een vermaning die velen in het individualistische Westen moeten horen.
(b) Hij biedt hem enige zekerheid: ondanks de catastrofe van de val van de stad, zal Baruch overleven.

(3) We krijgen niet altijd precieze informatie over de manier waarop de openbaring die God aan specifieke profeten gaf zijn geschreven vorm kreeg die we kennen uit de Bijbel. Hier is de informatie wonderlijk specifiek. God zelf beveelt Jeremia de woorden neer te schrijven, en Jeremia dicteert ze zorgvuldig aan Baruch, die ze neerschrijft.

Aangezien dit het vierde jaar van Jojakims regering was (36:1), was het 605/604 v.C., het jaar van de Slag om Karkemis toen Babylon de plaats van Egypte innam als regionale macht.

(4) Het lijkt erop dat, althans in het begin, de geschreven vorm van Jeremia’s profetieën meer gewicht kregen bij de gezagsdragers dan de mondelinge vorm waarvoor Jeremia in de gevangenis werd gezet (36:8-19). Zelfs vandaag wordt een publiek medium – kranten, radio, televisie – sneller geloofd dan gewoon woorden uit de mond van een vriend.
Het is tragisch dat de koning de woorden die hem worden voorgelezen, beantwoordt met cynische minachting, terwijl hij de boekrol kolom na kolom in stukken snijdt en ze in het vuur werpt. Zijn daad staat in schril contrast met de reactie van koning Josia als hem wordt voorgelezen uit de teruggevonden rol van de Wet (2 Kon. 22:11).

Erger nog, als wat hij vernietigt werkelijk de rol van Gods woorden is, hoe volkomen dwaas is het dan te denken dat Gods woorden zo gemakkelijk overtreden en vernietigd kunnen worden. Is Gods geheugen zo kort dat Hij zich niet kan herinneren wat Hij gezegd heeft? Kan Hij geen menselijke knechten opwekken die het materiaal opnieuw kunnen neerschrijven en er zelfs nieuwe openbaring kunnen invoegen (36:27-32).

Hetzelfde geldt voor alle inspanningen uit de geschiedenis om de Schrift te vernietigen: is God zo onmachtig dat Hij zijn woorden niet kan verdedigen en hen niet kan verderven die ze bespotten?


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen