maandag 23 november 2015

Wie weinig vergeven wordt, die betoont weinig liefde (Lk. 7)

1 Kronieken 18; Jakobus 5; Jona 2; Lukas 7

Twee verbluffende gedachten komen samen in Lukas 7:36-50:

(1) De eerste heb ik al eerder vermeld in deze twee volumes, maar het is de moeite waard ze opnieuw te vermelden. Wie heeft het recht zonden te vergeven? Wanneer iemand je heeft beroofd van je spaarcenten of je echtgenote heeft vermoord, zou ik niet het recht hebben de dader te vergeven. Op menselijk vlak is de benadeelde partij de enige die vergeving kan schenken.

Vanuit Gods gezichtspunt is, ongeacht hoe mensen zelf getroffen worden, de eerste overtreding natuurlijk tegen God zelf (vgl. Ps. 51:6). Dus kan God elke zonde vergeven omdat Hij altijd de benadeelde partij is.

Op menselijk vlak heeft de zondige vrouw uit dit verhaal Jezus op geen enkele manier schade berokkend. Op dit vlak had Hij niet het recht haar te vergeven. Maar het verhaal handelt over Jezus’ vergeving van deze vrouw (7:48) – en andere gasten, een beetje in de war door deze ontwikkeling, stellen de vraag, ‘Wie is deze, dat Hij zelfs de zonden vergeeft?’ (7:49). Inderdaad, wie is Hij?

(2) Het axioma dat Jezus ontwikkelt in dit gesprek met Simon is verbazingwekkend. Aan de ene kant is het axioma overduidelijk: de persoon die veel dingen vergeven is, zal normaal dankbaarder zijn tegenover de weldoener, dan de persoon die weinig vergeven is. Zoals Jezus zegt: ‘wie weinig vergeven wordt, die betoont weinig liefde’ (7:47).

Het axioma verklaart het gedrag van zowel de man als de farizeeër: zij vloeit over van tranen van louter dankbaarheid, terwijl hij onderkoeld en hooghartig is.
Maar indien dit axioma te sterk benadrukt wordt, zou het betekenen dat zij die een relatief ‘goed’ leven geleid hebben, God onvermijdelijk minder liefhebben dan zij die zich bekeerden vanuit een leven van vreselijk verval?

Je zou dan kunnen redeneren dat er bepaalde voordelen zijn als je voor je bekering aan lager wal zat: je waardeert genade in verhouding tot de graad van verdorvenheid die door genade moet worden overwonnen.

Dit mist het punt. Op sociaal vlak zijn de zonden van de vrouw natuurlijk veel erger dan die van de farizeeër. Maar de gradaties van zonde die iemand begaat op het sociale vlak zijn niets vergeleken met de gruwelijkheid van de opstand waarin elk van ons zich heeft gewenteld.

Simon de farizeeër is zelfs nog niet op het punt gekomen waar hij inziet dat hij vergeving nodig heeft. Stel je in plaats voor dat twee mensen zich allebei bekeerd hebben, een uit een sociaal verachtelijke achtergrond en een vanuit een gedisciplineerde en ‘rechtvaardige’ achtergrond: wat dan?

Beiden moeten bidden dat ze de lelijkheid van hun eigen zonden mogen zien, of zonden nu sociaal afgekeurd worden of als het om de lelijke zonden gaat (die vaak door Jezus worden veroordeeld) van arrogantie en zelfgenoegzaamheid.

Want tenzij we de genade krijgen om het verschrikkelijke van onze zonden te zien, is het tamelijk zeker dat we nooit de heerlijkheid van genade zullen vatten, en we Jezus te weinig zullen liefhebben.


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 november uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen