dinsdag 15 september 2015

De vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee geworden (Ez. 18)


2 Samuël 11; 2 Korintiërs 4; Ezechiël 18; Psalmen 62-63

Het pleidooi voor individuele verantwoordelijkheid klinkt waarschijnlijk nergens in de Bijbel sterker dan in Ezechiël 18. Maar het is belangrijk het gedeelte te verstaan binnen zijn historische en theologische context, vooraleer te pogen het toe te passen op onze eigen tijd.

De spreuk die geciteerd wordt in vers 2, ‘de vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee geworden’, vinden we ook in Jeremia 31:29, dus moet ze zowel in Jeruzalem als onder de ballingen zijn rondgegaan.

Blijkbaar gebruikten sommige mensen het gezegde als een gemakkelijke uitvlucht: er was maar weinig dat zij konden doen aan hun ellendige lot, zo zeiden ze, aangezien ze leden onder de zonden van hun vaderen, waaraan zij niets konden doen.

Dus in plaats van gerechtigheid en verbondshernieuwing na te streven gebruikten ze het gezegde als een excuus voor morele onverschilligheid en vermoeid fatalisme. Maar als het niet op dergelijk droevig slot uitdraait, leert het gezegde in feite wel enige waarheid. Op verschillende manieren overschrijdt gemeenschappelijke verantwoordelijkheid wel degelijk de generatiegrenzen.

Bij het geven van de Wet verklaart God zelf dat Hij de kinderen straft voor de zonden van hun vaderen tot in het derde en vierde geslacht van wie Hem haten – hoewel dit natuurlijk veronderstelt dat die latere generaties voortgaan met Hem te haten.

De prediking van Jesaja, van Jeremia en van Ezechiël zelf dreigt met lijden en ballingschap omwille van de aanhoudende rebellie en afgoderij van zowel voorgaande generaties als van de huidige generatie Israëlieten.

Wijzelf weten dat zonde vaak sociaal is in zijn gevolgen: bijvoorbeeld kinderen met een achtergrond van misbruik worden vaak zelf misbruikers, kinderen uit arrogante families worden vaak zelf arrogant, of worden op de duur gebroken en bitter. Zonde is slechts zelden volledig privaat en individueel. Het gezegde is niet volledig verkeerd.

Wanneer Jeremia dit gezegde weerlegt, is het alternatief dat hij presenteert eschatologisch – dit wil zeggen, het gezegde zal in de laatste dagen verdwijnen, met het aanbreken van het nieuwe verbond (zie de overdenking voor 3 augustus).

Ezechiëls punt is een beetje anders. Gods is bekommerd om elke individuele persoon: ‘Zie, alle zielen zijn van Mij, zowel de ziel van de vader als die van de zoon zijn van Mij’ (18:4). Welke sociale gevolgen er bovendien ook aan zonde vasthangen, je mag het gezegde nooit als een excuus gebruiken om huidige zonde te bedekken. Individuele verantwoordelijkheid blijft altijd staan: ‘de ziel die zondigt, die zal sterven’ (18:4).

Dit is het belang van de voorbeelden van gedragsverandering in dit hoofdstuk. Ze zetten niet enkele eenvoudige blauwdrukken neer van gerechtigheid door werken. Eerder benadrukken ze dat ware godsdienst transformeert, en geen excuus zal toereikend zijn (misschien achter een gezegde verborgen). De praktische conclusie vinden we in 18:30-32, een gedeelte dat verdient om uit het hoofd geleerd te worden.


Eigen vertaling van de overdenking bij 15 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen