maandag 28 december 2015

Waar is de vrees voor Mij? zegt de HERE der heerscharen tot u (Mal. 1)


2 Kronieken 33; Openbaring 19; Maleachi 1; Johannes 18

We weten niet veel over Maleachi. Hij diende in de periode na de ballingschap, later dan de vroege jaren waarin de grootste crisissen plaatsvonden. Tegen zijn tijd waren zowel de muur als de tempel herbouwd.

Nehemia, Zerubbabel en Jozua waren namen uit het verleden. Het teruggekeerde overblijfsel had zich gesetteld. Recent had zich niets van grote betekenis voorgedaan. Er was geen spectaculair herstel van de heerlijkheid van God in de tempel, zoals voorzien door Ezechiël (43:4). De rituelen werden uitgevoerd, maar zonder veel ijver of enthousiasme.

Dit is de situatie die Maleachi aankaart. Het maakt zijn woorden bijzonder toepasselijk voor gelovigen die leven in vergelijkbare tijden van lethargie. Er gebeurt niet al te veel: de politieke situatie is stabiel, de godsdienstvrijheid verzekerd, de voorgeschreven rituelen worden uitgevoerd – maar bij dit alles ontbreekt niet alleen passie, maar ook integriteit, levensverandering, vuur, eer in relaties en beloften, en godsvrucht. De terugkerende Joden worden gekenmerkt door een cynisme dat levensmoe is en zich niet zomaar laat wegzetten.

Maleachi 1 schept al meteen het kader:

(1) De mensen zijn niet overtuigd dat God hen werkelijk liefheeft. ‘Waarin hebt Gij ons uw liefde betoond?’, protesteren ze (1:2) – in het bijzonder in het licht van de algemene belabberde staat van zwakheid en relatieve armoede waarin ze zich bevinden.

God verwijst in de eerste plaats naar zijn liefde waarmee Hij hen uitverkoren heeft. Hij verkoos Jakob boven Esau; er was niets intrinsiek aan de twee mannen dat een aanleiding vormde voor deze keuze. De keuze valt terug te voeren naar niets meer of minder dan de verkiezende liefde van God.

Gelovigen moeten leren veilig te rusten in die liefde, willen ze niet worden overvallen door elke donkere omstandigheid die hen treft.

(2) In haar godsdienstige praktijken voert het volk de rituelen uit, maar het behandelt God met een uitgesproken gebrek aan respect. Dit wordt minstens op twee manieren getoond.

(a) De wet bepaalde dat wie een offer wilde brengen, met een vlekkeloos lam moest komen, niet met het zwakke en kreupele. Maar deze mensen brengen de slechtste dieren uit hun kudde – iets waar ze zelfs nog niet aan zouden durven denken als ze een geschenk zouden aanbieden aan een aardse monarch (1:6-9).

(b) Bovenal behandelt het volk de aanbidding van de almachtige God in woord en daad als een last die je moet verdragen, veel meer dan een vreugde die je geniet of minstens een gelukkige plicht die je vervult. ‘Wat is het een moeite!’ (1:13), zuchten ze, terwijl ze misprijzend ‘de neus ophalen’ (1:13).

De kwestie waar het om draait is dat God een groot koning is. Deze mensen handelen op een manier die Hem minacht. ‘Van waar de zon opkomt tot waar zij ondergaat, is mijn naam groot onder de volken’ (1:11). ‘Want een groot Koning ben Ik (…) en mijn naam is geducht onder de volken’ (1:14).

Maken Maleachi’s woorden ons beschaamd over hoe wij God benaderen?


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen