dinsdag 1 december 2015

Hij heeft u bekendgemaakt, o mens, wat goed is en wat de HERE van u vraagt (Micha 6)


1 Kronieken 29; 2 Petrus 3; Micha 6; Lukas 15

Er is een belangrijke gemeenschappelijke basis in Micha 6 en Lukas 15. Toch zal ik die maar terloops belichten.

Een van de slogans van de Reformatie was ‘simul justus et peccator’, een Latijnse uitspraak die iets betekent als ‘tegelijk (ge)recht(vaardigd) en een zondaar’. Het was een manier om het wettelijke karakter van rechtvaardiging te benaderen zoals Paulus die uitlegde.

Op basis van Christus’ dood verklaart God schuldige zondaars rechtvaardig – niet omdat ze, vanuit het feit van de rechtvaardiging zelf, in hun daden en gedachten werkelijk recht of rechtvaardig zijn, maar omdat het hen geschonken is bij de rechterstoel van Gods recht. Omdat Christus hun straf betaald heeft, zijn ze rechtvaardig in Gods ogen, zelfs al zijn ze dan, op het vlak van hun werkelijke bestaan, nog altijd zondaars.

Niettemin hebben de Hervormers nooit gedacht dat rechtvaardiging op zichzelf staat. Rechtvaardiging is een onderdeel van de redding, maar het is er niet het enige aspect van. De Heilige Geest brengt overtuiging van zonde en wedergeboorte; de ultieme stap is de finale transformatie van Gods volk naar lichaam en geest op de laatste dag. Deze elementen en andere horen samen, en al wie werkelijk gered zijn ervaren dit uiteindelijk allemaal.

Dus terwijl rechtvaardiging in en op zichzelf een mens nog altijd een zondaar laat, staat die rechtvaardiging nooit helemaal op zich. Ware redding vergeeft ons niet alleen, ze transformeert ons ook.

Micha begrijpt dit. Hij behandelt niet zozeer de basis van Israëls aanvaarding voor God (die uiteindelijk verbonden is met Gods genade, Deut. 9) maar benadrukt veeleer dat, indien de verbondsrelatie met God echt is, ze niet zal doordrenkt zijn van afgoderij, syncretisme en ongerechtigheid.

Dus hoe zal ik voor de Heer verschijnen? Zal ik de voorgeschreven jaarling offeren (6:6)? Of wat met het offeren van mijn eigen zoon: zal dit volstaan als betaling ‘voor de zonde mijner ziel’ (6:7)? Wat de Heer eist is dit: ‘niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben, en ootmoedig te wandelen met uw God’ (6:8).

Micha staat natuurlijk niet alleen op dit punt. Jezus predikte iets gelijkaardigs, terwijl Hij Hosea citeerde (Mt. 9:13). Paulus benadrukte dat de zondaar het koninkrijk van God niet zal beërven (1 Kor. 6:9-11). Hij bedoelt niet dat alleen wie continu bijzonder braaf zijn er zullen geraken, want hij vervolgt met te zeggen dat sommige van zijn lezers ooit bijzonder zondige zaken bedreven. Maar als ze werkelijk gered zijn, moet er zich een transformatie voordoen.

Dit is evenzeer waar in de gelijkenis van de verloren zoon (Lk. 15:11- 27). Hij wordt aangenomen door de genade van de vader. Maar in de complexiteit van de terugkeer, laat de zoon zijn zonde achter zich wanneer hij zichzelf toevertrouwt aan de genade van zijn vader.

Hoe uiterst belangrijk ‘simul justus et peccator’ ook is, het mag nooit, maar dan ook nooit gebruikt worden om de zondige praktijk goed te praten.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen