zondag 10 mei 2015

Wilt gij weten, gij dwaze mens, dat het geloof zonder de werken niets uitwerkt? (Jak. 2)


Numeri 19; Psalmen 56-57; Jesaja 8:1-9:7; Jakobus 2

‘Want wij zijn van oordeel, dat de mens door geloof gerechtvaardigd wordt, zonder werken der wet’ (Rom. 3:28). Zo schrijft de apostel Paulus.

‘Wilt gij weten, gij dwaze mens’, argumenteert Jakobus, ‘dat het geloof zonder de werken niets uitwerkt?’ … Gij ziet, dat een mens gerechtvaardigd wordt uit werken en niet slechts uit geloof … Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder werken dood’ (Jakobus 2:14-26, in het bijzonder vers 20, 24 en 26).

De formele tegenspraak tussen Paulus en Jakobus is zo treffend dat ze doorheen de eeuwen tot onophoudelijke discussie leidde. Veel hedendaagse critici, sceptisch over het feit dat God werkelijk heeft gesproken in de Bijbel, denken dat de passages onverzoenbaar zijn, en dat ze samen aantonen dat er vanaf het begin diverse stromingen waren binnen de christenheid, met afzonderlijke en onderling zelfs tegenstrijdige uitleggingen. Anderen denken dat het ware geheim tot de relatie tussen Paulus en Jakobus ligt in zeer verschillende betekenissen van ‘werken’ of ‘daden’.

Diverse uitlegkundige syntheses werden gegeven, maar ze kunnen hier niet geëvalueerd worden. Het kan echter nuttig blijken om over de volgende punten na te denken:

(a) Paulus en Jakobus krijgen te maken met zeer verschillende problemen. Paulus staat tegenover hen die zeggen dat werken, of ze nu goed of slecht zijn, een fundamentele bijdrage leveren aan het feit of iemand christen wordt (zie een van zijn antwoorden in Rom. 9:10-12). Zijn antwoord is dat ze dit niet doen en ook niet kunnen doen: Gods genade wordt alleen door geloof verkregen.

Jakobus staat tegenover hen die beweren dat reddend geloof zelfs bij hen gevonden wordt die eenvoudig bevestigen (bijvoorbeeld) dat er één God is (Jak. 2:19). Zijn antwoord is dat dergelijk geloof onvoldoende is; zuiver geloof brengt goede werken voort, of anders is het dood geloof.

(b) Er staan dus kwesties van volgorde op het spel. Paulus betoogt dat werken iemand niet kunnen helpen om christen te worden; Jakobus betoogt dat goede werken moeten aan de dag gelegd worden door de christen. Maar Paulus zou het op dit punt niet oneens zijn; zie bijvoorbeeld 1 Korinthiërs 6:9-11.

(c) Paulus’ normale gebruik van ‘rechtvaardiging’ heeft te maken met die daad van God waardoor, op grond van Christus’ werk aan het kruis, Hij schuldige zondaars onschuldig en rechtvaardig verklaart. Dergelijke rechtvaardiging is volkomen genadig (Rom. 3:20; Gal. 2:16). Jakobus focust eerder op ‘rechtvaardiging’ ten opzichte van anderen (Jak. 2:18) en zelfs in het uiteindelijke oordeel. Een oprecht christelijk leven, zegt Jakobus, moet een getransformeerd leven zijn.

Weer is Paulus het niet oneens: ‘Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad’ (2 Kor. 5:10).

Het toekennen van beloningen mag dan uit genade zijn, want zelfs onze goede daden komen uiteindelijk voort uit Gods genade – maar de daden zijn daarom niet minder nodig.


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 9 mei 2015

Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren (Jes. 7)


Numeri 17-18; Psalm 55; Jesaja 7; Jakobus 1

De uitleggingen van Jesaja 7 zijn legio. Volgens mij zijn slechts twee ervan plausibel. De setting is duidelijk genoeg (7:1-12). Koning Achaz van Juda is doodsbang dat het noordelijke koninkrijk van Israël dat het een bondgenootschap aangaat met Aram (HSV: Syrië) en het zuidelijke koninkrijk zal vernietigen.

Daarom staat hij er weigerachtig tegenover zich aan te sluiten bij hun pact tegen de regionale supermacht Assyrië. In feite denkt hij enige veiligheid te kunnen verwerven tegen het noordelijke koninkrijk en Aram door een vazalstaat te worden van Assyrië.

De Heer draagt Jesaja op zijn zoon Schear-Jaschub (wat ofwel kan betekenen ‘een overblijfsel zal terugkeren’ of ‘een overblijfsel zal zich bekeren’) mee te nemen en koning Achaz te ontmoeten aan het eind van de waterleiding; blijkbaar inspecteert de koning de watervoorraad in het vooruitzicht van een lange belegering.

Jesaja stelt een radicaal alternatief plan van de Heer voor: vertrouw alleen op God, en God zal Jeruzalem en Juda beschermen. Maar onder een vroom voorwendsel weigert Achaz dit te doen (7:12), en daarom moet er oordeel volgen: Juda zal binnenkort aangevallen worden en onder de voet gelopen worden, precies door het Assyrië dat Achaz het hof maakt om bescherming te bekomen (7:17-20).

De onduidelijkheid neemt toe bij de Immanuël-profetie. Bij de ene visie is het einde van Jesaja 6, dat vooruitgrijpt naar het ontstaan van een rechtvaardig overblijfsel, verbonden met de naam van Jesaja’s zoon: minstens een overblijfsel zal zich bekeren en Achaz wordt uitgenodigd zich bij dit overblijfsel aan te sluiten.

Sion, voorgesteld als een jonge vrouw, schenkt het leven aan het trouwe overblijfsel dat zal tevoorschijn komen uit haar lijden. Deze ‘zoon’ krijgt de naam ‘Immanuël’, precies omdat God met ons is, het trouwe overblijfsel. Let op de verandering van ‘uw God’ (7:11) naar ‘mijn God’ (7:13).

Voor deze zoon de leeftijd van moreel onderscheid bereikt (niet meer dan enkele jaren), zal het land verwoest zijn door Assyrië (7:17) – want de Heer zelf zal de tegenstanders tot zich fluiten.

Zelfs nog daarvoor (7:16a) zal het land van Israël en dat van Aram tot een puinhoop worden. Uit het rechtvaardig overblijfsel spruit de Messias voort – wat de reden is dat Mattheüs 1:23 het vers Jesaja 7:14 kan toepassen op Jezus.

In de alternatieve visie heeft Achaz, ondanks zijn vrome taal (7:12), de eis van de Heer volkomen verworpen dat hij de Heer zou vertrouwen en elke gedachte aan een alliantie met Syrië zou laten varen.

Zo is het ‘teken’ dat beloofd wordt in 7:13-14 geen teken dat uitnodigt tot berouw, maar een teken dat goddelijke veroordeling bevestigt (zoals bijvoorbeeld in Ex. 3:12; 1 Sam. 2:34; Jes. 37:30).

Te oordelen aan de hoge verwachtingen van vers 11, moet het teken spectaculair zijn, niet zomaar een tijdsperiode vooraleer een jonge vrouw zwanger wordt. Ondanks argumenten voor het tegendeel, moet het woord dat wordt weergegeven als ‘maagd’ wel degelijk op die manier verstaan worden.

In dit licht is de ‘Immanuël’-profetie werkelijk Messiaans. De titel ‘God met ons’ grijpt vooruit naar ‘sterke God’ dat wordt gebruikt voor de Davidische Messias in Jesaja 9:2-7. Zijn komst bevestigt achteraf alle oordeel dat werd uitgesproken.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 8 mei 2015

Wee mij, ik ga ten onder (Jes. 6)


Numeri 16; Psalmen 52-54; Jesaja 6; Hebreeën 13

Vermoedelijk vond Jesaja’s visioen van God en zijn roeping (Jes. 6) plaats aan het begin van zijn bediening, maar het wordt pas hier weergegeven omwille van thematische redenen. Na de reeks waarin telkens ‘wee’ uitgesproken wordt over het volk, spreekt Jesaja ook een wee uit over zichzelf (6:5), wat toont dat zijn standpunt als profeet er nooit een was van eigengerechtigheid.

Bovendien is de volgorde van zijn eigen roeping – God zien (6:1-4), diep bewustzijn en belijdenis van zonde (6:5), reiniging (6:6-7) en opdracht (6:8-13) – precies de volgorde van wat Israël moet doormaken willen zij terugkeren tot hun eigen rol als dienstknecht van de levende God. Het is de volgorde die ook wij moeten volgen.

Bovendien worden ook diverse elementen uit de roeping van Jesaja terug opgepikt in de daaropvolgende hoofdstukken (zoals we zullen zien), wat de positie van zijn verslag van het gezicht dat hij van God kreeg zeer strategisch maakt.

Een paar opmerkingen:

(1) Het was wanneer Koning Uzzia stierf dat Jesaja de Heer zag zitten op een troon – alsof de aardse koning moest sterven vooraleer Jesaja de grootsheid van de goddelijke Koning kon beginnen vatten.

(2) De serafs, een hogere orde van engelenwezens, verhogen de troon door hun adoratie en lof. God is de ‘driemaal heilige’ God. In zijn kerngebruik, is ‘heilig’ bijna een adjectief van God, en het omvat zowel zijn transcendentie als zijn gerechtigheid (5:16).

(3) Wanneer de eindige, de onreine en de sterfelijke in contact komen met de oneindige, de reine en de onsterfelijke, moet er, hoort er een diep bewustzijn te zijn van ontoereikendheid. God beginnen zien is ook beginnen zien hoe vreselijk en hopeloos onze toestand is. De heiligheid van God brengt onze opstandige en zondige natuur aan het licht op een manier dat onderlinge vergelijkingen onder de leden van het opstandige volk altijd onmogelijk zijn. Hier veroordeelt Jesaja zichzelf, want in de tegenwoordigheid van God lijken verschillende gradaties van zonde nutteloos.

(4) Alleen de reiniging waarin het door God zelf voorgeschreven altaar voorziet, kan volstaan om Jesaja’s zonde weg te nemen.

(5) Voor het eerst in dit gezicht spreekt God, en Hij zoekt vrijwilligers (op zichzelf al een welwillende daad van genade). Wanneer Jesaja antwoordt, is dit minder de kreet van de held dan de smeekbede van de begenadigde. Het is alsof hij smeekt, ‘Hier! Alstublieft! Zou ik in aanmerking komen? Is er een manier waarop ik kan helpen? Wilt u mij alstublieft gebruiken?’

(6) De inhoud van de opdracht die Jesaja krijgt is blijven prediken tot het onherroepelijke oordeel valt. Er is geen vooruitzicht van herleving. Het is te laat. De prediking zal slechts dienen om het volk te verharden. De enige hint naar hoop – een hint die krachtig verder ontwikkeld wordt in het boek (11:1) – is dat er uit de tronk van de vernietigde natie nieuw leven zal voortspruiten, en doorheen dit overblijfsel het beloofde zaad (6:13b).


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 7 mei 2015

Wee hun die het kwade goed noemen en het goede kwaad (Jes. 5)


Numeri 15; Psalm 51; Jesaja 5; Hebreeën 12


Het is nooit gemakkelijk om een boodschap van aankomend oordeel (Jes. 5) over te brengen aan mensen die ervan overtuigd zijn dat ze niet al te slecht zijn, zeker niet wanneer de regerende elite goede tijden geniet.

Zo neemt Jesaja de toevlucht tot een lied dat de aandacht trekt. Hij pikt de oude equivalent van een gitaar op en begint een eenvoudige ballade te zingen over zijn ware liefde. Zijn publiek is geboeid – en dan kunnen ze niet onder de slagen van de hamer uit.

In zijn ballade begint Jesaja met verwijzen naar God als ‘mijn geliefde … mijn beminde’ (5:1). Omdat God nog niet geïdentificeerd werd, trekt de taal ongetwijfeld meteen de aandacht van het publiek. Maar het weerspiegelt ook wat Jesaja voelt: hij is geen koele waarnemer maar een profeet die diepe liefde voelt met het wezen en de wegen van de levende God.

Hem niet volkomen liefhebben is reeds deel van het probleem, of het nu onder het oude of het nieuwe verbond is (zie Opb. 2:1-7). Israël wordt vaak neergezet als de wijngaard van de Heer, dus lang zal het niet duren vooraleer Jesaja’s toehoorders het punt beginnen te vatten.

Jesaja beperkt zich echter niet tot subtiele allusies; hij brengt zowel Gods dreigende toespraak, als zijn eigen verklaring voor zijn ballade-parabel. De mensen hebben onbruikbare wilde druiven voortgebracht, slechte vruchten. De aard van die vrucht wordt beschreven in het weerkerende ‘wee’ (5:8-25).

In een notendop, de sociale gerechtigheid die vereist wordt door het verbond is maar in algemene termen nageleefd. Tegen de specifieke nadruk van het verbond dat het land de Here toebehoort en eerlijk moet verdeeld worden, is het stelen van land de norm geworden, ten koste van de gewone mensen die uitgeperst worden (5:8-11).

De rijkdom van de elite in Uzzia’s dagen gaf voedsel aan buitensporige hoogmoed en dronkenschap (5:11-12) en striemende minachting tegenover God (5:18-19). Uiteindelijk is het land vol moreel relativisme en verwarring, dat ongetwijfeld klinkt als gesofisticeerd denken, maar eigenlijk niets meer is dan een verbintenis: ‘het kwade goed noemen en het goede kwaad’ (5:20). Ten grondslag ligt arrogantie (5:21) en corruptie in de regeringskringen en in de gerechtshoven (5:22-23). Het oordeel van de Heer is onafwendbaar (5:24-25).

Niets van dit alles betekent dat God schaakmat staat. In het slotgedeelte van het hoofdstuk (5:26-30) zegt God wat Hij zal doen. De straf, de verwoesting van Gods ‘wijngaard’, zal er komen door een vreemde invasie – de metaforische taal van deze verzen is ronduit schrikbarend.

Maar de vreemde agressors zijn niet slechts opportunisten met veel geluk en een krachtig leger. God zelf fluit het tot zich, zoals iemand een hond roept. Ondanks de funeste schuld van het volk, twijfelt Jesaja er nooit aan dat God soeverein is over de geschiedenis en de volkeren zowel kan gebruiken in oordeel als in genade. Dit thema komt sterker naar voren naarmate dit boek vordert.


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 6 mei 2015

De Here neemt steun en stut weg (Jes. 3-4)

Numeri 14; Psalm 50; Jesaja 3-4; Hebreeën 11
Het grootste deel van Jesaja 3-4 is gewijd aan specifiek oordeel, in een soort van ABB’A’-constructie, die gevolgd wordt door glorierijke hoop voor de toekomst (4:2-6).

In het hart van de veroordeling is de Heer als Rechter, die ‘de oudsten en vorsten (lett. ‘prinsen’) van zijn volk’ aanklaagt (3:13-15). Koninklijke familie en lokale leiders (‘oudsten’) zijn op gelijke wijze vervallen tot corruptie en verdrukking.

Maar de twee daaropvolgende verzen veroordelen even goed de ‘dochters van Sion’ (3:16-17). De mannen worden in de eerste plaats veroordeeld voor verdrukking, de vrouwen voor hun ijdelheid en praalzucht.

Deze verzen worden omsloten door twee langere gedeeltes die duidelijk maken waarvoor de mannen veroordeeld worden (3:1-12) en hoe het oordeel over de vrouwen zal zijn (3:18—4:1).

God zal omsingeling en honger over het volk brengen (3:1), die zullen resulteren in de eliminatie van leiders van de gemeenschap, ofwel door deportatie of door dood (3:2-3). De volledige gemeenschap zal ineenstorten, met als belangrijk kenmerk een wanhopig verlangen om bijna gelijk wie als leider aan te duiden (3:5).

Dit gezicht werd letterlijk vervuld anderhalve eeuw later (2 Kon. 25:1-12), maar er waren voorafschaduwingen tijdens Jesaja’s leven van hoe dit oordeel zou zijn: wat Assyrië begon (Jes. 39:5-7), werd voltooid door Babylonië. Want de cultuur was grotendeels corrupt (3:8-11), wat zijn oorzaak vond in het leiderschap, dat al even zwak was als onderdrukkend (3:12).

De belegering zal ook niet vriendelijk zijn voor de pronkzuchtige vrouwen (3:18—4:1). Al hun opsmuk zal weggerukt worden (3:18-23). In plaats van de aangename geuren waaraan ze zoveel geld gespendeerd hebben, zal er stank zijn. Er zal ziekte zijn (3:17a), seksueel misbruik (3:17b – de NBG heeft het over ‘de schaamte ontbloten’, RSV gebruikt ‘the Lord will lay bare their secret parts’, m.a.w. zal hun geheime delen ontbloten), d.w.z. hen onderwerpen aan de seksuele aanslagen die zo gebruikelijk zijn in oorlogstijd), en verlies (3:25).

Sommigen zullen zich finaal zelfs voor gelijk welke beschikbare man werpen in de hoop op een toevlucht en een thuis (4:1) – maar de slachtpartij onder de mannen zal zodanig vreselijk zijn dat er niet genoeg mannen zullen zijn voor iedereen.

In de profetie van het Oude Testament is er vaak een ‘verkorting’ van gezichten van de toekomst die heen en weer springen tussen de nabije toekomst en iets dat veel verder weg ligt. Indien de dag des Heren een schrikwekkend oordeel brengt (3:6—4:1), dan brengt het ook heerlijkheid (4:2-6).

Later zal ‘spruit’ (4:2) duidelijk een manier zijn om te verwijzen naar de Messias (11:1; 53:2; vgl. Jer. 23:5; 33:15; Zach. 3:8; 6:12), maar hier lijkt het te verwijzen naar het volk en de plannen van God in heerlijke vruchtbaarheid.

In taal die beelden oproept van de Exodus, belooft God het vuil van zijn volk af te wassen en zijn heerlijkheid te vertonen als een beschermend schild over hen (4:4-6).


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 5 mei 2015

Vertrouw niet op de mens, ‘want wat is hij te achten?’ (Jes. 2)


Numeri 12-13; Psalm 49; Jesaja 2; Hebreeën 10

Het eerste gedeelte van Jesaja 2 (vers 1-5) kijkt zowel achteruit als vooruit. De eerste zin herinnert de lezer aan 1:1. Wanneer de twee inleidingen, 1:1 en 2:1, samengenomen worden, wordt ons een veelomvattende glimp gegund om het boek te verstaan.

Een groot deel ervan focust op de dagen van Uzzia en de andere koningen die worden vermeld in 1:1, maar het gezicht is zodanig veelomvattend, dat het ook ‘het laatste der dagen’ omvat (2:2). Het behandelt Juda en Jeruzalem, maar ziet ook vooruit naar het Sion dat moet komen.

Deze openingsverzen leggen ook de link met de zegeningen die beloofd worden in de laatste verzen van hoofdstuk 1. Nu echter is het gezicht duidelijk eschatologisch. Eén heilige berg, de berg des Heren, zal regeren boven alles. Aan de ene kant is dit gezicht exclusief; aan de andere kant is het omvattend, want ‘alle volkeren zullen derwaarts heenstromen’, en ‘vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt laten wij opgaan naar den berg des Heren’ (2:2-3).

In bewoordingen die spreekwoordelijk zijn geworden in onze taal, stelt Jesaja universele vrede voor (2:4). Hoewel hij ronduit het onrecht van zijn dagen verwerpt, verliest hij nooit het feit uit het oog dat onze ultieme hoop niet ligt in politieke hervorming, maar in het finale ingrijpen van God.

Deze openingsverzen wijzen ook vooruit in de tekst. Voor ‘het laatste der dagen’ van 2:2-5, heeft de Heere al een andere ‘dag’ in petto (2:6-22, in het bijzonder 2:12). De profeet weet dat het oordeel aanstaande is, want hetgeen aan de gang is in de natie betekent dat God al in bepaalde mate zijn volk verlaten heeft (2:6).

Zij hebben religieus bijgeloof uit het Oosten overgenomen, en nu praktiseren ze toverij zoals de Filistijnen (die in het Westen leefden). Met andere woorden, ze liepen afgoderij achterna waar ze die maar konden vinden.

Materiële zegeningen hebben hen onuitstaanbaar hoogmoedig gemaakt (2:7-9). Maar wanneer het oordeel neerdaalt, zullen ‘de verwaten ogen der mensen worden vernederd en de trots der mannen (…) neergebogen en de Here alleen is te dien dage verheven’ (2:11).

Sommigen zullen zich verbergen in spelonken en in holen, op de vlucht voor de invasietroepen die God over zijn volk heeft gebracht (2:10, 19-21; vergelijk Opb. 6:12-17). Wanneer God in ‘de luister van zijn majesteit’ ‘opstaat ‘om de aarde te verschrikken (2:21) blijft er geen schuilplaats over.

Hoeveel meer staan grote delen van de belijdende kerk in het Westen onder gelijkaardig oordeel? ‘Hun ‘land is vol zilver en goud en aan zijn schatten is geen einde’ (2:7). Maar wij zijn geen volk dat gekenmerkt wordt door grote nederigheid en streven naar de heerlijkheid van de Heer. De oplossing is dezelfde als in de tijd van Jesaja: ‘Laat toch af van de mens, (of van vertrouwen op de mens, JL) wiens adem in zijn neus is, want wat is hij te achten?’ (2:22).


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 4 mei 2015

Zelfs wanneer gij het gebed vermenigvuldigt, hoor ik niet (Jes. 1)


Numeri 11; Psalm 48; Jesaja 1; Hebreeën 9

De openingsverzen van Jesaja 1 introduceren voor ons de enorme reikwijdte van het boek. Het kondigt een gezicht aan dat Jesaja zag, een visioen dat doorheen de regering liep van de vier koningen van Juda van koning Uzzia af.

Het eerste gedeelte (1:2-9) toont hoe diep het land is gevallen. God zelf heeft de natie Israël doen ontstaan (1:2) – ja, Hij ‘heeft hen grootgebracht’ en opgevoed als kinderen; en zoals opstandige kinderen hebben ze zich van Hem afgekeerd.

Een rund of een ezel weet meer van zijn ware thuis dan Israël weet van het zijne. De hemelen en aarde worden uitgenodigd om mee te luisteren naar de vermaning (1:2), zowel als een aanduiding van de intensiteit van de rebellie, als om aan te duiden dat er een mate is waarin het welzijn van het volledige universum afhangt van het feit of Gods volk zijn woord gehoorzaamt, dan wel ongehoorzaam is.

De beschrijving van de puinhoop in het land (1:5-9) is geen metafoor: waarschijnlijk is hetgeen beschreven wordt de bloederige slachtpartij die gepaard ging met de invasie van Juda door Sanheribs Assyrische legers (701 v.C.) – een voorproef van het oordeel dat nog moet komen.

Van hier tot aan het eind van het hoofdstuk loopt de gedachte in drie bewegingen:

(1) Israël wordt gehekeld voor zijn corrupte en hypocriete eredienst (1:10-17). In druipend sarcasme richt God zich tot zijn verbondsvolk als Sodom en Gomorra. Zij houden de gestipuleerde offerdiensten en feestdagen in stand, maar God benadrukt dat Hij hun ‘huichelachtige offers’ (1:13) niet langer kan verdragen; Hij haat ze (1:14). God zal zelfs niet luisteren naar zijn volk wanneer zij bidden (1:15), want onderdrukking van de zwakken en corruptie in de regering hebben dusdanige proporties aangenomen dat Hij moet handelen in lijn met het verbond van de Sinaï (Deut. 21:18-21). Hij kan deze overtredingen niet langer negeren.

(2) Niettemin wordt Israël nog altijd uitgenodigd tot vergeving en reiniging: ‘Komt toch en laat ons tezamen richten’, zegt de Here. ‘Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol’ (1:18-20). Het is niet onderhouden van godsdienstige gebruiken dat aan de basis ligt van een dergelijke vergeving, maar berouw: ‘Als gij gewillig zijt en luistert, zult gij het goede des lands eten’ (1:19). Het alternatief is oordeel (1:20).

Later in het boek zal de basis voor dergelijke vergeving uiteengezet worden; het vernietigende oordeel van onderdrukking en ballingschap was niet nodig, maar zo vaak verkiezen we zonde boven redding, hebzucht boven genade.

(3) Toch zal Sion (dat het volk van God vertegenwoordigt) op een dag ‘door recht verlost worden, en wie daaruit zich bekeren, door gerechtigheid’ (1:27). Er is geen uiteindelijke redding die recht en gerechtigheid veronachtzaamt; alleen oordeel wacht de onbekeerlijken (1:28, 31).


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 3 mei 2015

Sterk als de dood is de liefde (Hooglied 8)


Numeri 10; Psalmen 46-47; Hooglied 8; Hebreeën 8

Hooglied 7:9b-8:4 schetst ons een hernieuwde echtverbinding. Het Hooglied toont diverse cycli van vervreemding, aantrekking, verbinding. Maar in de slotverzen (Hooglied 8:5-14) zijn de cycli niet langer in beeld. Alle personages in het boek – de vrouw (de liefelijke), haar zielsbeminde, de dochters van Jeruzalem, koning Salomo, de moeder, de broers – verschijnen opnieuw wanneer de vreugde en toewijding van de geliefden herbevestigd worden.

De ‘vrienden’, blijkbaar de dochters van Jeruzalem, stellen de vraag, ‘Wie trekt daar op uit de woestijn, leunend op haar geliefde?’ (8:5a). Dit ‘leunen’ is niet omdat ze zwak is of ziek, maar het is een aanduiding van intimiteit.

Waarschijnlijk wordt teruggeblikt naar het thema van het plattelandsmeisje dat de gelukkige bruid is geworden. Het Hebreeuwse voorzetsel toont dat in de tweede helft van vers 5 de bruid zelf, de liefelijke, aan het woord is, waarbij ze haar zielsbeminde aanspreekt.

Ik ken geen volledige bevredigende verklaring van 8:5b. Misschien kijkt de vrouw terug naar haar eerste ontmoeting met degene die haar zielsbeminde zou worden, en misschien was het op dezelfde plaats waar zijn moeder hem ontving en baarde. Indien dit het geval is, duidt ze een bepaalde familiale link aan, een intergenerationele verbinding.

Koppels mogen dan denken dat zij de eersten zijn om liefde voor elkaar op te vatten, maar deze vrouw is schrander genoeg om de samenhang te begrijpen tussen menselijke liefde en leven. Voor haar geldt: ‘sterk als de dood is de liefde’ (8:6). Wanneer de dood roept, kan niemand die een halt toeroepen; wanneer de liefde roept is hetzelfde waar.

In dit licht is ‘naijver’ (8:6) niet het monster met de groene ogen, maar gaat het om gepassioneerde, terechte eigendomsclaims (zoals in Ex. 20:5). Ware liefde kan noch uitgedoofd, noch gekocht worden (8:7).

Commentatoren zijn het oneens over wie aan het woord is in 8:8-9, maar het klinkt alsof het de broers zijn (vgl. 1:6). De ‘jonge zuster’ over wie ze het hebben is ofwel de geliefde zelf, die ze nog niet klaar achten om te huwen, en die zij op een directe manier van antwoord dient (8:10); of, meer waarschijnlijk, gaat het om de jongere zuster van de geliefde en haar broers, die seksueel nog niet rijp is.

Het punt van hun commentaar is dan tweevoudig: een hint geven met betrekking tot een aankomende generatie die ook weer verliefd zal worden, en de cyclus weer helemaal opnieuw zal laten starten; en te dienen als een bescherming voor de maturiteit en de vreugde van de liefelijke in haar echtverbinding met haar zielsbeminde.

Indien de metafoor van de ‘wijngaard’ blijft staan (8:11-12; vgl. 2:15), dan benadrukt de zielsbeminde dat Salomo misschien wel een grote harem kan hebben, maar de enige die de ‘wijngaard’ van de geliefde kan weggeven, is de geliefde zelf. Hij kan haar liefde niet dwingen, noch voor zichzelf (de duizend zilverlingen), noch voor anderen (de tweehonderd zilverlingen – het percentage van de winst van een wijngaard die gedeeld wordt door de arbeiders); zij schenkt het. De slotverzen zijn een herneming van liefde die voltrokken wordt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 2 mei 2015

Van Hem wordt getuigd: Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchisedek (Hebr. 7)

Numeri 9; Psalm 45; Hooglied 7; Hebreeën 7

In Volume 1 (overdenking voor 13 januari) dachten we na over de plaats van Melchisedek in Genesis en, door vooruit te grijpen, zijn plaats in de rest van de canon.

Hier en Hebreeën 7 kunnen we opnieuw nadenken over Melchisedek, dit keer kijken we hierbij achteruit. Ik zal focussen op enkele scharnierpunten in de gedachtegang in Hebreeën 7:11-28.

(1) In de voorafgaande verzen stelt de auteur dat Melchisedek groter was dan Abraham, en daarom groter dan Abrahams nakomeling Levi (aangezien de vader in de Hebreeuwse cultuur altijd superieur was aan de zoon). Zo was de priester Melchisedek historisch groter dan de priester Levi; in principe is het priesterschap van Melchisedek, als een instituut, superieur aan het Levitische priesterschap.

(2) Wanneer iemand de Oudtestamentische documenten achtereen doorleest, is het opvallend dat verschillende eeuwen na de Mozaïsche wet die Levieten als priesters aanstelde, God in Psalm 110 (Heb 5:6; 7:17, 21) aankondigt dat Hij een messiaanse figuur doet opstaan die priester is voor eeuwig naar de wijze van Melchisedek, niet van Levi (zie Vol. 1, de overdenking voor 17 juni).

(3) In principe kondigt een dergelijke belofte de afschaffing van het Levitische priesterschap aan. Het kan niet blijven. In Psalm 110 kondigt God door David aan dat het Levitische priesterschap vervangen zal worden door het priesterschap van Melchisedek.

(4) Dit betekent op zijn beurt dat er een verandering moet zijn in het wetsverbond dat gegeven werd aan de Sinaï. We zijn soms geneigd te denken dat de Wet in de eerste plaats om ‘moraliteit’ draaide, met een klein beetje religieuze ceremonie en wat andere dingen er bovenop. Indien dit juist zou zijn, dan zou het wetsverbond in grote lijnen onaangetast kunnen blijven wanneer het priesterschap verandert.

Maar dit is niet het argument van de Hebreeënbrief. Hier wordt ons verteld dat het Levitische priesterschap, verre van er maar bij te hangen, precies de basis van de wet was (7:11). Met andere woorden: in zekere zin vormen de ceremoniële functies van de wet de kern van zijn verbondsstructuur.

Dus moet er met de komst van een niet-Levitisch priesterschap ‘noodzakelijk ook een verandering van wet’ volgen (7:12; cf. 7:17-19), d.w.z. van het wetsverbond.

Dit suggereert op zijn beurt dat het niet de functie van de Mozaïsche wet was om een patroon van eredienst en een religieus raamwerk in te stellen dat geldt voor Gods volk voor altijd, maar dat de wet een onderdeel was van een patroon dat vooruitwees naar een nog grotere priester en naar het ultieme verbond.

Onvermijdelijk zijn er punten van continuïteit tussen het verbond van de Sinaï en het nieuwe verbond, maar de fundamentele verandering moet begrepen worden om te zien hoe de Bijbel samenhangt.

(5) Dit leidt naar het prachtige beeld in dit hoofdstuk van de volmaaktheid en finaliteit van Jezus als priester op de wijze van Melchisedek. Denk na over 7:23-25.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 1 mei 2015

Though You Slay Me (Shane & Shane)



Though You Slay Me

Lyrics Shane & Shane

I come, God, I come
Return to the Lord
The one who's broken
The one who's torn me apart
You strike down to bind me up
You say You do it all in love
That I might know You in Your suffering

Though You slay me
Yet I will praise You
Though You take from me
I will bless Your name
Though You ruin me
Still I will worship
Sing a song to the One who's all I need

My heart and flesh may fail
The earth below give way
But with my eyes, with my eyes I'll see the Lord
Lifted high on that day
Behold, the Lamb that was slain
And I'll know every tear was worth it all

Though You slay me
Yet I will praise You
Though You take from me
I will bless Your name
Though You ruin me
Still I will worship
Sing a song to the One who's all I need

Though tonight I'm crying out
Let this cup pass from me now
You're still all that I need
You're enough for me
You're enough for me

Though You slay me
Yet I will praise You
Though You take from me
I will bless Your name
Though You ruin me
Still I will worship
Sing a song to the One who's all I need
Sing a song to the One who's all I need




Kan een gelovige nog verloren gaan? (Hebr. 6)


Numeri 8; Psalm 44; Hooglied 6; Hebreeën 6

De passage over ‘afvalligheid’, Hebreeën 6:4-6 (vergelijk met 10:26-31) vormde in de loop van de geschiedenis het middelpunt van een aanzienlijk aantal theologische en pastorale disputen.

De kern van de vraag is of oprechte gelovigen hun redding kunnen verliezen. Sommige christenen antwoorden bevestigend, hoewel het moeilijk te verenigen valt met bevestigingen zoals bijvoorbeeld de ‘gouden ketting’ uit Romeinen 8:29-30 of de niet nader bepaalde beweringen van Johannes 6:39-40, 44. Sommige christenen hebben daarom gesuggereerd dat hetgeen Hebreeën hier ziet, niet gaat over het afvallen van eeuwig leven, maar afvallen van nuttige dienst.

Op het eerste gezicht is de taal van Hebreeën 6 en 10 strenger dan dit. Anderen stellen dat de waarschuwing louter hypothetisch of zelfs gunstig is – een instrument van genade dat garandeert dat gelovigen niet afvallig zullen worden.

Maar als we dit weten, is het moeilijk om de waarschuwing ernstig te nemen, want we krijgen op voorhand de verzekering dat de verzameling afvalligen een lege verzameling is – en dit maakt de waarschuwing lichtelijk bespottelijk en niet de bijzonder ernstige zaak waarvoor de auteur van de Hebreeënbrief ze aanziet.

Nog anderen argumenteren dat het Nieuwe Testament dan wel elders de volharding en de bewaring van de heiligen mag onderwijzen, maar dat hier verondersteld wordt dat sommigen zullen afvallen – en we moeten gewoon leven met die spanning, om maar niet te zeggen die tegenspraak.

Mijn eigen visie is dat de kwestie om twee punten draait, met een belangrijke pastorale implicatie. Ten eerste is het niet alsof Hebreeën één ding leert en Paulus en Johannes iets anders. Paulus smeekt christenen dat ze zichzelf zouden onderzoeken om te zien of ze in het geloof zijn (2 Kor. 13:5), maar dan stelt hij de gouden ketting op.

Johannes waarschuwt dat ranken van Christus (de ware wijnstok) afgesneden kunnen worden, maar benadrukt dat Christus al degenen zal bewaren die de Vader Hem gegeven heeft.

Daarom winnen we er niets mee als we Hebreeën 6 bijvoorbeeld tegenover Johannes stellen. Het gedeelte strookt telkens heel goed met één element in Johannes en Paulus.

Ten tweede moeten we ons afvragen of de individuele beschrijvingen (‘verlicht’, ‘de hemelse gave genoten hebben’, enz.) in Hebreeën 6 en 10 ons verplichten te denken aan ware christenen. Het antwoord op deze vraag is verbonden met onze theologie over bekering en over wat bedoeld wordt met ‘ware christen’.

Het Nieuwe Testament geeft veel voorbeelden van mensen die genoeg van Gods genade geproefd hebben om hun leven te veranderen en zich bij de zichtbare kerk te voegen, hoewel ze niet van de soort genade blijk geven die hen in staat stelt te volharden. Zelfs Hebreeën 3:6, 14 veronderstelt zoveel.

Onder een dergelijke ‘strakke’ definitie van een ware christen, valt niemand af. De vraag wordt dan: ‘Zul je volharden? Is je ervaring van genade zo licht dat je kunt wegwandelen van het kruis?’

Wat zijn de pastorale implicaties? De overdenkingen suggereren dat de Bijbel mooie bemoedigingen biedt aan de zwakken en wankelmoedigen, maar de openlijk opstandigen bedreigt met een ernstige toets van de oprechtheid van de belijdenis van hun geloof.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 30 april 2015

Ik deed mijn geliefde open, maar mijn geliefde was weg (Hooglied 5)


Numeri 7; Psalmen 42-43; Hooglied 5; Hebreeën 5

Hooglied 5:2-16 is het begin van een nieuw gedeelte, met de relatie die verkoelt en minstens potentieel in gevaar is. Mogelijk is de meest verspreide uitleg dat dit gedeelte deel uitmaakt van een droomsequentie. Let op de openingswoorden: ‘Ik sliep, maar mijn hart was wakker’ – bijna een definitie van een droom.

Droom of niet, de intensiteit van de relatie neemt af. In 5:2 wil de zielsbeminde naar zijn geliefde gaan, maar haar aanvankelijke respons is koel: ‘Ik heb mijn kleed reeds afgelegd, hoe zou ik het weer aandoen? Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zou ik ze weer verontreinigen?’ (5:3) – niet meteen de woorden van gepassioneerde verwachting en verwelkoming.

Deze en de volgende zinnen kunnen op twee manieren gelezen worden. In het eerste geval is de geliefde naar bed gegaan en kan ze zelfs niet gestoord worden om op te staan en de deur te openen; ze zou haar voeten kunnen vuilmaken.

De zielsbeminde steekt zijn hand door een gat in de deur en probeert de klink op te heffen. De geliefde bedenkt zich. Eerder op de valreep sleept ze zichzelf uit bed, nu met minstens enige verwachting, alleen maar om de deur te openen en te ontdekken dat haar zielsbeminde verdwenen is (5:5-6).

Teleurgesteld en beschaamd schuimt ze de stad af om hem te zoeken, en deze keer slaan de politiemannen met nachtdienst, de ‘wachters’, haar (5:7) – waarom is onduidelijk, hoewel sommigen hebben gesuggereerd dat ze zoveel commotie maakt dat dit de enige manier was waarop ze haar stil kregen.

Bij deze lezing zijn de ‘dochters van Jeruzalem’ (5:8-9) geen vriendinnen, maar stadsmeisjes die finaal overtuigd kunnen worden om te helpen zoeken, wat uiteindelijk zijn vruchten afwerpt.

Bij de tweede manier van lezen, is er een opeenvolging van dubbele bodems. ‘Voeten’ (5:3) dient soms als een eufemisme voor genitaliën (bijv. het Hebreeuws van Richt. 3:24; 1 Sam. 24:3; Jes. 7:20; Ezech. 16:25 in de Engelstalige KJV-vertaling; de NIV-vertaling verliest het woord ‘voet’ in elk van de gevallen); en de parallel tussen ‘je voeten wassen’ en ‘slapen bij mijn vrouw’ in 2 Sam. 11:8, 11).

Engelse Bijbels gebruiken vaak het openen van de ‘deurklink’ of dergelijke uit 5:4, maar dit is zeker niet noodzakelijk door de relatief zeldzame originele uitdrukking – en de rest van het vers en de daaropvolgende twee, suggereren een andere opening, en opwinding van de kant van de vrouw. Maar tegen dan is de zielsbeminde, om welke reden dan ook – ongeduld? Ontgoocheling? – al weg.

Wat moeten we daarvan maken? Ten eerste gaan alle huwelijken, zelfs de allerbeste huwelijken, soms door perioden van koelheid of gereserveerdheid, die, als dit niet opgemerkt wordt, ze kan kapotmaken.

Ten tweede, droomsequentie of niet, de weg vooruit is die van wederzijdse aantrekking van de kant van zielsbeminde en geliefde, een hernieuwde toewijding aan de taal en overgave van de liefde.

Ten derde is Paulus nauwelijks minder expliciet, maar meer prozaïsch, wanneer hij benadrukt dat gehuwde christenen, los van expliciete uitzonderingen, hun partner op seksueel vlak niet mogen beroven (1 Kor. 7:5; zie de overdenking voor 20 februari).


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 april uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 29 april 2015

Laten we dus alles op alles zetten om te kunnen binnengaan in die rust (Hebr. 4)


Numeri 6; Psalmen 40-41; Hooglied 4; Hebreeën 4

Hebreeën 3:7—4:11 bestaat uit een uitgebreide argumentatie. We kunnen kort samenvatten wat 3:7-19 zegt en dan de aandacht vestigen op Hebreeën 4:1-11.

De auteur van Hebreeën citeert Psalm 95:7-11 (Heb. 3:7-11), waarin je de Heilige Geest (3:7), de uiteindelijke auteur van de Schrift, eigenlijk hoort zeggen: ‘Als je vandaag zijn stem hoort, verhard dan jullie harten niet zoals jullie voorvaderen deden in Kadesh Barnea, toen ze voor het eerst het Beloofde Land naderden.

De meerderheid van de verspieders gaf een verslag in ongeloof, met als gevolg dat het verbondsvolk de volgende 40 jaren in de woestijn moest ronddolen in plaats van de rust in te gaan die hen beloofd was. Maar bega vandaag niet dezelfde vergissing. Als je de stem van God hoort, geloof en gehoorzaam – in tegenstelling tot het antwoord van jullie voorvaderen.’

Precies het volk dat God uit de slavernij had verlost waren de mensen die Hij veroordeelde tot ronddolen en omkomen in de woestijn. Zo moet het volk van God vandaag volharden in zijn geloof en gehoorzaamheid, en niet vallen in het ongeloof (4:19) van zijn voorouders.

Tot zo ver is het argument er een van analogie. Hebreeën 4 neemt ons veel verder mee. Indien God nog altijd rust belooft aan mensen in de tijd van Psalm 95, dan volgt daaruit dat de rust die het Beloofde Land bood nooit bedoeld was om de ultieme rust te zijn.

Want Jozua leidde het volk het land binnen, maar ‘indien Jozua hen in de rust gebracht had, zou Hij niet (meer) over een andere, latere dag gesproken hebben’ (4:8). Bovendien, wanneer God in zijn toorn zweert dat de generatie bij Kadesh Barnea nooit in ‘mijn rust’ (Ps. 95:11; Heb. 3:11; 4:3) zal ingaan, dan moet de aandachtige lezer zich afvragen wat deze ‘rust’ van God echt is.

God ‘rust’ voor het eerst aan het einde van de scheppingsweek (Gen. 2:2). Dit wordt een model voor de verbonds-sabbatsrust. Maar noch de sabbatsrust, noch de rust in het Beloofde Land vormen de ultieme rust, want hier in Psalm 95, ‘na zo lange tijd’ (4:7), nodigt God het volk nog altijd uit om zijn rust in te gaan, met de voorwaarde dat ze volharden in geloof (4:2, 11).

De ultieme rust, zo benadrukt de schrijver van Hebreeën, kan enkel het evangelie zijn, waarin mannen en vrouwen afzien van hun werken (zoals God rustte van zijn Schepping).

Alles van deze argumentatie hangt af van het feit of je de Bijbel in zijn heilshistorische voortgang leest, dit wil zeggen, of je hem leest als opeenvolgend langs zijn verhaallijn en opmerkt hoe de delen niet alleen samenhangen maar ook vooruitwijzen en vooruitgrijpen naar grotere dingen die nog moeten komen.

De argumentatie is er geen van analogie maar van typologie. Dit is wat ons oproept tot volharden in geloof en gehoorzaamheid; dit maakt deel uit van hetgeen het woord van God levend en krachtig maakt en scherp doet doordringen (4:12-13).


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 april uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 28 april 2015

Op mijn legerstede des nachts zocht ik mijn zielsbeminde (Hooglied 3)


Numeri 5; Psalm 39; Hooglied 3; Hebreeën 3

Aan het einde van Hooglied 2 vind je de geliefden die hartstochtelijk hun wederzijdse verrukking voor elkaar uitdrukken en de exclusiviteit van hun liefde die ze elk voor de ander koesteren. Maar Hooglied 3 begint met de vrouw, de liefelijke, die vertwijfeld op zoek is naar haar geliefde.

Veel commentatoren hebben gesuggereerd dat hoofdstuk 3, en misschien het volledige gedeelte van hoofdstuk 3-6, een dromenreeks is. Dit kan correct zijn: ‘Op mijn legerstede des nachts zocht ik mijn zielsbeminde’ (3:1, cursief toegevoegd), zegt de geliefde.

In het eerste tafereel (3:1-5) zoekt de geliefde naar haar zielsbeminde, en ze veronderstelt gewoon dat, omdat zij de man kent naar wie ze zoekt, alle anderen dat ook zouden moeten doen – inclusief de politiebeambten met wachtdienst (‘de wachters’). Ze vindt hem en brengt hem naar de kamer van haar moeder (3:4), een aanduiding voor de officiële voltrekking.

De samenhang van het volgende tafereel (3:6-11) wordt betwist. De beste poging is dat de ‘wat’ uit 3:6 (vrouwelijk Hebreeuws voornaamwoord) verwijst naar de vrouw. Zij wordt gebracht vanuit haar huis op het platteland naar het paleis – en in Salomo’s draagstoel, een prachtig ontworpen luxueus vervoersmiddel.

Salomo zelf is aanwezig, en de ‘dochters van Sion’ kijken toe en uiten hun ‘ooohh’s en aaaahh’s’ wanneer het koppel optrekt naar hun nieuwe woning. Dit leidt dan naar de uitbundige taal van de zielsbeminde in hoofdstuk 4.

Of dit nu om een droomsequentie gaat of niet (ik ben geneigd te denken van wel), een ding is overduidelijk en dat is dat de taal van liefde de taal is van wederzijdse lof en wederzijdse uitnodiging. Alles wat minder is zal de liefde verstikken.

Indien de taal van lof en uitnodiging alleen maar eenrichtingsverkeer is, bijvoorbeeld, zal het na een tijd slijten of maken dat de spreker zich slaafs voelt of misschien wanhopig. Indien de taal van liefde de taal zou zijn van lof maar niet van uitnodiging, is het mogelijk dat er nooit intimiteit uit groeit – een goede relatie maar geen goede seks; indien het de taal is van uitnodiging maar niet van lof, kan het degenereren in wederzijdse bevrediging, maar zonder wederzijdse opbouw – goede seks maar geen goede relatie.

Velen van ons die gehuwd zijn en nadenken over de taal van het Hooglied zijn lichtelijk verveeld met zijn seksuele vrijpostigheid. Maar dit kan wel eens meer zeggen over wie wij zijn dan over wie God wil dat wij zijn.

Zoals alles dat God goed gemaakt heeft, kunnen huwelijk en seksualiteit en intimiteit getrivialiseerd en gesensationaliseerd en gebrutaliseerd worden. Maar God schiep ze als goed.

Het is een vereiste voor gelovigen, voor zover hun vernieuwde natuur hen aan deze kant van de nieuwe hemel en nieuwe aarde mogelijk maakt, om Gods goedheid aan de dag te leggen op elk terrein waarin Hij ons roept. Wij die gehuwd zijn, moeten ons er bewust op toeleggen om de taal van wederzijdse lof en uitnodiging te ontwikkelen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 april uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 27 april 2015

Hij die heiligt en zij die geheiligd worden hebben een en dezelfde oorsprong (Hebr. 2)


Numeri 4; Psalm 38; Hooglied 2; Hebreeën 2

Occasioneel hebben we het theologisch belang van Jezus’ menselijkheid laten liggen. Dit is een van de belangrijke thema’s van Hebreeën 2.

Zowel degene die mensen heiligt – Jezus zelf – als de mensen die geheiligd worden, zijn van dezelfde familie. Dit is waarom Jezus zich niet schaamt ons broeders te noemen (2:11). Aangezien wij vlees en bloed hebben, deelde hij in onze menselijkheid (2:14) – wat natuurlijk impliceert dat dit iets was wat niet intrinsiek bij Hem hoorde, maar iets wat Hij diende aan te nemen (het eeuwige Woord ‘werd vlees’, Johannes 1:14).

Hij deed dit zodat Hij door zijn dood (iets wat Hij nooit had kunnen ondergaan als hij geen vlees en bloed had aangenomen) ‘hem, die de macht over de dood had, de duivel, zou onttronen, en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren’ (2:14, 15).

Jezus nam niet de natuur van engelen aan (2:16 – wat aantoont dat Jezus niet een louter engelachtig wezen was). Hij werd wel een mens, een mens met een echte afstamming – het nageslacht van Abraham (2:16). Indien Hij moest dienen als een middelaar tussen God en mensen, ‘moest Hij in alle opzichten aan zijn broeders gelijk worden’ (2:17 – wat veronderstelt dat Hij reeds in alle opzichten aan God gelijk was).

Dus ‘paste’ het Hem volkomen, dat God de Leidsman van onze behoudenis ‘door lijden heen zou volmaken’ (2:10). De idee is niet dat Jezus door het lijden een morele volmaaktheid bekomt die Hij anders had moeten ontberen, maar dat de volmaaktheid van zijn identificatie met ons afhing van zijn deelnemen in wat voor ons gemeengoed is, namelijk lijden.

De auteur van de Hebreeënbrief heeft al een hint gegeven rond het probleem dat Jezus kwam oplossen. Oorspronkelijk waren mensen gemaakt om Gods vice-bestuurders te zijn over de gehele schepping, een punt dat niet alleen gemaakt wordt door de scheppingsverslagen (Gen. 1-2) maar herhaald wordt in de superbe poëzie van Psalm 8 (geciteerd in Hebr. 2:6-8).

Maar zoals de auteur van de Hebreeënbrief aanduidt, zien we nog niet alles onder zijn voeten, zoals waar Genesis 1 en Psalm 8 naar uitzien.

Natuurlijk niet: de zondeval is er tussengekomen en de dood heeft zijn onveranderlijke tol geëist. Maar wat zien we? ‘Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor een ieder de dood zou smaken’ (2:9).

Het punt is niet precies dat Jezus de ‘mens’ is die gezien wordt in Psalm 8, alsof Hij profetisch beschreven wordt, maar dat Hij, door zijn missie, door zijn identificatie met ons en door zijn dood, Hij de eerste mens wordt die met dergelijke heerlijkheid en eer gekroond wordt, aangezien Hij vele zonen – een nieuwe mensheid – tot heerlijkheid voert.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 april uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 26 april 2015

Zie, gij zijt schoon, mijn liefste (Hooglied 1)


Numeri 3; Psalm 37; Hooglied 1; Hebreeën 1

Hoewel (of misschien omdat) het Hooglied een van de moeilijkste bijbelboeken is, bleek het ongelooflijk populair, zowel onder Joden als onder christenen. Het gaf aanleiding tot een groot aantal commentaren en preken.

De ruimte hier is veel te beperkt voor een discussie, maar misschien dat ik mijn voorzichtige conclusies over vier zaken kan weergeven vooraleer na te denken over Hooglied.

(1) Hoewel sommigen ontkend hebben dat dit boek over seksuele liefde gaat in een primaire zin, en het zien als een allegorie voor ofwel de liefde tussen Jahweh en Israël of tussen Christus en de kerk, betwijfel ik dit.

Zoveel details van het Hooglied zijn zo uitgesproken menselijk en seksueel (des te meer wanneer de oude Semitische symboliek wordt recht gedaan), dat het onwaarschijnlijk is te argumenteren dat de betekenis van de tekst allegorisch is.

Bovendien zijn er veel parallellen in andere liefdespoëzie in de Wijsheidsliteratuur van het oude Nabije Oosten, zodat je moet besluiten dat het genre welbekend was.

(2) Aan de andere kant, nadat we de menselijke en seksuele liefde ten volle erkend hebben die in dit boek gevierd wordt – want God heeft ons menselijk en seksueel gemaakt, en Wijsheidsliteratuur focust vaak op de glorie van de geschapen orde – zullen we er toch niet ver naast zitten als we ook, binnen het kader van de canon, een typologisch verband zien met God en Israël, met Christus en de kerk. Want dit is een thema dat regelmatig terugkomt in beide Testamenten. (Zie bijvoorbeeld Hosea of Opb. 21).

(3) Sommigen hebben drie hoofdfiguren gezien in dit boek: de vrouw, haar herder-geliefde, en de ontuchtige koning die haar probeert toe te voegen aan zijn harem. Na afweging lijkt het beter alleen de eerste twee partijen te onderscheiden, de vrouw en de koning-herder-geliefde. De ‘dochters van Jeruzalem’ die blijven opduiken (bijv. in 1:5) zijn de vrouwelijke gezellen van het vrouwelijke hoofdpersonage.

(4) Hoewel het redelijk duidelijk is dat de huwelijksvoltrekking plaatsvindt in 3:6-5:1, compleet met huwelijkslied, betekent dit niet dat er geen seksuele ondertonen zijn eerder in het boek. Maar verre van het aanbevelen van promiscuïteit (zoals een aantal commentatoren hebben gesuggereerd), is het boek gewijd aan exclusieve, monogame liefde. Wat minder duidelijk is, is dat de gedachte sequentieel is, overwegend lineair.

De ‘liefelijke’, de vrouw, neemt vaak het initiatief (1:2 e.v.). Maar ze is onzeker over zichzelf. Haar lange blootstelling aan de zon, haar blijkbaar opgelegd door haar broers (is haar vader dood?) die willen dat zij de wijngaard onderhoudt, heeft ervoor gezorgd dat ze een zongebruind plattelandsmeisje is (1:5-7). Haar vriendinnen herbevestigen haar (1:8) – zoals ook haar geliefde (1:9-11).

Na haar sensuele monoloog (1:12-14), voert een serie van verleidende gesprekken tussen beide geliefden het gedeelte naar zijn einde (1:15-2:2). Je herinnert je Spreuken 30:19.


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 april uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 25 april 2015

Vrees God en onderhoud zijn geboden, want dit geldt voor alle mensen (Pred. 12)


Numeri 2; Psalm 36; Prediker 12; Filemon

Hoewel de Leraar nooit bij de volheid van perspectief aanbelandt die de schrijvers van de Schrift uit het nieuwe verbond karakteriseert, vermindert zijn scepticisme nu hij een aantal fundamentele standpunten aanmoedigt die absoluut afhankelijk zijn van een rechtvaardige God die het einde al kent van in het begin, zelfs al kennen wij dit einde zelf niet.

Op die manier heeft hij zijn lezers al twee dingen verteld:

(a) weiger slechts voor vandaag te leven; investeer moedig in de toekomst, terwijl je bedenkt dat deze wereld God toebehoort (11:1-6);

(b) leef dankbaar en blij met de goede gaven die je gekregen hebt (11:7-10).

In Prediker 12 komt Qohelet met een laatste vermaning: wees godvrezend, te beginnen in je jeugd; want of we nu al dan niet betekenis vinden louter ‘van beneden’ gezien, dan mogen we er toch zeker van zijn dat God alles in het oordeel brengt.

‘Gedenk dan uw Schepper in uw jongelingsjaren’ (12:1), zo schrijft de Leraar. God ‘gedenken’ betekent niet gewoon maar het pure feit van zijn bestaan in herinnering brengen, maar alle illusies van onafhankelijkheid en zelfstandigheid loslaten terwijl God zijn rechtmatige centrale plaats in onze levens terugkrijgt.

God heeft alles geschapen, Hij alleen ziet het volledige patroon, Hij is degene die de eeuwigheid in ons hart gelegd heeft (3:11). Hij is degene die alles goed gemaakt heeft, en wij zijn degenen die zoveel schade aangericht hebben met onze intriges (7:29).

Dus gedenk Hem, vermaant Qohelet ons, ‘voordat de kwade dagen komen’ (12:1) – en dan legt hij in beeldende taal uit hoe de ouderdom eruitziet. Aan een gevorderde leeftijd kan het dat we niet langer behagen vinden in onze jaren (12:1). We bereiken de winter van het leven (12:2); we worden als een oud huis, dat vergaat en vervalt, met alleen maar een paar relieken over (12:3). Ons gehoor vermindert (12:4b); in plaats van een vaste tred of het springen over de rotsen, zijn we bang van hoogten en vrezen we weggeduwd te worden op straat.

De amandelboom heeft een donkere kruin in de winter en wordt wit bij de lentebloesems, net zoals ons haar wit wordt (12:5). Lijdend aan artrose en versleten gewrichten, hobbelen we rond als een lompe sprinkhaan (12:5).

Het zilveren koord is wellicht de ruggengraat, de gouden lamp de schedel; de kruik is het hart: alles gaat achteruit, en we keren terug tot het stof waaruit we voortkomen – zoals God zelf, aan deze zijde van de vloek, gezegd had dat met ons zou gebeuren (Gen. 3:19).

Het is verre van duidelijk of Qohelet met de uitdrukkingen ‘ons eeuwig huis’ (12:5) en ‘de geest’ die ‘wederkeert tot God’ hetzelfde bedoelt als de Nieuwtestamentische schrijvers ermee bedoelden, maar zelfs hij is nu behoorlijk zeker dat ‘God elke daad zal doen komen in het gericht over al het verborgene, hetzij goed, hetzij kwaad’ (12:14). Dus ‘Vrees God en onderhoud zijn geboden, want dit geldt voor alle mensen’ (12:13).


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 april uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 24 april 2015

Verwerp een ketters mens na een eerste en tweede terechtwijzing (Titus 3)


Numeri 1; Psalm 35; Prediker 11; Titus 3

‘Een mens, die scheuring maakt, moet gij, na hem een en andermaal terechtgewezen te hebben, afwijzen’ (Titus 3:10). Het is de moeite waard een beetje na te denken over wat dit betekent en niet betekent, en hoe dit past in de bredere stromen van de bijbelse theologie.

Ten eerste is deze passage geschreven aan een gemeenteleider die verantwoordelijk is voor het handhaven van de gemeentetucht. Het is geen vrijbrief voor een persoonlijke vendetta: christen X die beslist dat christen Y eerder verdeeldheid zaait en daarom beslist om niets meer te maken te hebben met Y. (Dit zou op zichzelf zelfs een voorbeeld zijn van een geest die voor scheuring zorgt!). Dit is geschreven aan een christen die de verantwoordelijkheid draagt een gemeente te leiden en te disciplineren.

Ten tweede focust de passage op de tucht op lokaal niveau; het gaat niet om het invoeren van een oneindig brede instemming van alle oecumenische richtingen – een soort veroordeling van ieder die niet instemt met het recentste interkerkelijke project of de meest recente interkerkelijke belijdenis. Natuurlijk kunnen er gevolgen zijn voor het bredere werk van het evangelie, maar we moeten bovenal verstaan welke kracht de tekst heeft in zijn eigen context.

Ten derde bestaat in dit verband het onmiddellijke bewijs van een twist zaaiende geest uit een onbekeerlijke twistziekte over bijzaken: christenen moeten ‘dwaze vragen, geslachtsregisters, twist, en strijd over de wet (…) ontwijken, want dat is nutteloos en doelloos’ (3:9).

Ongetwijfeld is er tussen Paulus en Titus een bepaalde gemeenschappelijke visie op dergelijke zaken die wat moeilijk te begrijpen is. Paulus zegt bijvoorbeeld zeker niet dat elke vraag met betrekking tot de Wet tijdverlies is; hijzelf voert elders discussies over het onderwerp.

Maar controverses die zijn uitgedokterd om christenen te verdelen en zonder dat ze enige evangeliekracht of morele verbetering brengen, zijn ‘nutteloos en doelloos’. Je zou beginnen vermoeden dat de mensen die dergelijke geschillen opwekken zoveel van hun eigen ego’s hebben geïnvesteerd in hun aparte posities dat ze noch gecorrigeerd kunnen worden, noch bakzeil willen halen.

Ten vierde, als hen ‘afwijzen’ (HSV heeft het over ‘verwerpen’ en NBV over ‘uit de gemeente verwijderen’, JL) excommunicatie met zich brengt uit de plaatselijke gemeente (wat ik persoonlijk denk dat het doet), dan zouden we moeten nadenken over de categorieën van zonde die deze sanctie vereisen in het Nieuwe Testament.

Een ervan is ernstige leerstellige dwaling, in het bijzonder onder leraars; een tweede is belangrijke morele afwijking, zoals het geval beschreven in 1 Korinthiërs 5; en de derde vinden we hier – een liefdeloos, onveranderd standpunt dat weigert de centraliteit en de heerlijkheid van het evangelie te zien, maar zich opwerpt als twistziek, ondanks herhaaldelijke waarschuwingen, zodat de enige oplossing eruit bestaat de kanker uit het lichaam weg te snijden.

Deze drie categorieën zijn het tegengestelde van de levenspatronen die beschreven worden als de primaire tests voor zuiver christenzijn in 1 Johannes: leerstellige zuiverheid, morele conformiteit, en liefde voor de broeders en de zusters.

Eigen vertaling van de overdenking bij 24 april uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 23 april 2015

Maar jij moet verkondigen wat overeenkomt met de heilzame leer (Titus 2)

Leviticus 27; Psalm 34; Prediker 10; Titus 2

In 2 Timoteüs 4 vermaant Paulus zijn lezer om de gezonde leer te prediken (zie de overdenking van 21 april); hier in Titus 2 vermaant hij hen om te onderwijzen ‘hetgeen met de gezonde leer strookt’ (2:1).

De daaropvolgende verzen tonen ons wat dit betekent. Met de uitdrukking ‘stroken met’ de gezonde leer, bedoelt Paulus hoe je leeft in lijn met de gezonde leer. Vanuit het perspectief van de apostel, moeten christen leiders niet alleen leren wat ze moeten bedenken, maar ook hoe ze kunnen leven in het licht van wat ze moeten bedenken.

Zo moet aan oudere mannen geleerd worden dat ze moeten ‘nuchter zijn, waardig, bezadigd, gezond in het geloof, de liefde en de volharding’ (2:2). Dit betekent meer dan dat je hen gewoonweg deze woorden af en toe vertelt. Elk van deze punten moet toegepast worden en geïllustreerd en duidelijk gemaakt.

Evenzo zijn er in deze passage praktische dingen die moeten geleerd worden aan oudere vrouwen (2:3), jongere vrouwen (2:4-5), jongemannen (2:6-8), en slaven (2:9-10).

Toch zijn deze dingen geen afzonderlijke opleidingsmodules voor verschillende groepen mensen en het gaat ook niet om iets dat moet toegevoegd worden aan het evangelie. Verre van: wat aan de diverse groepen wordt opgelegd is slechts de uitwerking van het evangelie.

De volgende paragraaf maakt dit duidelijk (Ik heb een aantal woorden cursief gezet die traditioneel vaker geassocieerd worden met redding): ‘Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen, om ons op te voeden, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven, verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus, die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid, en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken’ (2:11-14).

De logica is duidelijk genoeg. Indien Jezus zichzelf gaf om ons te redden van zonde en opdat we godvruchtig zouden leven in deze huidige boze tijd, moeten we onszelf toewijden aan het achterhalen hoe godvrezende levens er uit zien, en aan het leven van dergelijke levens.

Dergelijke levens omvatten veel gemeenschappelijke elementen voor alle groepen christenen, maar de praktische kant van het leven brengt ook met zich dat sommige verzoekingen bepaalde groepen overvallen – oudere mannen, jongemannen, enzovoort.

Een paar maanden voor zijn dood schreef mijn oude vader in zijn dagboek, ‘O God, red me van de zonden van oude mannen’ – zoals ik op dit moment nodig heb dat ik gered word van de zonden van mannen op middelbare leeftijd.

Dus moeten we onderwijzen en leven wat strookt met de gezonde leer. ‘Spreek hiervan, vermaan en weerleg met alle nadruk: niemand mag u verachten’ (2:15).


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 april uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 22 april 2015

De mens weet niets van wat voor hem ligt (Pred. 9)


Leviticus 26; Psalm 33; Prediker 9; Titus 1

De laatste drie hoofdstukken van Prediker brengen een diepzinnige kanttekening (hoofdstuk 10) en een positieve conclusie samen (hoofdstuk 11-12). Eerst echter ontdoet Prediker 9 ons van ook maar enige uiteindelijke illusie zo ons waarnemingspunt beperkt blijft tot ‘onder de zon’ (9:3).

De Leraar is tot de conclusie gekomen dat ‘dat de rechtvaardigen en de wijzen met hun werken in Gods hand zijn, zowel liefde als haat; de mens weet niets van wat voor hem ligt’ (9:1). Maar welke God is Hij, wanneer je naar de dingen kijkt van ‘beneden’, van ‘onder de zon’?

Nemen we alle moreel ambigue dingen in ogenschouw die in deze wereld gebeuren, heeft God ons dan lief of haat Hij ons (9:1)? Aanvaardt Hij ons, of verwerpt Hij ons? De wereld is zowel vol van schoonheid als van lelijkheid, vol met warme intimiteit en wrede terreur. Hoe kun je dit verklaren als je alleen denken van beneden uit?

De Leraar legt drie kwellingen uit die zekerheid uitsluiten voor dergelijke mensen – maar hij drijft de kwestie zo ver als hij maar kan: (1) De dood wacht ons allen (9:2-10). De kwestie wordt het rauwst neergezet in 9:2-3: de rechtvaardige en de onrechtvaardige, goede mensen en zondaars, staat allen hetzelfde einde te wachten.

Qohelet zelf protesteert dat dit niet eerlijk is; dit is een kwaad dat onder de zon geschiedt (9:3). Hij is nog niet klaar om enig antwoord te bieden. Maar zelfs vanuit dit perspectief is er een sterke conclusie vanuit het gezond verstand waarnaar we moeten streven: hoewel het leven hier zowel hard als ambigu kan zijn, zijn de meesten het er mee eens dat het beter is dan de dood (9:4-6).

Vanuit dit standpunt ‘onder de zon’ zeggen de verzen 7-10 ons hoe we het leven zouden moeten instappen, wetend dat leven beter is dan dood. Je hoort de spanning in een vers als 9:9: ‘Geniet het leven met de vrouw die gij liefhebt, al de dagen des ijdelen levens, die Hij u geeft onder de zon, al uw ijdele dagen, want dat is uw deel onder de levenden en bij het zwoegen, waarmee gij u aftobt onder de zon’.

De problemen van samenhang, zelfvervulling en betekenis zijn niet opgelost; maar pragmatische conclusies, zelfs door de wereldse persoon die uitsluitend ‘onder de zon’ leeft, stapelen zich al snel op en drijven ons naar een krachtig en zelfs dankbaar leven – als ons enige alternatief een zinloze dood is.

(2) We krijgen allemaal te maken met tijd en toeval (9:11-12). Los van een God die ons meer vertelt is er een zodanige willekeur in het leven dat weldenkende mensen niet op al te veel moeten rekenen.

(3) We krijgen allemaal te maken met de veranderlijke dwaasheid van andere mensen (9:13-18). Zelfs wanneer zuivere wijsheid aangeboden wordt, is de massa sneller geneigd onder de indruk te komen van rijkdom dan van wijsheid.

Qohelet is rechtuit en eerlijk. Maar we schreeuwen om Gods perspectief.


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 april uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.