Op zaterdag 23 september was Charles Leiter (VS) in België op uitnodiging van Heartcry België. Hij behandelde toen in 3 studies het thema 'De Wet van Christus'.
Hieronder de eerste van deze toespraken.
Op de Heartcry-website vind je ook de 2e en 3e toespraak van Charles Leiter over 'De Wet van Christus'.
De toespraak die Leiter gaf op vrijdag, kreeg de titel 'God verhoort gebed'. Dit is zeker ook een aanrader:
Posts tonen met het label gebed. Alle posts tonen
Posts tonen met het label gebed. Alle posts tonen
woensdag 18 oktober 2017
woensdag 3 februari 2016
Smeken in geloof

Doorheen de geschiedenis hebben veel gelovigen antwoorden van God gezocht door vragen te stellen, ook in de Schrift zelf. Deze vragen stellen is een werk van geloof, want we weten dat God de antwoorden heeft.
Wanneer David lijdt door toedoen van goddeloze mensen, roept hij het uit:
Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten,
bent U ver van mijn verlossing, van de woorden van mijn jammerklacht?
Mijn God, ik roep overdag, maar U antwoordt niet,
en 's nachts, maar ik vind geen stilte.
(Ps. 22:2-3)
In Ps. 73 roept Asaf het uit:
Ja, voor niets heb ik mijn hart gezuiverd
en mijn handen in onschuld gewassen.
Want de hele dag word ik gekweld
en mijn bestraffing is er elke morgen.
Waarom lijden we? Wat doet God toch? Waar is de gerechtigheid? Waarom voel ik me zo eenzaam? God, ben je me vergeten?
Deze vragen komen niet van nergens, maar ze komen voort uit het kennen van de beloften van God, zonder de ervaring van deze beloften te vinden in de schaduwen van de dood.
Het is goed om vragen te stellen om de waarheid te herontdekken waarop we het zicht verliezen. In elke beproeving hebben we de keuze:
- onze tanden knarsen en de lasten en vragen alleen in onze harten dragen;
- ze allemaal bij de God brengen die ons antwoordt.
Wanneer we vragen stellen in onze pijn, zoeken we naar de God die er is. Het is het verlangen om God te zien handelen op manieren die Hij heeft beloofd te zullen gebruiken.
Komen we nederig met onze vragen, dan ontkennen we zijn karakter niet, maar zoeken we de God die zich heeft geopenbaard als rechtvaardig, genadig, goed en liefdevol.
Wanneer we bidden, in het bijzonder in lijden, dan uiten we een smeekbede tot God om ons te antwoorden, terwijl we wachten in geloof dat Hij dit zal doen in volmaakte voorzienigheid. Laten we niet twijfelen.
Vertrouw op de HEERE met heel je hart,
en steun op je eigen inzicht niet.
Ken Hem in al je wegen,
dan zal Híj je paden rechtmaken.
(Spr. 3:5-6)
Vrije bewerking naar Joe Thorn in Tabletalk januari 2016
woensdag 27 januari 2016
De helft van de leerlingen in het katholiek onderwijs gelooft in Christus
'Helft leerlingen in katholiek onderwijs gelooft in Christus', zo bericht Knack vandaag. Het zegt er niet bij of het glas nu halfvol of halfleeg is.
Knack vervolgt: ''De jeugd interesseert zich niet meer in het katholieke geloof', zo wordt weleens gezegd. Een onderzoek van de KU Leuven toont het tegenovergestelde aan.'
Verder bijvoorbeeld ook nog:
'Uit een grootschalig onderzoek van de faculteit Theologie en Religiewetenschappen in Vlaamse katholieke scholen, dat woensdag te lezen staat in het christelijk opinieweekblad Tertio, blijkt dat de helft van de ondervraagde leerlingen aangeeft te geloven in Christus. 43,9 procent bidt zelfs af en toe. Eveneens de helft van de scholieren waardeert de katholieke identiteit van hun school en amper 8,3 procent verzet er zich tegen.'
(...)
'Een nadere blik op de cijfers toont aan dat, hoewel het aantal gedoopten in het katholiek onderwijs jaar na jaar daalt, het geloof er volgens de onderzoekers nog sterk aanwezig, sterker zelfs dan in de maatschappij. Er zijn meer praktiserende kerkgangers te vinden onder deze leerlingen dan onder de Vlaamse bevolking. 12,4 procent woont bijvoorbeeld geregeld een kerkdienst bij.'
(...)
'Opmerkelijk is dat 53 procent aangeeft in zekere mate te geloven in Jezus Christus, waarbij 4,3 procent zich een diepgelovige christen noemt. Daartegenover staat 47 procent die niet in Christus gelooft.'
(...)
Het onderzoek werd uitgevoerd van september 2008 tot juni 2015 bij 15.287 leerlingen in 57 katholieke scholen in Vlaanderen.
zaterdag 6 december 2014
Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis (2 Kron. 6)

2 Kronieken 6:12-42; 1 Johannes 5; Habakuk 1; Lukas 20
Salomo’s inwijdingsgebed (2 Kron. 6:12-42) is een van de grote gebeurtenissen uit de Oudtestamentische geschiedenis en theologie. Veel van de kenmerken ervan verdienen dat we er langer over nadenken. Hier kunnen we slechts een paar hoofdlijnen oppikken.
(1) Zowel bij aanvang als aan het slot van het gebed vind je God als een God die zich aan het verbond houdt, de originele ‘promise keeper’, die zijn beloftes nakomt. Salomo’s interesse gaat in het bijzonder (en begrijpelijkerwijs) uit naar Gods belofte aan David, waar het gaat om het feit dat zijn lijn zou verdergaan, zijn koningshuis zou in stand worden gehouden (6:14-17). Vandaar de finale doxologie: ‘HERE God, wijs uw gezalfde niet af, gedenk de gunstbewijzen aan uw knecht David’ (6:42).
(2) Hoewel de tempel ongetwijfeld een geweldig bouwwerk was, en hoewel Salomo begrijpelijkerwijs een bepaalde gegronde trots kon voelen bij de voltooiing van de bouw, is zijn begrip van de grootheid van God voldoende sterk om hemzelf in memorabele bewoordingen te laten uitdrukken dat er geen tempel is die God ook maar zou kunnen ‘bevatten’, de God voor wie zelfs de hemel der hemelen te klein is (6:18). Geen spoor van een tribale God die zich zou laten beteugelen.
(3) De belangrijkste gebedslast in wat Salomo vraagt, kan tamelijk eenvoudig worden samengevat. Wanneer in de toekomst ofwel individuele Israëlieten zondigen of het volledige volk verzinkt in een of andere zonde, en zij zich dan bekeren en zich in gebed naar de tempel wenden, vraagt Salomo dat God zelf uit de hemel zou horen en hun zonde zou vergeven (6:21-39). Er zijn vier opmerkelijke elementen in deze smeekbeden.
Ten eerste is er een verbazend realistische inschatting van de neiging van het volk om te zondigen, om zelfs zo erg te zondigen dat ze op een dag uit het land kunnen verbannen worden. Een man van minder kaliber zou bij dergelijke gelegenheid in de verleiding komen om uit te pakken met heel wat sentimenteel, Pollyanna-achtig gebazel over eindeloze trouw en dergelijke. Maar niet Salomo. Hij was een wijs man en hij weet dat zondaars zondigen.
Ten tweede, hoezeer de tempel ook centraal mag staan in de gebedsfocus van het volk (zeker wanneer zij zondigen), dan zal God hun gebeden niet vanuit de tempel verhoren maar vanuit de hemel, zijn woonplaats. Nog maar eens kan God niet herleid worden tot de status van de stammengoden die door de omringende heidenen worden aanbeden. De verwoording van dit herhaalde verzoek voor vergeving maakt de rol van God cruciaal – de God die de hemelen vervult, niet de tempel.
Ten derde, in zoverre de tempel cruciaal is, wordt die gezien als het middelpunt van de godsdienst en de aanbidding die de vergeving van zonde aanpakt en op die manier zondaren met God verzoent. Het hart van de tempel wordt niet gevormd door de koren en erediensten, maar door de vergeving van zonde. In onze tijd van vage spiritualiteit is het van het grootste belang dat we dit punt in gedachten houden.
Ten vierde strekt Salomo’s visie zich ver genoeg uit om ook vreemdelingen te omvatten (6:32-33) – een missionaire boodschap.
Eigen vertaling van de overdenking bij 6 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
dinsdag 18 november 2014
De God van de vrede moge u toerusten tot elk goed werk (Hebr. 13)

1 Kronieken 11-12; Hebreeën 13; Amos 7; Lukas 2
De zegenbede van Hebreeën 13:20-21 nodigt ons uit om er langer over na te denken. Enkele opmerkingen:
(1) De teneur van het gebed is tweevoudig: ten eerste, dat God ‘u’ (de christen lezers) bevestige [HSV gebruikt het werkwoord ‘toerusten’] ‘in alle goed, om zijn wil te doen’; en ten tweede is het gebed dat ‘Hij aan ons doe, wat in zijn ogen welbehagelijk is’ (13:21, eigen cursief [merk op: HSV vermeldt in tegenstelling tot NBG en NBV niet de tegenstelling u/ons, maar gebruikt twee keer ‘u’].
Er ligt met andere woorden een geweldige nadruk op het doen van Gods wil, op het leven op een wijze die Hem welgevallig is. Hoewel het gebed voor christenen is, ligt de volledige focus op God en op wat Hem behaagt. Het belangrijkste gebed voor christenen is dat ze Gods wil doen, dat God in hen zal bewerken wat Hem behaagt.
(2) De verandering in persoon van ‘u’ naar ‘ons’ betekent niet dat de eerste voorbede alleen voor de lezers is en de tweede alleen voor de auteur. De ‘ons’ is bijna zeker inclusief, d.w.z. dat die zowel op de auteur als op zijn lezers slaat, en dus impliciet ook op christenen overal. De switch van ‘u’ naar ‘ons’ kan wel verklaard worden, althans gedeeltelijk, door de wens niet de indruk te wekken dat de auteur voor anderen bidt dat ze de wil van God zouden doen, zonder hetzelfde te bidden voor hemzelf.
(3) Er wordt naar God verwezen als ‘de God van de vrede’ (13:20). De verwijzing is niet in de eerste plaats naar psychologische vrede. De fundamentele vrede waarvan sprake (zoals de hoofdstukken 9—10 vooropstellen) is vrede met God – de verzoening van schuldige rebellen met hun Schepper en Verlosser. De auteur bidt tot de God die zondaars verzoent dat Hij hen zou toerusten zodat ze op één lijn zouden komen met Zijn wil.
(4) Van deze God staat geschreven dat Hij ‘onze Here Jezus (…) heeft teruggebracht uit de doden’ (13:20). Aan de ene kant is dit een nagenoeg aanhoudend Nieuwtestamentisch thema: God heeft Jezus uit de dood opgewekt. Maar deze passage vermeldt dat God dit deed ‘door het bloed van een eeuwig verbond’ (13:20). De verwijzing is naar Jezus’ bloed, naar Jezus’ dood, wat het nieuwe verbond inluidt (zoals de hoofdstukken 8-10 duidelijk maken) – en dit nieuwe verbond is niet een bepaald tijdelijk instrument, maar is ‘eeuwig’ in zijn bindende gezag.
Eerst lijkt het vreemd te denken dat God Jezus opwekt door Jezus’ bloed, door Jezus’ dood. Maar het punt is waarschijnlijk dat het eeuwige verbond, ingeluid door Jezus’ succesvolle dood, zijn volbrachte offer, zijn volmaakte verzoening, uitgedrukt in zijn overwinningskreet ‘Het is volbracht!’, het verbondsfundament vormt dat aanduidt dat het goed is voor God om Jezus op te wekken en Hem te rechtvaardigen.
(5) Jezus zelf is ‘de grote Herder van de schapen’. Veel beelden komen bij je op. God zelf beloofde dat Hij zijn volk zou ‘weiden’ als herder; Hij zou zelfs de Davidische koning zenden om deze rol te vervullen (Ez. 34). Bovenal geeft de Goede Herder zijn leven voor de schapen (Joh. 10, zie de overdenking van 20 maart). Het is dan nauwelijks verwonderlijk dat het gebed wordt gebracht ‘door Jezus Christus, aan wie de eer toekomt, tot in alle eeuwigheid’ (13:21).
Eigen vertaling van de overdenking bij 18 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
vrijdag 24 oktober 2014
God, onze redder, wil dat alle mensen worden gered (1 Tim. 2)

2 Koningen 5; 1 Timotheüs 2; Daniël 9; Psalmen 117-118
Het lijkt er vandaag op dat wanneer er in discussies wordt verwezen naar 1 Timotheüs, de focus dan vooral ligt op 2:11-15. Daarom zullen wij nadenken over 1 Timotheüs 2:1-7.
(1) Paulus spoort christenen duidelijk aan om te bidden voor al wie een gezagspositie bekleedt (2:1-2). De eerste bedoeling van dergelijk gebed is ‘opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid’ (2:2). Gods soevereiniteit overstijgt de kerk, tot alle zaken van de mens. Paulus weet goed dat een georganiseerde en veilige maatschappij bijdraagt tot een geregeld, gedisciplineerd leven, en daarom tot ‘godsvrucht en waardigheid’.
(2) Wanneer Paulus zegt ‘Dit is goed’, is het niet meteen duidelijk of dit verwijst naar het godsvruchtige leven dat hij onder gelovigen wil zien, of naar de gebeden die ze verondersteld worden tot de Almachtige God op te zenden voor hen die gezag bekleden.
Indien het eerste, dan moet het verband met wat volgt ongeveer als volgt zijn: als we godsvruchtige levens leiden, dan zullen precies die levens een getuigenis van het evangelie zijn voor de mensen rondom ons van wie God wil dat ze ‘behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen’ (2:4).
Indien ‘dit is goed’ echter verwijst naar ons bidden, dan is het verband met wat volgt een beetje anders: Paulus zegt dat we moeten bidden voor hen die gezag uitoefenen, niet alleen opdat de maatschappij stabiel zou zijn, maar opdat ze gered mogen worden – aangezien God wil dat alle mensen tot kennis van de waarheid komen.
(3) Hoe het ook zij, het uitgangspunt is dat God vitale belangstelling heeft voor de bekering van mensen van overal. Dit is helemaal niet in strijd met wat de Bijbel op andere plaatsen zegt over uitverkiezing. Ongetwijfeld betoont God een speciale liefde voor zijn uitverkorenen. Niettemin schetst de Bijbel constant het beeld van God die eigenlijk uitroept: ‘Bekeer je! Bekeer je! Want God schept geen behagen in de dood van de goddeloze’ [vgl. Jes. 33:11, JL]. Zijn standpunt tegenover deze gevallen beelddragers, hoezeer het ook wordt gekenmerkt door gerechtigheid en oordeel, omvat dit element van verlangen naar hun redding.
(4) In dit verband zegt 1 Timotheüs 2:5 eigenlijk dat de leer van het monotheïsme ook gevolgen heeft: als er maar één God is, dan moet Hij de God van allen zijn, of Hij nu als zodanig erkend wordt of niet. Als er slechts één middelaar tussen God en gevallen mensen is, dan is die ene Middelaar de enige hoop voor gelijk welk mens.
(5) Het is dan potentieel mogelijk dat Hij de losprijs voor elke man en vrouw wordt van overal (2:6). Er is geen andere Middelaar. Hij is niet de Middelaar van de Joden alleen. ‘Te juister tijd’ (2:6 [of in de NSV: ‘op de door God bestemde tijd’] is deze waarheid duidelijk gemaakt – en ze vormt de kern van het apostolische evangelie dat Paulus moest prediken, vooral ook onder de heidenen.
Eigen vertaling van de overdenking bij 24 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
vrijdag 17 oktober 2014
Moge de Heer uw liefde voor elkaar en ieder ander groter maken (1 Thess. 3)

1 Koningen 20; 1 Thessalonicenzen 3; Daniël 2; Psalm 106
De intensiteit van de relatie tussen Paulus en zijn bekeerlingen duikt elke keer weer op. Bij Paulus merk je nooit een spoor van louter professionalisme. Waar hij bij gelegenheid bereid is om zich te beroepen op zijn apostolisch gezag, is zijn standpunt tegenover gemeenten die hij opstartte er nooit een van afstandelijke superioriteit.
Wanneer Paulus zelf niet in de gelegenheid was om de gelovigen in Thessalonika te bezoeken om te zien hoe het met hen ging – en in dit geval was hij bijzonder bezorgd aangezien zijn volledige dienst in Thessalonika ongeveer maar een maand duurde, zodat het fundament van deze gelovigen niet zo sterk was als bij de meeste bekeerlingen – besloot Paulus om Timotheüs te sturen om het uit te zoeken (1 Thess. 3:1-2).
Nu Paulus zich weer bij Paulus heeft gevoegd in Athene, met prachtige verslagen over het geloof en de liefde van de Thessalonicenzen (3:6 – twee elementen uit de Paulinische triade; zie de overdenking van 11 oktober), om nog maar te zwijgen over hun trouw aan Paulus en aan het apostolische evangelie, kent Paulus’ vreugde geen grenzen: ‘zijn wij dan ook, broeders, bij al onze nood en druk, vertroost over u door uw geloof, want nu leven wij, als gij staat in de Here’ (3:7-8). Zelfs dat is niet genoeg. Paulus roept uit: ‘Want welke dank kunnen wij Gode over u vergelden voor al de blijdschap, waarmede wij ons om u verblijden voor onze God?’ (3:9).
Op zijn beurt is dit een aanzet voor Paulus’ onthulling van hoe hij bidt voor de Thessalonicenzen.
(1) Paulus bidt voortdurend (‘nacht en dag’, zegt hij), ‘vurig’, dat hij op de een of andere manier in staat zal zijn om terug te keren naar Thessalonika om te ‘voltooien wat nog aan uw geloof ontbreekt’ (3:10-11). Deze jonge gemeente heeft weinig basis gekregen. Paulus voelt een enorm gewicht van verantwoordelijkheid om erin te voorzien, om de hele raad van God te schetsen, het evangelie op een begrijpelijke manier over te brengen, deze broers en zusters te leren hoe de Bijbel is opgebouwd, en hen een duidelijk zicht te bieden op het voorwerp van hun geloof zodat hun (subjectieve) geloof stevig gefundeerd zal zijn.
(2) Ondertussen bidt hij dat de liefde van de Thessalonicenzen voor elkaar mag ‘toenemen en overvloedig worden’ (3:12). Paulus weet dat een christengemeenschap die op een goede manier liefde betoont niet alleen het evangelie weerspiegelt in het leven, maar ook voorziet in een gezonde omgeving waarin bijbels onderwijs wordt meegenomen. Een kibbelende gemeenschap drijft mensen weg. Bovendien werden in deze cultuur veel relaties gevormd op basis van verplichting. Een ‘weldoener’ voorzag in iets, en de ontvanger was de weldoener een bepaalde gehoorzaamheid of dienst verschuldigd.
Paulus wil daarentegen dat christenen dergelijke culturele begrenzingen overstijgen, en op een dusdanige manier leven dat elke christen voortdurend de ‘verplichting’ kwijtscheldt om elkaar lief te hebben, waardoor hij of zij de loutere schraapzucht van ‘voor wat hoort wat’ overtreft.
(3) Paulus bidt dat God zelf de gelovigen in Thessalonika zou versterken om zo te leven dat ze klaar zullen zijn voor de wederkomst van Jezus (3:13).
Eigen vertaling van de overdenking bij 17 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
zondag 1 juni 2014
Mijn ziel is verzadigd van rampen (Ps. 88)

Deuteronomium 5; Psalm 88; Jesaja 33; Openbaring 3
Wat het meest opvalt aan Psalm 88 is dat er geen hulp komt. Heman begint de psalm met roepen tot de Heer. Hij maakt zijn ontmoediging op verschillende manieren bekend, en hij eindigt in somberheid en wanhoop. De meeste psalmen die handelen over ontmoediging en wanhoop beginnen somber en eindigen in licht. Maar deze begint somber en eindigt in nog diepere somberheid.
Wanneer Heman aanvangt, dan ziet hij klaaglijk, dat hoewel hij roept tot de Heer, de ‘God van mijn heil’ (de enige opmerking van hoop in het hele gedicht), hij ‘des daags’ en ‘des nachts’ tot God roept (88:2). Het voelt voor hem werkelijk aan alsof hij niet wordt gehoord (88:3, 15).
Niet alleen zit hij in moeilijkheden, maar hij voelt ook dat de dood nabij is: ‘want mijn ziel is verzadigd van rampen, mijn leven is het dodenrijk nabij’ (88:4).
Heman stelt zelfs dat anderen hem behandelen alsof hij al ten dode is opgeschreven (88:5-6). De enige verklaring is dat Gods toorn op hem rust: ‘Uw grimmigheid rust zwaar op mij, door al uw baren drukt Gij mij neder’ (88:8; zie ook 88:17). Een van de grootste smarten is dat hij al zijn vrienden verloor (88:9).
Erger nog, Heman is ervan overtuigd dat zijn hele leven werd geleefd onder de schaduw van de dood: ‘Ik ben ellendig en wegstervend van mijn jeugd aan’, schrijft hij (88:16). Leed hij misschien aan een van de vele vreselijke, chronische voortschrijdende ziektes? ‘Ik draag uw verschrikkingen, ik ben radeloos; uw brandende toorn gaat over mij heen, uw verschrikkingen vernietigen mij; de ganse dag omringen zij mij als water, zij omsingelen mij tezamen’ (88:16-18).
Maar wat de psalm helemaal somber maakt is de slotzin. Niet alleen beschuldigt Heman God ervan dat Hij zijn metgezellen en geliefden wegnam, maar zijn slotanalyse stelt ‘mijn bekenden zijn een en al duisternis’ (88:19) [Eng.: ‘the darkness is my closest friend’; duisternis is mijn beste vriend]. Niet God is zijn beste vriend, maar de duisternis.
Een van de weinige aantrekkelijke kenmerken van deze psalm is de ongepolijste eerlijkheid. Het is natuurlijk nooit wijs om oneerlijk te zijn tegenover God; Hij weet toch precies wat we denken, en Hij zou eerder luisteren naar onze eerlijke uitroep van pijn, verontwaardiging en beschuldiging, dan naar valse kreten van lofprijs. Natuurlijk is het nog beter dat we zijn perspectief leren begrijpen, erover nadenken en erin meegaan. Maar in elk geval is het altijd de weg van de wijsheid om eerlijk te zijn tegenover God.
Dat brengt ons bij het belangrijkste element in deze psalm. De kreten en smarten die hier worden neergepend zijn niet het goedkope en gedachteloze razen van mensen die hun donkere momenten gebruiken om God van op afstand af te wijzen, de zelfvoldane kritiek van verwaand agnosticisme of arrogant atheïsme. Deze kreten spreken God actief aan, in het volle bewustzijn van de enige ware bron van hulp.
Eigen vertaling van de overdenking bij 1 juni uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
vrijdag 23 mei 2014
Vergeet God genadig te zijn? (Ps. 77)

Numeri 32; Psalm 77; Jesaja 24; 1 Johannes 2Asaf moet veel hebben nagedacht over de vraag wat gelovigen zouden moeten gedenken. Zoals we gisteren zagen beveelt Psalm 75 de kracht van goddelijke ‘recital’ aan – een opnieuw vertellen van wat God gedaan heeft om op die manier Gods ‘naam’ nabij te brengen. Het belang van herdenken en navertellen is de kern van Psalm 78. En hier in Psalm 77 benadrukt Asaf weer een ander element binnen dit thema.
Asaf zit zelf in grote nood (77:2). De oorzaken ervan kennen we niet, maar de meesten van ons zijn al door ‘donkere nachten van de ziel’ gegaan wanneer het lijkt alsof God dood is of het Hem niets kan schelen. Asaf was zodanig wanhopig dat hij niet kon slapen; hij beschuldigt God er zelfs van hem uit zijn slaap te houden (77:5).
Herinneringen aan andere tijden, toen omstandigheden zo goed waren dat hij met vreugde zong tijdens de nachtelijk uren (77:7), maken hem alleen nog maar neerslachtiger.
Bitterheid kleurt zijn lijst van retorische vragen: ‘Zal de Here dan voor altoos verstoten, en niet meer goedgunstig zijn? Neemt zijn goedertierenheid voor immer een einde, houdt de belofte op van geslacht tot geslacht? Vergeet God genadig te zijn, of sluit Hij zijn barmhartigheid in toorn toe?’ (77:8-10).
Asaf neemt dan het besluit te focussen op alle manieren waarop God zich in het verleden in kracht aan hem heeft geopenbaard. Hij schrijft: ‘Ik zal de daden des HEREN gedenken’ (77:12) [Het Engels verschilt in vergelijking met de Nederlandse vertalingen: ‘To this I will appeal: the years of the right hand of the Most High’] – met andere woorden: hij appelleert aan alle openbaringen van kracht, van de daden van Gods ‘rechterhand’ in de loop der jaren. ‘Ik zal de daden des HEREN gedenken, ja, ik wil gedenken uw wonderen van ouds, van al uw werken gewagen en uw daden overdenken’ (77:12-13).
Dus schakelt Asaf in de rest van de psalm over naar de tweede persoon, waarbij hij God rechtstreeks aanspreekt en enkele van de ontelbare daden van genade en kracht herdenkt die Gods handelen met het verbondsvolk van God hebben gekenmerkt.
Hij herdenkt de plagen, de Exodus, de doortocht door de Rode Zee, en de manier waarop God zijn volk leidde ‘door de hand van Mozes en Aäron’ (77:14-21).
Christenen hebben nog zoveel meer te herdenken. Zoals Asaf de Exodus ‘overdacht’ door de Schrift te lezen, zo hebben wij zelfs nog meer Schrift. We gedenken niet alleen alles wat Asaf in herinnering bracht, maar ook dingen die hij niet wist: de ballingschap, de terugkeer uit de ballingschap, de lange jaren van wachten op de komst van de Messias.
We gedenken de incarnatie, de jaren van Jezus’ leven en dienst, zijn woorden en machtige daden. Boven alles gedenken we zijn dood en opstanding en het krachtige werk van de Geest op Pinksteren en daarna.
En terwijl we gedenken, wordt ons geloof versterkt en ons zicht op God vernieuwd, en de wanhoop verdwijnt.
Eigen vertaling van de overdenking bij 23 mei uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
woensdag 7 mei 2014
'Schep in mij een rein hart' (Ps. 51)
Numeri 15; Psalm 51; Jesaja 5; Hebreeën 12Schuld. Wat een afschuwelijke last.
Soms torsen mensen een enorm gewicht van subjectieve schuld – d.i. van gevoelde schuld – wanneer ze in werkelijkheid niet schuldig zijn. Veel erger is de situatie waarin ze een enorm gewicht van objectieve schuld dragen – d.w.z. dat ze werkelijk schuldig zijn aan een erge zonde in de ogen van de levende God – en zodanig verhard zijn dat ze het niet weten.
De inleidende zin van Psalm 51 onthult ons dat wanneer David schrijft, hij zich bewust is van zowel objectieve als subjectieve schuld. Objectief gezien heeft hij overspel gepleegd met Batseba en heeft hij de moord beraamd op haar echtgenoot Uria. Subjectief gezien heeft Nathans gelijkenis (2 Sam. 12; zie de overdenking voor 16 september) zijn doel bereikt en in Davids geweten iets van bewustzijn gewekt van de grootte van zijn zonde, en hij schrijft met schaamte.
(1) David belijdt zijn zonde en bidt om genade (51:3-4). Er is geen spoor van de roep om gerechtigheid die enkele van de eerdere psalmen kenmerken. Wanneer we schuldig en ook weten dat we schuldig zijn, dan is er geen andere weg mogelijk en kan ook maar deze weg ons helpen.
(2) David erkent openlijk dat zijn overtreding in de eerste plaats tegenover God is (51:6), niet tegen Uria, Batseba, het kind dat werd verwekt, of zelfs het verbondsvolk dat iets van het oordeel draagt. God bepaalt de maatstaven. Wanneer we die overtreden, dan tarten we Hem. Verder weet David dat hij louter dankzij Gods verkiezende genade op de troon zit. Het verbond verbreken vanuit een positie van door God vergund vertrouwen is nog dubbel zo verschrikkelijk.
(3) David is eerlijk genoeg om te erkennen dat deze opeenvolging van zonden, hoewel bijzonder boosaardig, niet op zichzelf staat. Het brengt aan het licht wat er in het hart is, het is een uitdrukking van onze zondige natuur die we van onze ouders erven. Niets baat als we niet finaal innerlijk worden gereinigd, als ons geen zuiver hart en een vaste geest worden geschonken (51:7-8, 12).
(4) Voor David is dit niet maar gewoon een cerebraal of koud theologisch proces. Objectieve schuld en subjectieve erkenning ervan zijn zodanig met elkaar verweven dat David zich verdrukt voelt: zijn gebeente is verbrijzeld (51:10), hij kan niet ontkomen aan het schrikbeeld van zijn zonde (51:5), en de vreugde over zijn heil is verdwenen (51:14). De transparante eerlijkheid en passie van Davids gebed onthullen dat hij geen blasé zoekt of uiterlijke reiniging.
(5) David erkent de waarde die ligt in het getuigenis over de vergeving, en gebruikt dit als een argument voor God van waarom hij zou moeten worden vergeven (51:14-17).Impliciet is dit natuurlijk een appèl op Gods heerlijkheid.
(6) Hoe doordrongen hij ook is van het offersysteem van het Mozaïsch verbond, toch maakt David zich meer fundamentele prioriteiten eigen. De voorgeschreven offerandes betekenen niets wanneer ze niet gepaard gaan met de offerande van een gebroken geest, een verbroken en verbrijzeld hart (51:18-21).
Eigen vertaling van de overdenking bij 7 mei uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
Labels:
berouw,
Carson,
dagboek,
David,
For the love of God,
gebed,
Green,
muziek,
Psalmen,
vergeving,
video,
zonde
woensdag 16 april 2014
Vergeef mij, HEER, mijn grote schuld (Ps. 25)

Leviticus 20; Psalm 25; Prediker 3; 1 Timotheüs 5Een van de verrassende kenmerken van Psalm 25 is de verscheidenheid aan noden die David bij de Heer brengt om ze te lenigen.
David verkeert in gevaar om door vijanden te worden overmeesterd en daarbij te schande te worden gemaakt (Ps. 25:2). Hij wil Gods wegen en paden kennen en Gods waarheid leren (25:4-5).
Hij smeekt God dat Hij de zonden van Davids opstandige jeugd niet zou gedenken (25:7); bovendien erkent hij dat er tijden zijn waarin zijn ongerechtigheid groot is en hij vergeving nodig heeft (25:11). David belijdt dat hij eenzaam is en ellendig, heel angstig (25:16-17).
Hij spreekt opnieuw over zijn ellende en moeite, alludeert nogmaals aan zijn zonden, en voelt zich bedreigd door het toenemend aantal vijanden dat hem haat (25:18-19).
Bovendien is het – te oordelen naar het laatste vers (25:22) – goed mogelijk dat David erkende dat zijn eigen dieptepunten en falen een weerslag hadden op het welzijn van het volk dat hij als koning diende; dus strekt zijn gebed zich ook uit naar hen.
Het is natuurlijk belangrijk om na te denken over hoe de Heer zijn verbondsvolk genadig helpt op zulke buitengewoon diverse manieren. Maar hier wil ik toch op iets wijzen dat een beetje anders is, namelijk hoe zoveel van de euvels en crisissen die ons teisteren met elkaar verbonden zijn.
De verschillende zaken die David vermeldt zijn geen losse items op een lijst. Ze staan op verschillende manieren met elkaar in verband.
Wanneer David bijvoorbeeld bidt dat zijn vijanden hem niet beschaamd zullen maken, erkent hij dat alleen God de uiteindelijke rechter is, zodat op het eind allen beschaamd zullen worden die ‘trouweloos handelen zonder oorzaak’ (25:3).
Maar dit betekent dat David zelf Gods wegen en Gods waarheid moet leren; ook zijn eigen zonden moeten worden vergeven. Hij moet zich nederig aan het verbond houden (25:9-10), terwijl hij de Here op gepaste wijze vreest (25:12, 14).
Omwille van de problemen waaronder hij leidt, is hij niet slechts verdrukt maar ook eenzaam (25:16) – angst op een bepaald terrein geeft zo vaak voeding aan een gevoel van wanhopige eenzaamheid, zelfs vervreemding.
Maar de uiteindelijke smeekbeden van de psalm verworden niet tot een wentelen in zelfmedelijden, maar sommen de verbanden op die al werden gelegd: David heeft bevrijding nodig van zijn vijanden, vergeving van zijn zonden, verlossing uit zijn verdrukking, en persoonlijke integriteit en oprechtheid, allemaal verbonden met de bescherming door de Here God zelf.
Hier vind je een gezond zelfbewustzijn. Soms zijn onze gebeden voor verlossing zo gedrenkt in eigenliefde; soms ontbreekt het bij onze verzoeken om gerechtigheid aan besef hoe endemisch [of ziekelijk, JL] zonde werkelijk is, zodat we onbezorgd blijven over onze eigen ongerechtigheid. Maar hier komen we een man tegen die niet slechts God kende en wist hoe te bidden, maar ook zichzelf kende.
Eigen vertaling van de overdenking bij 16 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
donderdag 27 maart 2014
'Laat hen één zijn' (Joh. 17)

Exodus 38; Johannes 17; Spreuken 14; Filippenzen 1Johannes 17 wordt voortdurend geciteerd in oecumenische kringen. Jezus bidt ‘voor allen die door hun verkondiging in mij geloven. Laat hen allen één zijn, Vader. Zoals u in mij bent en ik in u (…) opdat de wereld gelooft dat u mij hebt gezonden’ (17:20-23). Dit impliceert dan dat men de vervulling van Jezus’ gebed bewerkt door volledige steun aan de oecumenische beweging.
Het is een belangrijk gebed. Maar merk op waar Hij nog voor bidt in dit hoofdstuk:
(1) Jezus bidt dat God zijn eerste discipelen zal bewaren voor ‘de boze’, in het bijzonder nu Hijzelf van het aards toneel wordt weggenomen (17:11, 15). Misschien denkt Hij in het bijzonder aan de vreselijke klappen die hun geloof zal krijgen wanneer hun Meester wordt gekruisigd en begraven.
(2) Jezus bidt dat zijn discipelen zullen worden geheiligd door de waarheid – goed begrijpend dat Gods woord waarheid is en dat het precieze doel van zijn eigen heiliging (d.w.z. Hij ‘heiligt’ zichzelf – zet zichzelf apart voor de heilige doeleinden van de Vader – door zijn Vader te gehoorzamen en naar het kruis te gaan) is, dat zij zouden worden geheiligd (17:17-18).
(3) Jezus bidt dat zowel deze eerste discipelen als zij die uiteindelijk door hun verkondiging zullen geloven, ‘in Ons’ zullen zijn [d.i. ‘in’ de Vader en de Zoon], ‘opdat de wereld gelooft dat u mij hebt gezonden’ (17:21).
(4) Jezus verklaart dat Hij wil dat allen die de Vader Hem heeft gegeven, zullen zijn waar Hij is, en uiteindelijk zijn heerlijkheid zullen zien, de heerlijkheid die de Vader Hem gaf omdat Hij Hem liefhad ‘vóór de grondlegging der wereld’ (17:24).
Daarenboven bidt Jezus natuurlijk dat zijn discipelen allen één zullen zijn. Het zou mooi zijn als allen die deze voorbede benadrukken dit niet minder zouden doen met de andere gebeden – of, evengoed, dat allen die, laten we zeggen, het tweede gebed in de bovenstaande lijst benadrukken ook het gebed voor eenheid zouden benadrukken.
De vraag die we ons echter moeten stellen, is of Jezus’ gebeden verhoord zijn. Verklaart Jezus niet elders dat Hij weet dat de Vader Hem altijd ‘verhoort’ (11:42)?
De Vader beschermde zeker allen van de eerste discipelen, natuurlijk uitzondering gemaakt voor Judas Iskariot, van wie Jezus in zijn gebed stelt dat hij ‘de zoon des verderfs’ (NBG)’ is [of ‘hij die verloren moest gaan’ (NBV)] (17:12).
De andere gebeden zijn evenzeer verhoord en zullen finaal verhoord worden bij de voltooiing van alle dingen. Dit geldt ook voor Jezus’ gebed voor eenheid: ware christenen geven blijk van een diepgaande eenheid, een ware eenheid, ongeacht hiërarchische structuren en vaak ondanks oecumenische initiatieven, in antwoord op Jezus’ gebed. Dit trekt vaak anderen tot het Evangelie. We moeten verlangen en streven naar de vervulling van al Jezus’ gebeden.
Eigen vertaling van de overdenking bij 27 maart uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
vrijdag 6 december 2013
Waarom zwijgt Gij, als de goddeloze verslindt hem die rechtvaardiger is dan hij? (Hab. 1)

2 Kronieken 6:12-42; 1 Johannes 5; Habakuk 1; Lukas 20
De profetie van Habakuk – of, meer precies, ‘de godsspraak, die de profeet Habakuk geschouwd heeft’ – wordt niet neergezet als iets dat hij aan anderen moest overbrengen, maar als een antwoord op zijn eigen klacht tegenover de Heer.
Het feit dat die werd opgeschreven en bewaard in de canon betekent dat, in Gods voorzienigheid, ofwel Habakuk ofwel iemand anders dit dermate belangrijk vond dat anderen het moesten kunnen lezen. Het mag geen privécommunicatie blijven (zoals de vertrouwelijke openbaringen die Paulus soms ontving, zie 2 Kor. 12:1-10).
De aard van Habakuks protest wordt uiteengezet in Habakuk 1. Het kader is blijkbaar de tijd van de finale Babylonische aanval (1:6). Initieel gaat Habakuks klacht over zijn eigen volk en cultuur (1:2-5). Hij heeft tot de Heer om hulp geroepen, en verwacht een door God gezonden opwekking.
‘Hoelang, HERE, roep ik om hulp, en Gij hoort niet?’ (1:2). De rest van zijn klacht somt de symptomen op van een cultuur in neergang: geweld, ongerechtigheid, onrecht, strijd, conflict, en de wet van God die krachteloos wordt gemaakt.
Maar God antwoordt met woorden die Habakuk niet wil horen. Habakuk wil een opwekking; God belooft oordeel (1:6-11). Indien Habakuk zo bekommerd is om de ongerechtigheid, zou hij moeten weten dat God er iets zal aan doen: Hij zal ze bestraffen.
God zal iets verbazingwekkends doen: Hij zal de Babyloniërs doen opstaan, ‘dat grimmige en onstuimige volk, dat de breedten der aarde doortrekt om woonsteden in bezit te nemen, die de zijne niet zijn’ (1:6).
Ze zullen komen ‘om geweld te bedrijven’ en ‘het verzamelt gevangenen als zand’ (1:9). God doet niet alsof de Babyloniërs een aangenaam volk zijn. Na de enorme kracht van hun gewapende troepen te hebben beschreven, noemt hij hen ronduit een schuldig volk, ‘wiens kracht zijn god is’ (1:11).
Deze schuldige mensen, dronken van de barbaarsheid van hun eigen geweld, vormen het volk dat God zal ontplooien om zijn eigen verbondsvolk te tuchtigen – in antwoord op Habakuks gebed dat God iets zou doen aan de ongerechtigheid in het land.
Gods antwoord bevredigt Habakuk niet. De tweede klacht (1:12—2:1) gaat naar de kern van de kwestie. Gegeven dat God eeuwig en trouw is aan zijn verbondsvolk; ook gegeven dat Hij ‘te rein van ogen’ is ‘om het kwaad te zien’ (1:13) en daarom zijn eigen verbondsvolk moet straffen, blijft de brandende vraag: ‘waarom aanschouwt Gij de trouwelozen en zwijgt Gij, als de goddeloze verslindt hem die rechtvaardiger is dan hij’ (1:13, cursief toegevoegd).
Want hoe zondig de Judeeërs ook zijn, de Babyloniërs zijn nog slechter. Hoe kan God nog zondiger mensen gebruiken om anderen te straffen die minder zondig zijn?
Welke andere voorbeelden hiervan vind je in de geschiedenis, zowel de gewijde als de profane?
Eigen vertaling van de overdenking bij 6 december uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
donderdag 24 oktober 2013
En ik bad tot de HERE, mijn God, en deed schuldbelijdenis (Dan. 9)

2 Koningen 5; 1 Timotheüs 2; Daniël 9; Psalmen 117-118Daniëls grote voorbede (Dan. 9:1-19) schreeuwt om langere overdenking.
Het jaartal is 539 v.C. Daniël lette ‘in de boeken [Eng.: ‘understood from the Scriptures’] op het getal van de jaren, waarover het woord des HEREN tot de profeet Jeremia gekomen was’ (9:2; vgl. Jer. 25:11; 29:10), en begreep dat de zeventig jaren voorbij waren – wat op het eerste gezicht ook aantoont dat Jeremia’s geschriften al snel als Schrift circuleerden.
Enkele gedachten:
(1) De ‘zeventig jaren’ hebben voor wat strijd gezorgd. Er waren verschillende manieren om de periode van ballingschap te berekenen (zie bijvoorbeeld de getallen in Ez. 4).
Sommigen redeneren dat zeventig jaren slechts een geïdealiseerde vastgestelde termijn is voor Gods toorn (vgl. Zach. 1:12; 2 Kron. 36:21).
Als (wat meer aannemelijk is) dit verwijst naar zeventig letterlijke jaren, dan is de best mogelijke uitleg dat het begin van de zeventig jaren op 609 ligt, wanneer de Babyloniërs de Egyptenaren versloegen in de slag bij Karkemish, met als resultaat dat Juda voor het eerst een vazalstaat werd in dienst van Babylon.
(2) Wanneer Daniël zich vanuit de Schrift bewust wordt van het precieze tijdstip van het einde van de ballingschap, is zijn reactie er helemaal geen van rusten en wachten tot de beloften bewaarheid worden, maar bidt hij voor dergelijke vervulling. De bijzondere dynamiek tussen Gods soevereiniteit en de menselijke verantwoordelijkheid verwordt in de Bijbel nooit tot fatalisme. De beloften van God zijn stimulansen tot voorbede.
(3) Daniëls belijdenis is algemeen, niet persoonlijk: ‘wij hebben gezondigd en misdreven … wij hebben goddeloos gehandeld en zijn wederspannig geweest … wij zijn afgeweken van uw geboden en van uw verordeningen …’ – enzovoort. Hier doet Daniël ons denken aan Jesaja, die persoonlijke en algemene belijdenis bijeenvoegt (Jes. 6:6). Het valt te betwijfelen of we met vrucht kunnen bidden voor onze kerk en onze cultuur zonder onze eigen zonde te belijden.
(4) De kern van de belijdenis is dat Daniël en zijn volk zich hebben afgekeerd van Gods geboden en verordeningen (9:5), niet naar Gods dienstknechten, de profeten, hebben geluisterd (9:6), de wetten niet hebben gehoorzaamd die God gaf door zijn knechten, de profeten (9:10), de wet hebben overtreden (9:11), en de gunst van de Heer hun God niet hebben gezocht door zich af te keren van hun zonden en acht te slaan op zijn waarheid (9:13).
Bedenk goed: de kern van de zaak, zoals Daniël ze ziet, is veronachtzaming van wat God zei of ongehoorzaamheid aan wat Hij zei. Dit is altijd de kern van de kwestie. Omgekeerd komt echte heiliging door trouw aan Gods woorden (Ps. 1:2; Joh. 17:17). Dit is waarom de toenemende bijbelse onwetendheid binnen belijdende kerken, de cultuur in zijn geheel nog daar gelaten, het zorgwekkendste en meest bedreigende symptoom is onder ons.
(5) Daniël erkent dat de oordelen die over Gods volk zijn gekomen zowel rechtvaardig als volkomen in lijn zijn met de Schrift (9:7, 11b-14). Welke gevolgen heeft dit vandaag voor ons?
(6) Op welke gronden rust Daniëls smeekbede om bevrijding?
Eigen vertaling van de overdenking bij 24 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
zaterdag 12 oktober 2013
Grijp je vast aan de zoom van zijn kleed
Als je motto luidt: ‘Pluk de dag’,
pas dan maar op dat de dag jou niet plukt.
Grijp je vast aan de zoom van zijn kleed
en laat Hem niet los voor Hij je heeft gezegend.
Hij zal je vaste grond onder de voeten geven.
Uit: ‘Een leven van gebed’, Paul E. Miller, uitg. Van Wijnen (Franeker), pag. 238
zaterdag 28 september 2013
Uw barmhartigheid kome ons haastig tegemoet, want wij zijn zeer verzwakt (Ps. 79)

2 Samuël 24; Galaten 4; Ezechiël 31; Psalm 79Op het eerste gezicht schetst Psalm 79 de afschuw verbonden met de val van Jeruzalem in 587 v.C. Vooraleer we nadenken over enkele thema’s eruit, moeten we even stilstaan bij de vraag hoe zowel Psalm 78 als Psalm 79 kunnen beweren van Asaf te komen.
Psalm 78 werd duidelijk geschreven aan het begin van het Davidisch koningshuis; Psalm 79 blijkbaar vierenhalve eeuw later, bij de verwoesting van Jeruzalem. Dus hoe kunnen ze allebei psalmen van Asaf zijn? De Asaf die we kennen als een tijdgenoot van David.
De beste suggestie is dat het dozijn psalmen dat wordt toegeschreven aan Asaf afwisselend geschreven werd door ofwel hemzelf of door het koor dat hij oprichtte. Net zoals sommige psalmen toegeschreven worden aan de ‘zonen van Korach’ (wellicht ook weer een muzikaal gezelschap), zo is het ook in dit geval.
Hier stelt Asaf de rechtvaardigheid van Gods brandende ‘naijver’ niet in vraag (79:5), maar (zoals in Ps. 74; zie de overdenking voor 23 september) de duur ervan: ‘Hoelang nog, o HERE? – Zult Gij voortdurend toornen’ (79:5).
Merk op hoe sommige van Asafs thema’s zich vermengen met wat we vinden in de profeten.
(1) ‘Stort uw grimmigheid uit over de volken die U niet kennen, en over de koninkrijken die uw naam niet aanroepen’ (79:6). Maar de grote profeten benadrukken, zoals we herhaaldelijk zagen, dat de heidense volkeren aansprakelijk zullen worden gehouden door God. Ze krijgen geen vrijbrief.
Ondertussen zouden gelovigen altijd Gods woorden aan zijn volk via Amos (3:2) goed moeten in gedachten houden: ‘U alleen heb Ik gekend uit alle geslachten van het aardrijk; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden aan u bezoeken’ (cursief toegevoegd).
In een wereld onder de vloek, moeten ook christenen verstaan dat straf die ons tot bekering brengt alleen maar een goede zaak kan zijn (vgl. Hebr. 12:4-13).
(2) ‘Reken ons de ongerechtigheid der voorvaderen niet toe’ (79:8): bekijk opnieuw Ezechiël 18 (zie de overdenking van 15 september).
(3) ‘Uw barmhartigheid kome ons haastig tegemoet, want wij zijn zeer verzwakt’ (79:8). Een dergelijke smeekbede vraagt tegelijk om de enige hulp die ons kan redden, en weerspiegelt de houding van afhankelijkheid en vertrouwen die zo volkomen ontbreken in de koppige rebellie en het vertrouwen op zichzelf die het oordeel in de eerste plaats opriepen.
(4) ‘Help ons, o God van ons heil, om de heerlijkheid van uw naam; red ons en doe verzoening over onze zonden om uws naams wil’ (79:9). Nog maar eens wordt er niet gepoogd de zonden te bedekken. Het appel is aan Gods heerlijkheid, zodat heidense volkeren niet zullen besluiten dat God te zwak of wispelturig is om zijn volk te redden (79:10). Hoeveel van de drijvende kracht achter het hedendaagse evangelische bidden komt voor uit een passie voor de heerlijkheid van God?
Eigen vertaling van de overdenking bij 28 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
maandag 23 september 2013
Waarom, o God, verstoot Gij voor altoos (Ps. 74)

2 Samuël 19; 2 Korintiërs 12; Ezechiël 26; Psalm 74Het is gepast om na te denken over Psalm 74 in deze fase van onze lezing van de grote profeten. Het klinkt alsof deze psalm geschreven werd ten tijde van een nationale ramp, mogelijk de verwoesting van 587 v.C. (vgl. Ps. 79 en 137; Klaagl. 2:5-9). De ergste klap van allemaal is dat alle profeten zwijgen (74:9). Dan is er plotseling midden in de somberheid en chaos een zucht van lofprijs (74:12-17), vooraleer de duisternis opnieuw neerdaalt (74:18-23).
De onderbreking is dramatisch, en wordt versterkt door een plotselinge omschakeling van de eerste persoon meervoud (‘wij’, ‘ons’) naar de eerste persoon enkelvoud: ‘Toch is God mijn Koning van oudsher’ (74:12).
Opvallende kenmerken zijn ondermeer:
(1) De kwelling van dit hoofdstuk komt voort uit geloof, niet uit scepticisme, en nog minder uit cynisme. Deze mensen kennen God, maar kunnen niet zien wat Hij aan het doen is. Ze protesteren niet zozeer tegen hun straf door Hem, maar wel over de duur: ze handelen alsof ze weten dat de straf verdiend is, maar is het einde ervan open? Is er geen verlichting? ‘Waarom, o God, verstoot Gij voor altoos?’ (74:1). ‘Richt uw schreden naar wat voorgoed in puin ligt’ (74:3). ‘Ja, hoelang nog zal de tegenstander honen, o God; zal de vijand uw naam voor altijd versmaden?’ (74:10).
(2) Er ligt een sterke nadruk op Gods ‘gedenken’ – of, preciezer gesteld, op het smeken tot God om te gedenken. Het is niet alsof de psalmist denkt dat er iets uit Gods gedachten gegaan is, en dat Hij aan een aantal beginselen moet herinnerd worden, die onder de druk van het besturen van het universum per abuis over het hoofd werden gezien.
Het pleiten bij God om te gedenken is expliciet in 74:2, 18, 22 en vaak impliciet – bijv. ‘Aanschouw het verbond’ (74:20). Deze passages bieden enig inzicht in wat dit ‘gedenken’ betekent: het is een smeekbede tot God om te handelen in het licht van zijn oude verbondsrelatie met zijn volk, het volk dat Hij ‘van ouds’ heeft ‘verworven’ (74:2), de stam die Hij als zijn erfdeel heeft verlost (74:2). Het is een smeekbede dat Hij, midden de toorn, zou ‘denken aan’ ontferming.
(3) De verzen 4-8 klinken alsof ze komen van een ooggetuigenverslag van de tempel die verwoest wordt, van een herinnering die onuitwisbaar omgeven is door smart. Dit was de plaats, zo vertelt de psalmist God, waar Hij hen ontmoette, ‘uw vergaderplaats’ (74:4). De volgende verzen lopen over van verdriet.
(4) Nu zijn we misschien beter geplaatst om na te denken over de rol van de verzen 12-17 in de psalm. Precies wanneer er maar weinig hoop lijkt, is het voor individuele gelovigen uiterst belangrijk om de kracht van God te gedenken in zowel de schepping (74:16-17) als in de verlossing (74:13-15).
Hoe zou een dergelijk standpunt in ons leven gestalte krijgen?
Eigen vertaling van de overdenking bij 23 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
donderdag 19 september 2013
Ik heb onder hen gezocht naar iemand, die op de bres zou kunnen staan (Ez. 22)

2 Samuël 15; 2 Korintiërs 8; Ezechiël 22; Psalm 69
Mijn roeping tot de bediening was verbonden met Ezechiël 22:30-31: ‘Ik heb onder hen gezocht naar iemand, die een muur zou kunnen optrekken en voor mijn aangezicht op de bres zou kunnen staan ten behoeve van het land, zodat Ik het niet zou verwoesten, maar Ik heb hem niet gevonden. Daarom heb Ik mijn gramschap over hen uitgestort; met het vuur van mijn verbolgenheid heb Ik hen verteerd; hun wandel heb Ik op hun hoofd doen neerkomen – luidt het woord van de Here HERE.’
We moeten eerst nadenken over dit gedeelte in zijn eigen tekstuele en historische context. Ezechiël 22 veroordeelt de zonden van Jeruzalem, die stad ‘berucht om […] onreinheid en vol van wanorde!’ (22:5). Het gedeelte focust in het bijzonder op de zonden van de leiders – de koningen en vorsten, de priesters, de profeten – en toont de manier waarop hun zonden het volk in zijn geheel schade toegebracht hebben.
In elke cultuur in verval wordt veel van dit verval veroorzaakt door de leiders en predikers die handelen uit eigenbelang of zelfs hebzuchtig zijn, corrupt en mogelijk valsaardig, mensen die veel meer interesse hebben in macht verwerven dan in dienen, mensen die meer aandacht schenken aan de ‘draai’ die ze kunnen geven aan publieke antwoorden dan aan het waarheidsgehalte van hun antwoorden.
Al snel rafelt het volledige weefsel van de cultuur uit. Corruptie wordt gauw getolereerd, en vervolgens verwacht. Cynisme is aan de orde van de dag. Meer en meer mensen doen meer en meer datgene waarmee ze denken weg te komen. Integriteit wordt zodanig zeldzaam dat het nieuwswaardig wordt.
Dit is wat er het oude koninkrijk van David overkwam. Wanneer God zegt dat Hij naar een man zocht om de muur op te bouwen en in de bres te staan voor Hem ten behoeve van het land opdat Hij het niet zou moeten vernietigen (22:30), dan pikt Hij voor een deel de beeldtaal op die al gebruikt wordt in hoofdstuk 13 met betrekking tot de valse profeten (zie de overdenking voor 10 september).
Maar Hij is ook op zoek naar een middelaar, een leider als Mozes die kan voorbede doen voor het volk wanneer het zondigt (Ex. 32-33), een leider die geroepen en toegerust is om gerechtigheid en recht te vestigen.
In Israël, aan het begin van de zesde eeuw, vond Hij er geen. Natuurlijk had God Jeremia in Jeruzalem en Ezechiël onder de ballingen. Maar deze mannen moesten Gods woord verkondigen in tijden van verval. Het was niet hun taak om de muur te herbouwen, of in de bres te staan, om de toorn van God af te wenden.
Oppervlakkig bekeken zou je natuurlijk kunnen zeggen dat Nehemia de muur herbouwde, en dat Ezra terug gerechtigheid bracht. Maar uiteindelijk zou er maar één Middelaar volstaan om in de bres te staan.
En mijn roeping, meer dan drieëndertig jaar geleden? Het was ingewikkeld. Ik verstond dit gedeelte niet al te goed. Maar de Geest van God trof me er hard mee, en ik wist alleen dat ik in de bres wilde staan voor Hem en zijn volk.
Eigen vertaling van de overdenking bij 19 september uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
vrijdag 19 juli 2013
Al stond Mozes met Samuël vóór Mij, dan zou mijn ziel zich toch niet tot dit volk neigen (Jer. 15)

Richteren 2; Handelingen 6; Jeremia 15; Markus 1Jeremia 15 biedt ons enkele van de meest treffende inzichten in het innerlijke leven en de gedachten van de profeet Jeremia:
(1) Jeremia heeft voorspraak gedaan bij God voor het verbondsvolk (Jer. 14). Maar God beveelt Jeremia te stoppen, want Hij zal niet luisteren (14:11-12). Hij zegt nu bovendien dat zelfs als Mozes en Samuel voor Hem stonden en voorbede zouden doen voor het volk, Hij hen niet zou sparen (15:1).
Eeuwen eerder hadden Mozes en Samuel met succes gebeden voor Israël (Ex. 32:11-14; Num. 14:13-24; Deut. 9:18-20, 25-29; 1 Sam. 7:5-9; 12:19-25) – hoewel het belangrijk is te bedenken dat ze er ook – in zekere mate – voor zorgden dat het volk gewillig was om tot God terug te keren met berouw en hernieuwde gehoorzaamheid.
Dit heeft Jeremia niet kunnen bereiken. Nu vertelt God hem dat hij dit ook niet zàl bereiken: het volk zal in gevangenschap gaan. De onrechtvaardigheid en afgoderij onder Manasse maakten de maat vol (15:4; zie 2 Kon. 21:10-15; 23:26; 24:3).
(2) In 15:10 wenst Jeremia ronduit dat hij nooit geboren was. Voor het gehele land is hij een ‘man van twist en gekrakeel’. Iedereen vervloekt hem, niet omdat hij onbetrouwbaar was in zaken, maar omdat hij trouw het woord van de Heer overbrengt.
De Heer stelt hem gerust (15:11-14; het beste ijzer komt ‘uit het noorden’, uit het gebied van de Zwarte Zee, dus is dit een manier om te zeggen dat Israëls wapens niet zouden opgewassen zijn tegen die van de Babyloniërs).
Maar dit is een deel van Jeremia’s strijd. Een deel van hem wil gerechtigheid, wil dat zijn vervolgers bestraft worden (15:15). Datzelfde deel verheugde zich volkomen in Gods woorden (15:16a). Maar aan de andere kant zijn zijn trouw aan God en zijn woorden precies hetgeen hem van het volk isoleerden: ‘door uw hand was ik eenzaam neergezeten, want Gij hadt mij met gramschap vervuld’ (15:17b).
Enkele van zijn meest venijnige tegenstanders waren zijn familieleden (vgl. Mt. 10:36). Jeremia is soms geneigd te denken dat het God is die gefaald heeft, als een uitdrogende bron (een wadi, 15:18) die soms overvloeit van leven en zegen, en andere keren niets biedt.
Gods antwoord (15:19-21) is dat als Jeremia volkomen trouw blijkt in het overbrengen van zijn woorden, hij zal voortgaan als Gods zegsman en gered zal worden van de boosaardige machinaties van zijn opponenten.
Maar over één punt is geen discussie mogelijk: ‘Laten zij zich tot u keren, maar gij zult u tot hen niet keren’ (15:19b).
De intense spanning tussen trouw aan God en vervreemding van iemands eigen volk is een blijvende constante in de dienst van trouwe predikers die aangewezen worden voor een maatschappij in verval.
Eigen vertaling van de overdenking bij 19 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
zondag 14 juli 2013
Tuchtig mij, HERE, doch naar recht; niet in uw toorn, opdat Gij mij niet te gering maakt (Jer. 10)

Jozua 20-21; Handelingen 1; Jeremia 10; Matteüs 24Twee gedachten over Jeremia 10:
Ten eerste ligt de oorzaak voor de catastrofale straf die Juda binnenkort wacht bij haar onbekwame leiders: ‘Want verdwaasd zijn de herders, de HERE zoeken zij niet; daarom hebben zij geen verstand en is heel hun kudde verstrooid’ (10:21). ‘Herders’ duidt hier in de context op meer dan ‘voorgangers’: het omvat iedereen die de zaken van het land bestuurt – koningen, priesters, profeten en andere leiders.
Het terrein waarop deze leiders onbekwaam zijn is niet algemeen bestuur, charismatische uitstraling, financiële schranderheid of managementpotentieel. Ze zijn ‘verdwaasd’, en hun dwaasheid wordt manifest in het feit dat ze ‘de Here niet zoeken’. Dit kan niet betekenen dat ze zich niet houden aan louter de vormen om de Here te zoeken, waarbij ze dan de profeten raadplegen en de voorgeschreven rituelen beschouwen als een talisman die geluk brengt.
Veeleer betekent het dat ze niet echt willen doen wat God wil. Ze benaderen Hem niet met het berouw en het diepgaand ontzag voor zijn woord waarover Jesaja spreekt (Jes. 66). Ze behandelen Hem niet alsof Hij radicaal ‘anders’ is en fundamenteel verschilt van de myriade aan afgoden die hen omringt.
Landen en kerken overstijgen hun leiders niet. Als onze leiders gepassioneerd zijn om God te leren kennen en de wil van de Heer te gehoorzamen, dan hebben we schitterende vooruitzichten; zijn ze echter losbandig en besmet door zelfzucht, dan zijn onze vooruitzichten somber of zelfs hopeloos.
Ten tweede identificeert Jeremia zich in de slotverzen (10:23-25) op een verrassende manier met zijn volk: ‘Ik weet het, HEER, geen sterveling bepaalt zijn eigen weg, geen mens gaat waar hij wil. Straf ons, HEER, maar met mate, niet in woede, anders zijn we verloren’ (10:23-24).
Je kan deze zinnen initieel lezen als verwijzingen naar niets meer dan Jeremia de profeet, Jeremia de persoon. Individuele gelovigen moeten zich zodanig van hun eigen zonden bewust zijn dat ze God smeken hen te bewaren voor het verderf dat ze verdienen.
Maar kijken we nog wat beter, dan zien we dat de zonden die Jeremia belijdt, de zonden zijn van het volk, in het bijzonder de trotse zelfgenoegzaamheid die zelfs weigert de zuivere Godheid van God te erkennen, de heerlijke waarheid dat alleen God God is en alles bestuurt.
Het volgende vers (10:25) toont dat hetgeen Jeremia vraagt dat God zou sparen ‘Jakob’ is, het verbondsvolk van God. Ongetwijfeld is de straf over hen uitgesproken, maar Jeremia smeekt God dat Hij hen in zijn toorn niet zal uitroeien, maar de ergste maatregelen zal voorbehouden voor ‘de geslachten die uw naam niet aanroepen’. Zo aanroept Jeremia God voor zichzelf, maar ook voor zijn volk, waarmee hij zich identificeert – zoals ook Paulus doet in Galaten 2:17-21 en mogelijk in Romeinen 7:7 e.v.
Eigen vertaling van de overdenking bij 14 juli uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.
Abonneren op:
Posts (Atom)
