Posts tonen met het label hoop. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hoop. Alle posts tonen

zaterdag 28 november 2020

Comfort, Oh Comfort (troost, oh troost)


Het artikel van zangeres Caroline Cobb "2020 Has Felt Like Advent All Year" bracht me bij deze song van haar, passend voor nu.

Comfort, Oh Comfort

From Isaiah 35; 43:18-21; 51:3, 11; 53:3; 58:11
CCLI # 7159408

Verse 1:
Comfort, oh comfort
To every place that is scorched and dry
Comfort, speak comfort
To every darkness in need of the light

Chorus:
In the wilderness, the green of Eden
In the wasteland, the garden blooms
Up from the desert, springs a river
For He is making everything new
Oh oh

Verse 2:
Comfort, oh comfort
There is a highway through this dry land
They will call him a Man of Sorrows
And like a seed, buried deep to rise again

Chorus

Verse 3:
Comfort, oh comfort
For the ransomed will return with a song
And with joy, we’ll come into Zion
And all our sorrow, all our sighing will be gone

Chorus

credits

from A Seed, A Sunrise: Advent to Christmas Songs, released November 20, 2020

woensdag 31 december 2014

'Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij' (Opb. 22)


2 Kronieken 36; Openbaring 22; Maleachi 4; Johannes 21

De eerste twee van onze bovenvermelde lezingen [uit het Bijbelleesrooster van M’Cheyne, JL] voor deze laatste dag van het jaar brengen ons hoop.

De eerste, 2 Kronieken 36, schetst de uiteindelijke val van Jeruzalem. De Babyloniërs maken de stad met de grond gelijk en de leidinggevende burgers worden 1000 à 1300 kilometer van huis weggevoerd. Maar de slotverzen vergunnen een glimp van hoop. Babylon heeft niet het laatste woord.

Decennia later neemt het Perzische rijk over en wordt dit de supermacht in de regio, en koning Cyrus staat de terugkeer van de bannelingen naar Jeruzalem toe en de bouw van een nieuwe tempel.

Historisch gezien hanteerden de Perzen dit beleid natuurlijk voor alle volken die de Babyloniërs hadden weggevoerd: allemaal kregen ze toestemming naar huis terug te keren. Maar de kroniekschrijver ziet de toepassing van dit beleid voor Israël terecht als hoogste bewijs van de hand van God, en een nieuwe fase in de heilsgeschiedenis die de vervulling van al Gods beloften zou brengen.

De hoop die wordt geschetst in de tweede lezing, Openbaring 22, is van een hogere orde. De openingsverzen vervolledigen het gezicht van Openbaring 21. De zegen van de eindvervulling draait om zaken als deze: het water van het leven vloeit vrijelijk vanuit de troon van God en van het Lam; alle gevolgen van de vloek worden uitgewist; Gods volk zal voortdurend zijn aangezicht zien, dit betekent dat ze voor altijd in zijn tegenwoordigheid zullen zijn; er zijn geen cycli meer van nacht en dag – opnieuw is de les moreel, niet astronomisch, d.w.z.: er zullen geen cycli meer zijn van goed en kwaad, van licht en duisternis, want ieder zal leven in het licht van God.

Gezien de loutere goedheid en heerlijkheid van dit duurzame gezicht vol symboliek van de vervulling en de triomf van de verlossing, wordt de rest van het hoofdstuk grotendeels gebruikt om de lezer te verzekeren van de volkomen betrouwbaarheid van dit gezicht, en daarom van het absolute belang te horen bij hen ‘die hun gewaden wassen, opdat zij recht mogen hebben op het geboomte des levens en door de poorten ingaan in de stad’ (22:14).

Hierin ligt dus de ultieme hoop, in die zin dat als iemand zich ditmaal afkeert, er geen hoop meer is. Er is alleen een angstig uitzien naar de uiteindelijke toorn. We zijn nog niet zover, zegt de auteur, maar de climax is niet meer veraf, en wanneer die komt zal het te laat zijn.

De opgewekte en verheerlijkte Jezus, de wortel en het geslacht van David, de blinkende morgenster (22:16) verklaart plechtig: ‘Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden, naar dat zijn werk is. Ik ben de alfa en de omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde’ (22:12-13).


Eigen vertaling van de overdenking bij 31 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 4 december 2014

Zie, hoe groot is de liefde die de Vader ons gegeven heeft (1 Joh. 3)


2 Kronieken 3-4; 1 Johannes 3; Nahum 2; Lukas 18
‘Ziet, welk een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij kinderen Gods genoemd worden, en wij zijn het (ook)’ (1 Joh. 3:1). Elk van ons behoorde ooit tot de wereld; om de taal van Paulus te gebruiken, we waren allemaal ‘van nature, (…) kinderen des toorns’ (Ef. 2:3). De liefde van de Vader die de transformatie heeft bewerkt is overvloedig, precies omdat ze onverdiend is. Bovendien:

(1) ‘En wij zijn het ook!’. Deze sterke uitroep kwam waarschijnlijk in eerste instantie voort uit het feit dat degenen die de kerk verlaten hadden (2:19) meesters waren in het manipuleren van de gelovigen. Ze beweerden dat alleen zij een binnenweg kenden tot God, dat alleen zij werkelijk de ware kennis (gnosis) verstonden, dat alleen zij de ware zalving genoten.

Dit had een ondermijnend effect op de gelovigen. Johannes stelt dat zijn lezers de ware zalving ontvangen hebben (2:27), dat hun goede wandel aantoont dat zij uit God geboren zijn (2:29), dat ze rijkelijk overgoten zijn met de liefde van God en dus kinderen van God geworden zijn – ‘En wij zijn het ook!’.

Hetzelfde punt moet worden gemaakt in het belang van gelovigen in elke generatie die zich bedreigd voelen door de buitensporige maar misleidende beweringen van de ‘over-geestelijke’ massa die hun bedenkelijke manipulatie uitoefenen door een soort geestelijk haantjesgedrag. ‘Wij zijn de kinderen van God’, bevestigen christenen rustig – en dat is genoeg. Indien anderen dit feit niet erkennen, kan dit alleen maar betekenen dat zij zelf God niet kennen (3:1b).

(2) Hoewel we nu al de kinderen van God zijn, moeten we stellen ‘het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen’ (3:2). Aan de ene kant mogen we alles wat we al ontvingen niet minachten of minimaliseren: wij zijn nu kinderen van God. Aan de andere kant zien we uit naar de voleinding en onze eigen ultieme transformatie (3:2).

(3) In feite kun je stellen dat elk kind van God dat leeft met dit vooruitzicht, ‘een ieder, die deze hoop op Hem heeft zich reinigt, ‘gelijk Hij rein is’ (3:3) [in het Engels staat er ‘in him’, of dus ‘in hem’; wat dus wellicht (met hoofdletter) betekent ‘in Christus’ of ‘in God’, wat het voorwerp van de hoop specificeert, eerder dan ‘in hem’ (met kleine letter), wat dan louter zou slaan op degene die de hoop koestert – Merk op: zowel NBG als NBV en HSV gaan voor de eerste optie].

De christen kijkt naar wat hij of zij zal worden in de voleinding en is meteen geïnteresseerd om zo te worden. Wij ontvangen de liefde van de Vader; we weten dat we op een dag rein zullen zijn; dus streven we al om nu rein te worden. Dit is perfect conform de manier waarop hoofdstuk 2 eindigt: ‘Als u weet dat Hij rechtvaardig is, dan weet u dat ieder die de rechtvaardigheid doet, uit Hem geboren is’ (2:29 [HSV]).


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 11 oktober 2014

Geloof en liefde door hoop (Kol. 1)

1 Koningen 14; Kolossenzen 1; Ezechiël 44; Psalmen 97-98

Soms wordt naar geloof, hoop en liefde samen verwezen als naar de Paulinische triade. Ze komen in de brieven van Paulus in verschillende combinaties voor. Soms duiken er maar twee van de drie op; soms alle drie.

Het wellicht meest bekende vers met de Paulinische triade is 1 Korinthiërs 13:13: ‘Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde’. Hier wordt geen relatie tussen de drie uitgedrukt. Paulus vertelt ons dat deze deugden – geloof, hoop en liefde (en die laatste noemt hij ‘een weg die dit alles nog overtreft’ (12:31b [HSV]; zie ook de overdenking van 8 september), eerder dan een ‘gave’) – alles ‘blijft’: wat hij volgens mij bedoelt is dat die alle blijven tot in eeuwigheid en daarom zelfs nu moeten worden gevoed en nagestreefd.

Maar de grootste van deze drie, benadrukt Paulus, is liefde. Waarom dit zo is, vertelt Paulus ons niet. Gebaseerd op wat het Nieuwe Testament elders zegt, mogen we redelijkerwijs aannemen dat de reden waarom liefde de grootste is, ligt in het feit dat het een eigenschap is van God.

God legt geen geloof aan de dag; Hij ‘hoopt’ ook niet in de betekenis van verlangen naar de vervulling van iets dat door bepaalde andere dingen wordt veroorzaakt. Maar Hij heeft wel lief: 1 Johannes 4:8 vertelt ons zelfs dat God liefde ís; er is geen tekst die zegt dat Hij geloof of hoop is. Dus is de grootste van de drie liefde.

Hier in Kolossenzen 1:3-6 echter is de relatie tussen de drie elementen van de Paulinische triade helemaal anders. Paulus dankt God wanneer hij voor de Kolossenzen bidt. Hij zegt: ‘daar wij gehoord hebben van uw geloof in Christus Jezus en van de liefde, die gij al de heiligen toedraagt, om de hoop, die voor u is weggelegd in de hemelen. Daarvan hebt gij tevoren gehoord in de prediking der waarheid, het evangelie, dat tot u gekomen is’ (1:4-6). Sommige vertalingen hebben een wat geparafraseerde weergave, maar dit kan de betekenis toch goed vatten.

Merk op:

(1) Paulus heeft de gemeente van Kolosse niet gesticht. Maar nu hij over deze gelovigen gehoord heeft, bidt hij voortdurend voor hen, met dankzegging.

(2) Wat Paulus over deze gelovigen uit Kolosse heeft gehoord heeft, is over hun geloof en liefde, allebei aantoonbare deugden. Als je geloof hebt in Jezus, en als je de gelovigen liefhebt, kan geen van de twee deugden verborgen blijven. Die deugden waren zo duidelijk aanwezig onder de Kolossers dat verhalen over hun geloof en liefde circuleerden tot bij Paulus. Is het ook zo dat verhalen over het geloof en de liefde van onze kerken wijdverbreid circuleren?

(3) Paulus zegt dat dit geloof en die liefde voortkomen uit hoop, of zoals in de NBG-vertaling ‘om de hoop’ zijn, die voor hen is weggelegd (1:5). Leven met de eeuwigheid in zicht wekt geloof en brengt liefde voort.

(4) Deze hoop die aan de basis lag van hun geloof en liefde, vindt op zijn beurt zijn oorsprong in het evangelie, het woord van de waarheid dat tot hen was gepredikt (1:5-6).


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 2 april 2014

Altijd is er hoop (Lev. 5)


Leviticus 5; Psalmen 3-4; Spreuken 20; Kolossenzen 3
Stel je een complexe maar goed geordende maatschappij voor, waarin je op elk levensterrein daden vindt die een persoon onrein maken en verder voorgeschreven daden die deze persoon weer rein maken. Wanneer je ’s morgens opstaat, draag je kleding die is vervaardigd uit een bepaalde soort stof, maar geen andere.

Er is rein voedsel en onrein voedsel. Als een schimmelvlek op de muur van je huis verschijnt, dan zijn er procedures om die te behandelen. Mannen moeten een bepaald schema volgen na een natte droom, vrouwen in verband met hun periodes. Sommige onreine dingen mogen zelfs niet worden aangeraakt.

Daarenboven is er een ingewikkeld religieus en offersysteem waarvan wordt verondersteld dat iedereen het volgt, en faal je op eender welk punt in de navolging ervan, dan veroorzaakt dit weer zijn eigen onreinheid. En dit past allemaal in een nog groter pakket verboden met daarbij inbegrepen wat we normaal gezien ‘morele categorieën’ noemen: hoe we spreken, over het spreken van de waarheid, hoe we anderen behandelen, vragen rond eigendom, seksuele integriteit, daden in verband met buren, juridische onpartijdigheid, enzovoort.

Je moet ook begrijpen dat in deze maatschappij de regels door God zelf zijn ingesteld. Ze zijn niet het resultaat van een verkozen congres of parlement, dat makkelijk kan worden aan de kant geschoven door een wispelturig of gefrustreerd publiek dat naar iets anders verlangt. Deze regels veronachtzamen of ze met voeten treden is ook de levende God met voeten treden. Welke lessen zouden in een dergelijke maatschappij worden geleerd?

Welkom in de wereld van Leviticus. Ook dit maakt deel uit van de erfenis van de Berg Sinaï, van het Mozaïsche verbond. Hier moet Gods volk leren dat God voorschrijft wat goed en slecht is, en dat Hij daartoe het recht heeft; dat heiligheid alles van het leven omvat; dat er een verschil is tussen het gedrag van het volk van God en het gedrag van de omringende heidenen, meer dan gewoon een verschil in abstracte geloofsovertuigingen.

Hier schrijft de Heer zelf voor welke offerandes nodig zijn, samen met de belijdenis van zonde (Lev. 5:5), wanneer iemand verontreinigd raakt; en zelfs dat het systeem zelf geen finaal antwoord vormt, aangezien iemand voortdurend onder een ander taboe valt en moet terugkeren om offers te brengen die voorheen ook al werden gebracht.

Je begint je af te vragen of er ooit een finaal offer voor zonden zou komen. Maar dat ligt nog een eind verder weg. Hier in Leviticus 5 verblijden christen lezers zich als ze merken dat, terwijl God zijn verbondsvolk opvoedt in het elementaire religieuze denken, Hij middelen voorziet opdat zelfs de armste in de maatschappij zijn reinheid zou kunnen terugkrijgen.

De persoon die zich geen offerlam kan veroorloven mag een koppel duiven brengen; de persoon die zich ook deze niet kan veroorloven mag een kleine hoeveelheid meel brengen.

De lessen gaan verder; altijd is er hoop en een weg om te ontkomen aan de straf die rebellie oproept.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 april uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 15 december 2013

Mp3 lezing: 'De gelovige in de gemeente' door Raymond Hausoul

Afgelopen vrijdag (13 december 2013) gaf Raymond Hausoul in CC De Steiger in Menen een lezing in de reeks 'Geloven in de 21e eeuw'.
De lezing kreeg als titel mee 'De gelovige in de gemeente'.

Dit is de mp3 van de lezing 'De gelovige in de gemeente' door Raymond Hausoul.

Na de lezing leerde Claude Van Maelsaeke nog een nieuw liedje aan: 'Zou voor de Heer iets te wonderlijk zijn'.
Ik geef de mp3-file hierbij ook mee, hoewel het gaat om de 'niet-geautoriseerde versie': Claude gaf immers nadien nog aan dat hij een fout gemaakt had in de akkoorden. Op de School met de Bijbel 'De Ark' in Kortrijk wordt binnenkort wel de juiste versie aangeleerd ...




maandag 28 oktober 2013

Ga heen, neem u een ontuchtige vrouw en kinderen uit een ontuchtige geboren (Hos. 1)


2 Koningen 9; 1 Timotheüs 6; Hosea 1; Psalm 119:73-96
Het eerste vers van Hosea 1 stelt dat deze profetie tijdens de achtste eeuw kwam, waarin ook de profeten Jona en Amos leefden (voornamelijk, zoals Hosea, in het noordelijke koninkrijk van Israël) en Micha en Jesaja (in Juda in het zuiden). Vroeg in deze eeuw ging het op materieel vlak behoorlijk goed, maar beiden verzonken in decadentie en morele en godsdienstige onverschilligheid.

Terwijl Hosea in de canon onmiddellijk achter Daniël komt, heeft het boek dus betrekking op een periode van eeuwen daarvoor. Niettemin is de canonieke associatie leerzaam. Indien Daniëls profetie voortdurend een God onthult die soeverein heerst, onthult Hosea een God die diep bewogen is met zijn wispelturige volk.

We moeten beide portretten van God koesteren – God de transcendente soeverein, God de bewogen persoon – willen we trouw zijn aan wat de Bijbel over Hem zegt.
Wanneer de Heer voor het eerst tot Hosea spreekt, is zijn taal vernietigend. De NIV is (net als de NBG) te braaf; de HSV is (net als in het Engels de Jerusalem Bible) dichter bij het Hebreeuws: ‘Ga! Neem voor u een vrouw van de hoererijen en kinderen van de hoererijen, want het land wendt zich in schandelijke hoererij van de HEERE af’ (1:2, HSV – De Jerusalem Bible geeft nog meer aan dat het land zelf als een hoer geworden is door de HEERE te verlaten, JL). Dus huwt Hosea met Gomer.

Op het eerste gezicht was zij een hoer toen hij met haar trouwde, en keert ze snel terug naar haar onverantwoorde wegen.

Anderzijds is het ook mogelijk dat het bevel van de Heer al vooruitgrijpt naar wat ze wordt, en dat Gomer dus geen hoer was toen Hosea met haar trouwde.

Los van haar achtergrond maken de volgende hoofdstukken duidelijk wat ze werd. Haar kinderen trekken de aandacht in dit hoofdstuk. Jizreël is een naam die we kunnen verbinden met een specifieke betekenis (vgl. 2:23), maar bovenal was het de naam van een dorp waar het huis van Jehu eertijds zoveel mensen afslachtte.

Het is alsof je een kind Tsjernobyl noemt of Hiroshima of Soweto: iedereen kent de verbanden. De Jehu-slachting vond ongeveer een eeuw eerder plaats, maar het volk was er nog altijd verantwoordelijk voor, want het verwierp het geweld nooit.

Gomer baarde dus minstens deze zoon aan Hosea (zij ‘baarde hem een zoon’, cursief toegevoegd). Dit wordt niet gezegd over de volgende twee kinderen: wellicht was Hosea niet de vader. De eerste wordt genoemd ‘Niet geliefd’ of ‘niet beweend’; de tweede wordt genoemd ‘niet mijn volk’. De lessen zijn expliciet: God zal Israël niet langer liefhebben of bewenen, en Hij zal verklaren: ‘gij zijt mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn’ (1:9).

God zal Israëls boog breken (d.w.z. haar gewapende troepen breken) in het dal van Jizreël (1:5). Historisch gezien vond dit plaats in 733, iets meer dan een decennium voor Israël finaal werd verslagen; Assyrië trok binnen en naam haar verdedigingsgordel weg (2 Kon. 15:29).

Wonderlijk genoeg, ondanks deze drie verpletterende godsspraken, eindigt het hoofdstuk met verbazingwekkende hoop (1:10-11). Dit vertelt ons welke kant dit boek opgaat – zowel dit boek Hosea als deze Bijbel.


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 oktober uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 27 augustus 2013

De HERE heeft zijn grimmigheid uitgevierd, uitgegoten zijn brandende toorn (Kl. 4)


1 Samuël 19; 1 Korintiërs 1; Klaagliederen 4; Psalm 35
De vierde treurzang (Klaagliederen 4) roept opnieuw verschillende mentale beelden op om het lijden van de finale belegering van Jeruzalem en omstreken voor te stellen. Het legt ook een aantal van de redenen uit voor het opgelegde oordeel, en eindigt met een glimp van hoop.

Het begin van de treurzang vergelijkt het volk van Jeruzalem met goud dat zijn glans verloren heeft (4:1). Zoals goud begonnen ze kostbaar, maar nu worden ze behandeld als de goedkoopste aarden kruiken (4:2).

Onder de omstandigheden van de belegering en de wegvoering, wordt voedsel zodanig schaars dat moeders hun kinderen niet langer kunnen zogen; zelfs de jongen van jakhalzen worden beter behandeld (4:3-4).

Spreekwoordelijk voor zijn zonde, werd Sodom in een snelle Holocaust vernietigd, ‘als in een oogwenk’ (4:6). Maar de straf van het volk van de dichter is groter dan die van Sodom (4:6; merk op dat de Nederlandstalige Bijbelvertalingen spreken over grotere ‘ongerechtigheid’ of ‘wandaden’ dan Sodom, JL); oorlogsvoering via belegering is een ellendige, slepende zaak, en de ballingschap die volgt gaat in die lijn verder.

De theologische veronderstelling is natuurlijk dat er een gradatie van schuld is: degenen met de meeste kennis van Gods wegen hebben het minst excuus, en zo kunnen ze zich aan het zwaarste oordeel verwachten (bijv. Mt. 11:20-24).

Wat de edelen betreft, die zijn al even uitgemergeld, vernederd, en vuil als de rest, en dus niet te onderscheiden van de overigen (4:8-9) – wat een andere manier is om te zeggen dat het leiderschap van de kleine natie vernietigd is. Ze zijn zo vuil, dat ze fysiek en ceremonieel onrein zijn, zoals melaatsen die hun bestaan moeten uitzitten waar niemand contact met hen wil (4:14-15).

‘De gezalfde des HEREN’ - hier een verwijzing naar Zedekia – blijkt van geen nut. ‘Hij, van wie wij dachten: in zijn schaduw zullen wij leven onder de volkeren’ (4:20) – dit is, gerust in de wetenschap dat hij in de Davidische lijn lag, de gezalfde van de Heer.

Maar zoals de Heer de stad en de tempel verwoest heeft, zo heeft Hij ook de Davidische afstammelingen van de troon verwijderd. Waarom deed de Heer dit? ‘Het is om de zonden harer profeten, de ongerechtigheden harer priesters’ (4:13).

Niet dat de schrijver suggereert dat zij de enige zondaars waren. Maar de godsdienstige leiders hadden het meest moeten doen om het volk in verbondstrouw te bewaren, maar in plaats daarvan leidden ze het volk in corruptie en ontrouw. Omwille van hun eigen posities hebben ze de nationale neergang geen halt toegeroepen, maar integendeel aangestookt en verhaast. Waar geldt dit vandaag?

Het verhaal eindigt hier niet. In spottende hoon zegt de schrijver aan de naburige heidenen dat ze zich al even goed mogen verheugen in dat ogenblik, want hun beurt komt nog. Gods recht wordt evenzeer aan hen opgelegd als aan Israël – en op een dag zal het verbondsvolk, hoewel nu verdrukt, elk spoor van de ballingschap achter zich laten (4:21-22). De Gezalfde des Heren zal hen rust geven.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 26 augustus 2013

Het zijn de gunstbewijzen des HEREN, dat wij niet omgekomen zijn (Kl. 3)

1 Samuël 18; Romeinen 16; Klaagliederen 3; Psalm 34
Het is moeilijk beslissen of het eerste deel van Klaagliederen 3 de ervaring van een individueel persoon beschrijft (mogelijk Jeremia), of als die persoon een figuur is die het hele volk vertegenwoordigt nu het een catastrofale nederlaag, armoede en ballingschap opgelegd kreeg.

Diverse zinnen pleiten in het voordeel van de eerste visie (bijv. 3:14, waar de persoon een belaching is geworden ‘voor heel mijn volk’, eerder dan voor de omringende volken).

Het boek in zijn geheel en de meervoudsvorm ‘we’, die in het grootste deel van de tweede helft van dit hoofdstuk domineert, pleiten licht in het voordeel van de tweede visie.

Maar belangrijker dan deze kwestie te kunnen beslissen is de treffende manier waarop hoop of vertrouwen uitbreken onder de meest schrijnende problemen. Het eerste voorbeeld vinden we in 3:22-27. Ondanks de vreselijke verwoesting zegt de schrijver, ‘ Het zijn de gunstbewijzen des HEREN, dat wij niet omgekomen zijn, want zijn barmhartigheden houden niet op’ (3:22).

Hun zonden verdienen meer oordeel dan ze krijgen. Ze hadden kunnen uitgeroeid worden. Slechts de barmhartigheid van de Here voorkwam dat dit gebeurde. Hoe groot ook hun lijden, het feit dat ze nog altijd bestaan getuigt van de genade van de Heer jegens hen. Gods gunstbewijzen vernieuwen zich in onze ervaring elke dag (3:23).

Bovendien zullen de getrouwen zeker benadrukken dat hetgeen ze het meest willen niet de zegeningen van de Heer zijn, maar de Heer zelf: ‘Mijn ziel zegt: Mijn deel is de HERE, daarom zal ik op Hem hopen’ (3:24).

Dit is een moreel standpunt: het wijst op het einde van de zelfgenoegzaamheid en zelfgerichtheid die dacht dat ze God met de nek kon aankijken. Voor deze schrijver bereikt de tuchtiging het gewenste effect: het drijft mensen terug naar God.

Het tweede blok van hoop is een terugblik op de voorafgaande manieren waarop de Heer al geantwoord heeft (3:55-57), en dat dan een pleidooi vormt voor rechtvaardiging (3:58-64).

De uitgesproken eenvoud van de eerste van deze twee gedeeltes is bijzonder aansprekend, het voorrecht van veel gelovigen die door donkere wateren gingen: Ik roep uw naam aan, o HERE, uit het onderste van de put. Gij hoort mijn stem: verberg uw oor niet voor mijn zuchten, mijn hulpgeschrei. Gij zijt nabij ten dage, dat ik U aanroep, Gij zegt: Vrees niet’ (3:55-57).

Het gebed voor rechtvaardiging dat volgt (3:58-64) mag niet herleid worden tot bittere wraakzucht. Als God rechtvaardig is, dan moet Hij, op dezelfde manier als Hij zijn eigen verbondsvolk getuchtigd heeft, recht spreken over hen die wreed anderen aanvielen – zelfs al gaat het dan om die aanval die God voorzienig gebruikte om zijn eigen volk te tuchtigen. God benadrukt elders hetzelfde punt (bijv. Jes. 10:5 e.v.).


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 23 augustus 2013

De HEER was zo woedend op Jeruzalem en Juda dat hij ze uiteindelijk verstootte (Jer. 52)

1 Samuël 15; Romeinen 13; Jeremia 52; Psalm 31
Het historische aanhangsel aan de profetie van Jeremia (Jer. 52) zorgt voor een ‘wending’ aan het boek in zijn geheel. Zonder die bijlage zouden bepaalde punten in de lucht blijven hangen – dit wil zeggen, ze zouden nog altijd wel in de hoofdtekst van het boek staan, maar ze zouden niet zo krachtig benadrukt worden als nu met deze appendix om ze uit te werken.

Ten eerste kan het nuttig zijn notities te vermelden bij diverse van de historische details van dit verslag. Het is eerder verrassend dat er geen melding wordt gemaakt van Nebukadnessars instructies voor de bescherming van Jeremia. Maar in feite gaat de interesse naar de grote historische beweging, niet naar Jeremia’s persoonlijke omstandigheden.

Enkele van de details vervolledigen het historische verslag dat we vinden in 2 Koningen 25. Twee Koningen vermeldt bijvoorbeeld Zedekia’s gevangenschap niet (Jer. 52:11). De opperpriester Seraja (52:24), een van de leiders die om het leven werden gebracht, was de kleinzoon van Chilkia, de hogepriester onder Josia, die qua afstamming voortkomt uit Aäron (vgl. 1 Kron. 6:13-15).

Het verslag van de aantallen die werden weggevoerd (52:28-30) is veel lager dan de cijfers die we krijgen in 2 Koningen 24. Mogelijk weerspiegelen de cijfers in Koningen het totaal, terwijl de cijfers hier verwijzen naar volwassen mannen of volwassen mannen van een bepaalde rang.

De verschillen qua data tussen 2 Koningen 25:8 en Jeremia 52 weerspiegelen respectievelijk de Judese en de Babylonische methode om regeringsjaren te rekenen. Nebukadnessars zoon, Ewil-Merodak (52:31 – Amel-Marduk in Babylonische bronnen) regeerde slechts één jaar (561-560 v.C.). Babylonische verslagen bevestigen dat Jojakin zich onder hen bevond die de vrijgevigheid van deze heerser genoten.

Ten tweede moeten we de theologische effecten van het lezen van dit hoofdstuk aan het eind van het boek nog aanstippen. Twee elementen springen in het oog.

(a) De historische details herinneren de lezer eraan dat alles wat Jeremia predikte ook werkelijk in vervulling ging. Omdat Jeremia niet genoemd wordt, is de indruk zelfs nog sterker: alles wat God zei te zullen doen, deed Hij.

De zonde van het volk was aanhoudend, onboetvaardig, bijtend en pervers. In plaats van het volk gevoeliger te maken, bewerkte de aankondiging van het oordeel, dat God in genade uitstelde en uitstelde, eerder hardheid van hart. Maar het beloofde oordeel kwam er uiteindelijk toch. Je wordt herinnerd aan de redenering in 2 Petrus 3.

(b) De slotverzen van het hoofdstuk beschrijven hoe de legitieme Davidische koning uiteindelijk bevrijd werd uit zijn gevangenschap en met eer behandeld werd tijdens de slotjaren van zijn leven.

Natuurlijk keerde hij nooit terug naar Jeruzalem of naar een ander deel van het land Israël. Maar het kan niet anders of de aandachtige lezer staat stil bij het feit dat het boek finaal niet eindigt in oordeel. Er is nog altijd de fluistering van hoop. God is nog niet klaar met het Davidisch koningshuis. Aan de horizon bespeuren we de eerste voorafschaduwing van de beloften van de profetie van Jeremia.


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 20 augustus 2013

Wacht op de HERE, wees sterk (Ps. 27)


1 Samuël 12; Romeinen 10; Jeremia 49; Psalmen 26-27
Psalm 27 heeft een aantal thema’s gemeen met zijn naaste buren (Ps. 26 en 28) maar is uitbundiger dan die beide.

(1) De Here is mijn licht (27:1-3). Licht is een tot de verbeelding sprekend beeld voor bijna al het goede: waarheid, kennis, blijdschap, morele zuiverheid, openbaring, en meer. Hier is het woord gelinkt aan ‘heil’ en ‘veste’(27:1); licht is verbonden met veiligheid. David staat tegenover vijanden die hem aanvallen als een troep wolven, maar als de Here zijn licht en heil is, zal David niet vrezen. Hoe zou een God die zo soeverein is, zo goed, zo zelfonthullend, zo heerlijk, niet altijd onze zekerheid zijn?

(2) De Here is mijn heiligdom (27:4-6) – in de dubbele betekenis dat het woord heeft in het Engels (‘sanctuary’ betekent zowel ‘heiligdom’ als ‘toevluchtsoord’). Aan de ene kant gaat het thema van de eerste drie verzen verder: God is Davids heiligdom in de zin dat Hij Davids bescherming is, zijn burcht: ‘Want Hij bergt mij in zijn hut ten dage des kwaads, Hij verbergt mij in het verborgene van zijn tent’ (27:5).

Maar aan de andere kant betekent dit ‘heiligdom’ oneindig veel meer dan louter politieke veiligheid: ‘Eén ding heb ik van de HERE gevraagd, dit zoek ik: te verblijven in het huis des HEREN al de dagen van mijn leven’ (27:4). Dit wil niet zeggen dat David een geheim, onmogelijk verlangen koestert om Leviet te worden. Eerder heeft hij een diepgaande passie om zijn leven te leven in de tegenwoordigheid van de levende God. Dit is de positie van veiligheid.

(3) De Here is mijn richting (27:7-12). David beschouwt zijn relatie met God niet als iets statisch, maar als zijn levenslange streven. Bovendien verstaat hij dat dit streven hem tegelijk vormt. Als hij Gods aangezicht zoekt zoals hij hoort te doen (27:8), als hij smeekt om genade zodat God ontfermend met hem zal omgaan en niet in toorn (27:9-10), dan zal hij ook Gods wegen leren en een effen pad bewandelen (27:11).

Dit kan niet te sterk of te vaak gezegd worden: te beweren dat iemand God zoekt zonder dat dit gepaard gaat met levensverandering en toenemende conformiteit aan de wegen van God, is verdorven en gevaarlijke onzin.

(4) De Here is mijn hoop (27:13-14). Hoe waar het ook is dat God de burcht is van de gelovige, in deze gebroken en gevallen wereld zijn er momenten waarop het niet zo voelt. De waarheid is dat Gods tijdschema zelden hetzelfde is als het onze. Vaak verlangt Hij dat we geduldig op Hem wachten: zijn timing is volmaakt. De rechtvaardiging van zijn volk vindt vaak plaats in de geschiedenis (27:13), maar zelden zo snel als we dat willen; niettemin is zijn ultieme rechtvaardiging onbetaalbaar: ‘Wacht op de HERE, wees sterk, uw hart zij onversaagd; ja wacht op de HERE’ (27:14).


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 augustus uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 28 juni 2013

De HERE zal u tot een eeuwig licht zijn en de dagen van uw rouw zullen ten einde wezen (Jes. 60)


Deuteronomium 33-34; Psalm 119:145-176; Jesaja 60; Matteüs 8
Is Jesaja 59 buitengewoon somber, dan is Jesaja 60 een uitbarsting van heerlijkheid. Hier keert Sion terug – niet het Jeruzalem dat de terugkerende ballingen geleidelijk heropbouwen, maar het ultieme Sion, het koninkrijk van God dat op aarde komt. Dat veel van de symboliek nog altijd afkomstig is van de historische stad, is geen verrassing. Maar het gezicht overstijgt elke louter aardse hoop.

Als bewijs merken we op dat er niet langer een zon of maan nodig is, ‘maar de HERE zal u tot een eeuwig licht zijn en uw God tot uw luister’ (60:19; vgl. Opb. 21:23). Hier staat de soevereine Heer zelf op, oneindig veel heerlijker dan welke aardse zonsopgang ook: ‘Sta op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des HEREN gaat over u op’ (60:1).

Het voorgaande hoofdstuk stelt de diepe nood vast van het volk, het zuivere bewijs dat zij zichzelf niet echt kunnen veranderen. Dit hoofdstuk pikt de draad op bij dit donkere beeld en introduceert de enige mogelijke oplossing: ‘Want zie, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën, maar over u zal de HERE opgaan en zijn heerlijkheid zal over u gezien worden. Volken zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang’ (60:2-3).

Drie verdere opmerkingen:

(1) Dit Sion is een thuis voor natiën en vreemdelingen en koningen, voor ‘kustlanden’ (een manier om te verwijzen naar mensen die ver weg wonen), tot mensen uit landen die niets te maken hebben met het beloofde land (60:3, 9-10, 14).

Heidenen zullen zich voegen bij de Joden in dit koninkrijk, terwijl ze de trouwe Israëlieten eren die voor hen tot Sion behoorden. Het licht gaat op in Jeruzalem en verspreidt zich naar alle natiën.

(2) Al wie deze heerlijkheid weigeren staat oordeel te wachten: ‘Want het volk en het koninkrijk, die u niet willen dienen, zullen te gronde gaan, en die volken zullen zeker verwoest worden’ (60:12). De tekst biedt niet de hoop dat het uiteindelijke Sion iedereen zonder uitzondering verwelkomt; eerder verwelkomt het iedereen zonder onderscheid, mits zij ‘De stad des HEREN, het Sion van de Heilige Israëls’ (60:14) verwelkomen.

(3) Bovenal is er een blijvend heerlijk vooruitzicht van wat dit koninkrijk brengt. ‘Ik zal vrede tot uw overheid maken en gerechtigheid tot uw heerseres’, zegt God. ‘Van geen geweld zal in uw land meer gehoord worden (…) en gij zult uw muren Heil noemen en uw poorten Lof’ (60:17-19, cursief toegevoegd).

Volg de tijdsaanduidingen: de zon zal je licht niet meer zijn, de Heer zal je eeuwige licht zijn; je zon zal nooit meer opgaan; je dagen van rouw zullen eindigen; het volk zal het land voor eeuwig bezitten (60:19-21). De cycli van opstand en bekering zullen eindigen; de cycli van zegen en vloek zullen niet meer zijn. ‘Ik, de HERE, zal het te zijner tijd met haast volvoeren’ (60:22).

Ook dan, Kom, Heer Jezus.


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 juni uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 25 mei 2013

Vertrouwt op de HERE voor immer, want de HERE HERE is een eeuwige rots (Jes. 26)


Numeri 34; Psalm 78:40-72; Jesaja 26; 1 Johannes 4
In zijn loflied bejubelt Jesaja de aanstaande triomf van de Heer en toont hij wat het betekent te wachten tot Hij handelt (Jesaja 26). De openingsverzen bieden anticiperende lof (26:1-6), geofferd aan de God die het ultieme Jeruzalem tot de veste van veiligheid maakt (26:2) en de zin in vrede bewaart van iedereen binnen haar muren – iedereen die vertrouwt op de levende God (26:3-4).

Het grootste deel van het hoofdstuk is gewijd aan overdenkingen van wat het betekent te wachten op de ultieme triomf (26:7-21). ‘Ook in de weg uwer gerichten hebben wij U verwacht, o HERE’, schrijft Jesaja, ‘naar uw naam en naar uw gedachtenis ging ons zielsverlangen uit’ (26:8).

Maar terwijl de rechtvaardigen verlangen naar de levende God (26:9a), is de schokkende werkelijkheid dat de mensen die Hem niet kennen nooit iets leren van de genade die God hen betoont (26:9b-10). En zo roept het volk van God naar God opdat Hij zou komen en zijn gerechtigheid zou opleggen (26:11) – nadrukkelijk zoals in Openbaring 6:10.

Ondertussen leeft het getrouwe overblijfsel met ambiguïteit en teleurstelling (26:12-18). Afgoderij tiert welig in het land waarin de levende God vrede beschikte (26:12-13). Het overblijfsel blijft trouw terwijl de maatschappij wel bezwijkt (26:13).

Wat in de daaropvolgende verzen beschreven wordt is bijna het cyclische patroon van Israëls geschiedenis. God beantwoordt de ontrouw met oordeel. Na verloop van tijd keert Hij terug met genade, vergroot Hij de natie, en breidt Hij zijn eigen heerlijkheid uit.

En toch, na al die feiten, wat is het resultaat? De natie is als een vrouw die ineenkrimpt onder de pijnen van een geboorte – en wanneer ze uiteindelijk baart, is het enige wat ze voortbracht wind (26:18). ‘Wij brachten het land geen verlossing aan en wereldbewoners werden niet geboren’ (26:18).

Waar is de grote hoop die verbonden is met Israëls identiteit, met de belofte aan de aartsvaders dat in het zaad van Israël alle geslachten van de aarde gezegend zouden worden (Gen. 12)?

Maar het hoofdstuk eindigt met hoop. Er is zelfs hoop voor hen die gestorven zijn gedurende de lastige cycli van frustratie, falen, futiliteit en oordeel: ze wachtten of stierven niet nodeloos, want ze zullen uit de doden opstaan en delen in de vreugde van de overwinning (26:19) – een belofte van leven waar je al een glimp van opvangt in 25:8, die getoond wordt in de opstanding van Jezus, en uiteindelijk vervuld wordt op het einde (1 Kor. 15; 1 Thess. 4:13-18).

Ondertussen moeten zij die nog steeds in leven zijn geduldig wachten tot de gramschap van God voorbijkomt (26:20-21). Duidelijker dan Jesaja weten wij dat ‘de lichte last der verdrukking van een ogenblik (…) voor ons een alles verre te boven gaand eeuwig gewicht van heerlijkheid’ bewerkt (2 Kor. 4:17-18; vgl. Rom. 8:18).


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 8 mei 2013

Wee mij, ik ga ten onder (Jes. 6)


Numeri 16; Psalmen 52-54; Jesaja 6; Hebreeën 13

Vermoedelijk vond Jesaja’s visioen van God en zijn roeping (Jes. 6) plaats aan het begin van zijn bediening, maar het wordt pas hier weergegeven omwille van thematische redenen. Na de reeks waarin telkens ‘wee’ uitgesproken wordt over het volk, spreekt Jesaja ook een wee uit over zichzelf (6:5), wat toont dat zijn standpunt als profeet er nooit een was van eigengerechtigheid.

Bovendien is de volgorde van zijn eigen roeping – God zien (6:1-4), diep bewustzijn en belijdenis van zonde (6:5), reiniging (6:6-7) en opdracht (6:8-13) – precies de volgorde van wat Israël moet doormaken willen zij terugkeren tot hun eigen rol als dienstknecht van de levende God. Het is de volgorde die ook wij moeten volgen.

Bovendien worden ook diverse elementen uit de roeping van Jesaja terug opgepikt in de daaropvolgende hoofdstukken (zoals we zullen zien), wat de positie van zijn verslag van het gezicht dat hij van God kreeg zeer strategisch maakt.

Een paar opmerkingen:

(1) Het was wanneer Koning Uzzia stierf dat Jesaja de Heer zag zitten op een troon – alsof de aardse koning moest sterven vooraleer Jesaja de grootsheid van de goddelijke Koning kon beginnen vatten.

(2) De serafs, een hogere orde van engelenwezens, verhogen de troon door hun adoratie en lof. God is de ‘driemaal heilige’ God. In zijn kerngebruik, is ‘heilig’ bijna een adjectief van God, en het omvat zowel zijn transcendentie als zijn gerechtigheid (5:16).

(3) Wanneer de eindige, de onreine en de sterfelijke in contact komen met de oneindige, de reine en de onsterfelijke, moet er, hoort er een diep bewustzijn te zijn van ontoereikendheid. God beginnen zien is ook beginnen zien hoe vreselijk en hopeloos onze toestand is. De heiligheid van God brengt onze opstandige en zondige natuur aan het licht op een manier dat onderlinge vergelijkingen onder de leden van het opstandige volk altijd onmogelijk zijn. Hier veroordeelt Jesaja zichzelf, want in de tegenwoordigheid van God lijken verschillende gradaties van zonde nutteloos.

(4) Alleen de reiniging waarin het door God zelf voorgeschreven altaar voorziet, kan volstaan om Jesaja’s zonde weg te nemen.

(5) Voor het eerst in dit gezicht spreekt God, en Hij zoekt vrijwilligers (op zichzelf al een welwillende daad van genade). Wanneer Jesaja antwoordt, is dit minder de kreet van de held dan de smeekbede van de begenadigde. Het is alsof hij smeekt, ‘Hier! Alstublieft! Zou ik in aanmerking komen? Is er een manier waarop ik kan helpen? Wilt u mij alstublieft gebruiken?’

(6) De inhoud van de opdracht die Jesaja krijgt is blijven prediken tot het onherroepelijke oordeel valt. Er is geen vooruitzicht van herleving. Het is te laat. De prediking zal slechts dienen om het volk te verharden. De enige hint naar hoop – een hint die krachtig verder ontwikkeld wordt in het boek (11:1) – is dat er uit de tronk van de vernietigde natie nieuw leven zal voortspruiten, en doorheen dit overblijfsel het beloofde zaad (6:13b).


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 6 mei 2013

De Here neemt steun en stut weg (Jes. 3-4)


Numeri 14; Psalm 50; Jesaja 3-4; Hebreeën 11
Het grootste deel van Jesaja 3-4 is gewijd aan specifiek oordeel, in een soort van ABB’A’-constructie, die gevolgd wordt door glorierijke hoop voor de toekomst (4:2-6).

In het hart van de veroordeling is de Heer als Rechter, die ‘de oudsten en vorsten (lett. ‘prinsen’) van zijn volk’ aanklaagt (3:13-15). Koninklijke familie en lokale leiders (‘oudsten’) zijn op gelijke wijze vervallen tot corruptie en verdrukking.

Maar de twee daaropvolgende verzen veroordelen even goed de ‘dochters van Sion’ (3:16-17). De mannen worden in de eerste plaats veroordeeld voor verdrukking, de vrouwen voor hun ijdelheid en praalzucht.

Deze verzen worden omsloten door twee langere gedeeltes die duidelijk maken waarvoor de mannen veroordeeld worden (3:1-12) en hoe het oordeel over de vrouwen zal zijn (3:18—4:1).

God zal omsingeling en honger over het volk brengen (3:1), die zullen resulteren in de eliminatie van leiders van de gemeenschap, ofwel door deportatie of door dood (3:2-3). De volledige gemeenschap zal ineenstorten, met als belangrijk kenmerk een wanhopig verlangen om bijna gelijk wie als leider aan te duiden (3:5).

Dit gezicht werd letterlijk vervuld anderhalve eeuw later (2 Kon. 25:1-12), maar er waren voorafschaduwingen tijdens Jesaja’s leven van hoe dit oordeel zou zijn: wat Assyrië begon (Jes. 39:5-7), werd voltooid door Babylonië. Want de cultuur was grotendeels corrupt (3:8-11), wat zijn oorzaak vond in het leiderschap, dat al even zwak was als onderdrukkend (3:12).

De belegering zal ook niet vriendelijk zijn voor de pronkzuchtige vrouwen (3:18—4:1). Al hun opsmuk zal weggerukt worden (3:18-23). In plaats van de aangename geuren waaraan ze zoveel geld gespendeerd hebben, zal er stank zijn. Er zal ziekte zijn (3:17a), seksueel misbruik (3:17b – de NBG heeft het over ‘de schaamte ontbloten’, RSV gebruikt ‘the Lord will lay bare their secret parts’, m.a.w. zal hun geheime delen ontbloten), d.w.z. hen onderwerpen aan de seksuele aanslagen die zo gebruikelijk zijn in oorlogstijd), en verlies (3:25).

Sommigen zullen zich finaal zelfs voor gelijk welke beschikbare man werpen in de hoop op een toevlucht en een thuis (4:1) – maar de slachtpartij onder de mannen zal zodanig vreselijk zijn dat er niet genoeg mannen zullen zijn voor iedereen.

In de profetie van het Oude Testament is er vaak een ‘verkorting’ van gezichten van de toekomst die heen en weer springen tussen de nabije toekomst en iets dat veel verder weg ligt. Indien de dag des Heren een schrikwekkend oordeel brengt (3:6—4:1), dan brengt het ook heerlijkheid (4:2-6).

Later zal ‘spruit’ (4:2) duidelijk een manier zijn om te verwijzen naar de Messias (11:1; 53:2; vgl. Jer. 23:5; 33:15; Zach. 3:8; 6:12), maar hier lijkt het te verwijzen naar het volk en de plannen van God in heerlijke vruchtbaarheid.

In taal die beelden oproept van de Exodus, belooft God het vuil van zijn volk af te wassen en zijn heerlijkheid te vertonen als een beschermend schild over hen (4:4-6).


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 mei uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 8 april 2013

De Paulinische triade: geloof, hoop en liefde (1 Thes. 5)


Leviticus 11-12; Psalmen 13-14; Spreuken 26; 1 Thessalonicenzen 5
Geloof, hoop en liefde worden vaak de Paulinische triade genoemd. Ze duiken steeds opnieuw op in de briefwisseling van Paulus, in diverse combinaties en gedachtestructuren. Ongetwijfeld is de bekendste passage 1 Korinthiërs 13:13: ‘Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde’.

Het zou kunnen dat de reden dat liefde de grootste van deze drie christelijke hoofddeugden is, in het feit ligt dat het de enige is die God zelf ook vertoont. Elders zegt de Bijbel dat God liefde is (1 Joh. 4:8); maar er staat nooit dat God geloof is of dat God hoop is.

In de brief die we voor onze aandacht hebben, duikt de Paulinische triade voor het eerst op in hoofdstuk 1: ‘onophoudelijk gedachtig aan het werk uws geloofs, de inspanning uwer liefde en de volharding uwer hoop op onze Here Jezus Christus voor het oog van onze God en Vader’ (1:3).

Soms zijn slechts twee elementen van de triade aanwezig: bijv. ‘Wij behoren God te allen tijde om u te danken, broeders, zoals gepast is, omdat uw geloof zeer toeneemt en uw aller liefde jegens elkander sterker wordt ‘ (2 Thess. 1:3).

Soms zijn de drie op bijzondere manieren met elkaar verbonden: ‘Wij danken God, de Vader van onze Here Jezus [Christus], te allen tijde bij ons bidden voor u, daar wij gehoord hebben van uw geloof in Christus Jezus en van de liefde, die gij al de heiligen toedraagt, om de hoop, die voor u is weggelegd in de hemelen. Daarvan hebt gij tevoren gehoord in de prediking der waarheid, het evangelie, dat tot u gekomen is’ (Kol. 1:3-6).

Hoewel liefde dan de ‘grootste’ van de drie is, is hoop in deze passage de basis of zelfs de motivatie voor geloof en liefde – hoewel die schikking verre van onveranderlijk is (bijv. Ef. 1:15, 18). Verschijnt de Paulinische triade aan het begin van 1 Thessalonicenzen, zo komt ze op het einde terug: ‘maar laten wij, die de dag toebehoren, nuchter zijn, toegerust met het harnas van geloof en liefde en met de helm van de hoop der zaligheid’ (1 Thess. 5:8, cursief toegevoegd).

Die variaties suggereren dat geloof, hoop en liefde voor Paulus of voor de vroege christenen geen cluster van afgesleten woorden vormden die altijd gebruikt werden in een wat saaie formule. Veeleer waren ze de karakteristieke christelijke deugden waarover ze nadachten en die ze nastreefden, zodat hun overwegingen en ervaring hen ertoe aanzetten om deze deugden op veel manieren te beschrijven.

Hier vinden we de metafoor van de wapenrusting van God, maar niet met de associaties die we vonden in Efeziërs 6:10-17 – het toont nog maar eens aan dat dit frisse en levendige manieren waren om te spreken, geen clichés waar alle kracht was uitgehold en alleen een geruststellende herhaling overbleef.


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 april uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 31 december 2012

'Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij' (Opb. 22)


2 Kronieken 36, Openbaring 22, Maleachi 4, Johannes 21
De eerste twee van onze bovenvermelde lezingen voor deze laatste dag van het jaar brengen hoop.

De eerste, 2 Kronieken 36, schetst de uiteindelijke val van Jeruzalem. De Babyloniërs maken de stad met de grond gelijk en de leidinggevende burgers worden tussen 1000 en 1300 kilometer van huis weggevoerd. Maar de slotverzen vergunnen een glimp van hoop. Babylon heeft niet het laatste woord. Decennia later neemt het Perzische rijk over en wordt het de supermacht in de regio, en koning Cyrus staat de terugkeer van de bannelingen naar Jeruzalem en de bouw van een nieuwe tempel toe.

Historisch gezien hanteerden de Perzen dit beleid voor alle volken die de Babyloniërs weggevoerd hadden: allemaal kregen ze toestemming naar huis terug te keren. Maar de kroniekschrijver ziet de toepassing van dit beleid voor Israël terecht als hoogste bewijs van de hand van God, en een nieuwe fase in de heilsgeschiedenis die de vervulling van al Gods beloften zou brengen.

De hoop die geschetst wordt in de tweede lezing, Openbaring 22, is van een hogere orde. De openingsverzen vervolledigen het gezicht van Openbaring 21. De zegen van de eindvervulling draait om zaken als deze: het water van het leven vloeit vrijelijk vanuit de troon van God en van het Lam; alle gevolgen van de vloek worden uitgewist; Gods volk zal voortdurend zijn aangezicht zien, dit betekent dat ze voor altijd in zijn tegenwoordigheid zullen zijn; er zijn geen cycli meer van nacht en dag – opnieuw is de les moreel, niet astronomisch, d.w.z.: er zullen geen cycli meer zijn van goed en kwaad, van licht en duisternis, want ieder zal leven in het licht van God.

Gezien de loutere goedheid en heerlijkheid van dit voortdurende gezicht vol symboliek van de vervulling en de triomf van de verlossing, wordt de rest van het hoofdstuk grotendeels gebruikt om de lezer te verzekeren van de volkomen betrouwbaarheid van dit gezicht, en daarom van het absolute belang te horen bij hen ‘die hun gewaden wassen, opdat zij recht mogen hebben op het geboomte des levens en door de poorten ingaan in de stad’ (22:14).

Ziehier dus de ultieme hoop, in die zin ultiem dat als iemand zich dit maal afkeert, er geen hoop meer is. Er is alleen een angstig uitzien naar de uiteindelijke toorn. We zijn nog zover niet, zegt de auteur, maar de climax is niet meer veraf, en wanneer die komt zal het te laat zijn.

De opgewekte en verheerlijkte Jezus, de wortel en het geslacht van David, de blinkende morgenster (22:16) verklaart plechtig: ‘Zie, Ik kom spoedig en mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden, naar dat zijn werk is. Ik ben de alfa en de omega, de eerste en de laatste, het begin en het einde’ (22:12-13).


Eigen vertaling van de overdenking bij 31 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 16 december 2012

'Daarna zag ik, en zie, een grote schare, die niemand tellen kon' (Opb. 7)



2 Kronieken 18, Openbaring 7, Zacharia 3, Johannes 6
Er zijn veel geschilpunten als het gaat over de uitleg van Openbaring 7. Wie zijn bijvoorbeeld de 144.000 (7:4)? Zijn ze dezelfde mensen als de grote menigte die niemand kon tellen (7:9), zoals in hoofdstuk 5 de Leeuw ook het Lam is? Wat of wanneer is de ‘grote verdrukking’ (7:14)? Is het een korte periode? En indien dit het geval is – in het jaar 70 n.C., of tegen het einde der tijden? Of is het een manier om te verwijzen naar de volledige periode tussen Jezus’ eerste en zijn tweede komst?

Maar hier zal ik mijn aandacht beperken tot drie elementen in Johannes’ beschrijving van de ‘grote schare die niemand tellen kon’.

Ten eerste komen zij voort ‘uit alle volk en stammen en natiën en talen’ (7:9). Er is zelfs geen vleugje van racisme hier. Dit thema blijft overigens opduiken in het boek. Bijvoorbeeld al in Openbaring 5:9 zingen de oudsten een nieuw lied voor het Lam: ‘Gij zijt waardig de boekrol te nemen en haar zegels te openen; want Gij zijt geslacht en Gij hebt (hen) voor God gekocht met uw bloed, uit elke stam en taal en volk en natie’.
Gods uiteindelijke gemeenschap is transnationaal, transtribaal, transraciaal en translinguïstisch (of overstijgt volken, stammen, rassen en talen).

In die zin grijpt Los Angeles beter vooruit op de hemel dan Tulsa, Oklahoma (omdat de bevolking er demografisch veel meer varieert. Je kunt het in België vergelijken met bijvoorbeeld Antwerpen of Brussel, tegenover een stad als Brugge, JL). Laat de kerk, gesterkt door Gods genade, nu al zo ruimhartig mogelijk uitleven wat ze op een dag zal zijn.

Ten tweede draait alles wat aan deze mensen belangrijk is om het werk van God, verwezenlijkt door het Lam – het draait kortom om het evangelie van God. Zo staan ze ‘voor de troon en voor het Lam’ (7:9); ze roepen ‘met luider stem en zeiden: De zaligheid is van onze God, die op de troon gezeten is, en van het Lam!’ (7:10).

Terwijl de engelen God aanbidden (7:11-12), wordt aan Johannes over deze mensen verteld: ‘zij hebben hun gewaden gewassen en die wit gemaakt in het bloed des Lams’ (7:14). Kortom, wat er ook nog allemaal aan andere zaken gevonden wordt in Openbaring, dit boek vloeit over van het evangelie.

Ten derde ligt het ultieme vooruitzicht voor de grote schare niet in dit leven. Zij zijn ‘voor de troon van God en zij vereren Hem dag en nacht in zijn tempel’ (7:15). Niets slechts zal hen ooit nog overkomen (7:16). ‘Want het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar waterbronnen des levens; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen’ (7:17).

Het boek Openbaring wakkert de vlam aan van moed en trouw in dit leven, zelfs in de klauwen van de meest venijnige tegenstand, door de meest heerlijke vooruitzichten voor te houden met betrekking tot het leven dat nog komt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 16 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 12 november 2012

De gevolgen van de zonde zijn verpletterend, maar nog gloort er hoop (2 Kon. 25)


2 Koningen 25, Hebreeën 7, Amos 1, Psalm 144
In dit laatste hoofdstuk van 2 Koningen (2 Koningen 25), dwaalt Jeruzalem richting schaamte en nederlaag. Maar er zit een wending aan het verhaal.

Het verslag zelf is duister. De interim-koning Sedekia was zwak en corrupt. Jeremia predikte onderdanigheid: God had verordend dat Juda op deze manier zou gestraft worden, en daarom moet het volk zich niet verzetten tegen Babylon. 1.100 kilometer verder predikte Ezechiël nagenoeg hetzelfde: hij benadrukte dat Juda en Jeruzalem veel slechter waren dan de meeste mensen dachten, en God had oordeel over hen beschikt.

Verscheidene jaren voor de uiteindelijke verwoesting voorspelde Ezechiël dat de heerlijkheid van God Jeruzalem zou verlaten en de stad vernietigd zou worden (Ez. 8-11) – een desastreus bericht voor de bannelingen, want voor hen betekende het dat er geen thuis meer was waar ze naar konden terugkeren, en ze hadden nauwelijks categorieën om te begrijpen wat het betekende om zo helemaal van God verlaten te worden.

Maar Sedekia kwam toch in opstand. De Babylonische vergelding was al even gewelddadig als onvermijdelijk. Tegen 588 v.C. stond het machtige Babylonische leger terug aan Jeruzalems poorten. De stad werd ingenomen in 587 v.C. Sedekia trachtte te ontkomen, maar werd gevangen genomen dichtbij Jericho en meegenomen naar Nebukadnessars hoofdkwartier in Ribla. Daar werden zijn zonen voor zijn ogen gedood – en dan werden hem de ogen uitgestoken. Het grootste deel van de stad werd verbrand en de muren werden steen voor steen neergehaald. Iedereen van enig gewicht werd meegevoerd naar Babylon.

Over de armen die in het land bleven om de wijngaarden te verzorgen stelde Nebukadnessar Gedalja aan als bestuurder. Hij maakte van Mispa zijn administratief centrum, aangezien Jeruzalem zo radicaal verwoest was. Niet meer dan zeven maanden later werd Gedalja vermoord door dwaze hardelijners van koninklijken bloede: blijkbaar waren ze beledigd dat een bestuurder was aangeduid van buiten de Davidische lijn. Uiteindelijk realiseerden ze zich wat ze gedaan hadden.

Omdat ze vergelding vreesden vanwege de Babyloniërs, vluchtte de resterende bevolking naar Egypte.

Mocht dit zijn hoe 2 Koningen eindigt, dan zouden de thema’s van gerechtigheid en oordeel gediend worden, maar de lezer zou achterblijven met de twijfel of er nog enige hoop restte voor de lijn van David en de vergaande messiaanse beloften die ermee verbonden waren.

Maar in feite eindigen de boeken met een wending in het verhaal. De paar laatste verzen (25:27-30) brengen rustig verslag uit van het feit dat Koning Jojakin in het zevenendertigste jaar van zijn ballingschap vrijgelaten werd uit zijn gevangenschap. Voor de rest van zijn leven werd in zijn levensonderhoud voorzien door de Babylonische staat: ‘hij mocht zijn gevangenisklederen afleggen’, en zolang hij leefde at hij geregeld aan de tafel van de koning.

Het verhaal van verlossing is nog niet afgelopen, de lijn van David nog niet uitgestorven. Midden de verpletterende zonde en het snijdende oordeel gloort nog steeds hoop.


Eigen vertaling van de overdenking bij 12 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 11 oktober 2012

Geloof en liefde door hoop (Kol. 1)



1 Koningen 14, Kolossenzen 1, Ezechiël 44, Psalmen 97-98
Soms wordt naar geloof, hoop en liefde samen verwezen als naar de Paulinische triade. Ze komen in de brieven van Paulus in verschillende combinaties voor. Soms duiken er maar twee van de drie op; soms alle drie.

Waarschijnlijk is het meest bekende vers met de Paulinische triade 1 Korinthiërs 13:13: ‘Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde’. Hier wordt geen relatie tussen de drie uitgedrukt. Paulus vertelt ons dat deze deugden – geloof, hoop en liefde (en die laatste noemt hij ‘een weg die dit alles nog overtreft’ (12:31b in de HSV; zie ook de overdenking van 8 september), eerder dan een ‘gave’) – alles ‘blijft’: wat hij volgens mij bedoelt is dat die alle blijven tot in eeuwigheid en daarom zelfs nu gevoed en nagestreefd moeten worden.

Maar de grootste van deze drie, benadrukt Paulus, is liefde. Waarom dit zo is, vertelt Paulus ons niet. Gebaseerd op wat het Nieuwe Testament elders zegt, mogen we wellicht aannemen dat de reden waarom liefde de grootste is, ligt in het feit dat het een eigenschap is van God. God legt geen geloof aan de dag; Hij ‘hoopt’ ook niet in de betekenis van verlangen naar de vervulling van iets dat door sommige andere dingen veroorzaakt wordt. Maar Hij heeft wel lief: 1 Johannes 4:8 vertelt ons zelfs dat God liefde ís; er is geen tekst die zegt dat Hij geloof of hoop is. Dus is de grootste van de drie liefde.

Hier in Kolossenzen 1:3-6 echter is de relatie tussen de drie elementen van de Paulinische triade helemaal anders. Paulus dankt God wanneer hij voor de Kolossenzen bidt. Hij zegt: ‘daar wij gehoord hebben van uw geloof in Christus Jezus en van de liefde, die gij al de heiligen toedraagt, om de hoop, die voor u is weggelegd in de hemelen. Daarvan hebt gij tevoren gehoord in de prediking der waarheid, het evangelie, dat tot u gekomen is’ (1:4-6). Sommige vertalingen hebben een wat geparafraseerde weergave, maar kunnen de betekenis toch goed vatten.

Merk op:

(1) Paulus heeft de gemeente van Kolosse niet gesticht. Maar nu hij over deze gelovigen gehoord heeft, bidt hij voortdurend voor hen, met dankzegging.

(2) Wat Paulus over deze gelovigen uit Kolosse gehoord heeft, is over hun geloof en liefde, allebei aantoonbare deugden. Als je geloof hebt in Jezus, en als je de gelovigen liefhebt, kan geen van de twee deugden verborgen blijven. Die deugden waren zo duidelijk aanwezig onder de Kolossers dat verslagen over hun geloof en liefde circuleerden tot bij Paulus. Is het ook zo dat verslagen over het geloof en de liefde van onze kerken wijdverbreid zijn?

(3) Paulus zegt dat dit geloof en die liefde voortkomen uit hoop, of zoals in de NBG-vertaling ‘om de hoop’ zijn, die voor hen is weggelegd (1:5). Leven met de eeuwigheid in zicht wekt geloof en brengt liefde voort.

(4) Deze hoop die aan de basis lag van hun geloof en liefde vindt op zijn beurt zijn oorsprong in het evangelie, het woord van de waarheid dat tot hen gepredikt werd (1:5-6).


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.