maandag 9 maart 2015

Gord nu als een man uw lendenen, dan wil Ik u ondervragen (Job 38)


Exodus 20; Lukas 23; Job 38; 2 Korinthiërs 8

Nu we het einde van het drama naderen, spreekt God voor het eerst rechtstreeks tot Job (Job 38); hij zal Job blijven aanspreken tot in hoofdstuk 41. Elders spreekt God tot Elia in een stille, zachte stem (1 Kon. 19); hier spreekt God tot Job uit een storm (38:1), want hij wil dat zelfs de vorm van zijn communicatie, of zijn locatie, de hoofdpunten staven die hij wil maken.

Gods eerste woorden zijn angstwekkend: ‘Wie is het toch, die het raadsbesluit verduistert met woorden zonder verstand? Gord nu als een man uw lendenen, dan wil Ik u ondervragen, opdat gij Mij onderricht’ (38:2-3).

Dit openingssalvo zou ertoe kunnen leiden dat de onoplettende lezer denkt dat Job degene is over wie God in de eerste plaats verbolgen is, en dat de drie ellendige vertroosters er eerder licht vanaf komen. Maar als een drama dat heen en weer balanceert tussen het ene en het andere perspectief, is dit boek nog niet ten einde.

Uiteindelijk vermeldt het openingshoofdstuk Gods waardering voor Job, en niets in deze hoofdstukken keert die waardering om.

Verder heb ik al de aandacht gevestigd op 42:7, waarin God zegt dat hij boos is op de drie vrienden (iets wat Hij nooit zegt over Job), omdat ze niet recht sprake over God (zoals Gods dienstknecht Job wel deed).

Gods schrikwekkende uitdaging aan Job in deze vier hoofdstukken moet gezien worden in het bredere kader van het boek, willen we de zin van het geheel kunnen ontdekken.

Job heeft herhaaldelijk gezegd dat hij God wil ondervragen. Nu zegt God dat Hij Job zal ondervragen (38:3). Maar de aard van de vloed aan retorische vragen die God in deze hoofdstukken opwerpt is absoluut niet het soort vragen dat Job wil beantwoorden. Job wil spreken over zijn eigen lijden, over de rechtvaardigheid ervan, over Gods rol in het gebieden van dergelijk lijden, en dergelijke meer.

Hij wil dit heel zeker doen omdat hij zijn terechte reputatie van integriteit en gerechtigheid wil behouden. Maar Gods vragen focussen op een veel groter plaatje. God vraagt eigenlijk: ‘Job, was jij aanwezig aan het begin van de schepping? Heb jij precieze kennis van de volledige wereld, dan nog niet gesproken over de hemelen? Bepaal jij de koers van de hemellichamen – Pleiades en Orion, bijvoorbeeld?

Was jij degene die het menselijk verstand ontwierp, zodat je kunt uitleggen hoe het werkt? Bewerkt jouw woord het soort voorzienige uitgestrektheid dat ervoor zorgt dat de hongerige raven en de jagende leeuwin te eten hebben?’

Aan de ene kant vormt deze repliek natuurlijk helemaal geen antwoord op de soort vragen die Job opwierp. Maar aan de andere kant doet hij dit wel. Hij waarschuwt Job dat zijn vermogen om te verstaan beperkter is dan hij denkt. Dit bereidt ons voor op de conclusie dat God van ons iets meer verlangt dan gewoon maar verstaan.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 8 maart 2015

Want de droefheid naar Gods wil brengt onberouwelijke inkeer tot heil (2 Kor. 7)


Exodus 19; Lukas 22; Job 37; 2 Korinthiërs 7

Mensen stellen Paulus vaak voor alsof hij een koude intellectueel was. Waarom ‘koud’ moet verbonden worden met ‘intellectueel’ is me niet helemaal duidelijk. In elk geval past de beschrijving niet voor Paulus. God schonk Paulus duidelijk een eersteklas verstand. Maar hij was ook een man met een gloedvolle passie.

In 2 Korinthiërs 7 getuigt Paulus dat aan de ene kant zijn blijdschap geen grenzen kent (7:4); aan de andere kant is die blijdschap het resultaat van een beetje nieuws dat Paulus over de Korinthiërs ontving toen hij naar Macedonië ging.

Want bij zijn eerste aankomst in Macedonië had Paulus geen rust ervaren, maar, zo zegt hij ‘wij waren van alle kanten in de druk: van buiten strijd, van binnen vrees’ (7:5). Maar toen veranderden zijn vrees en strijd in blijdschap toen hij het goede nieuws kreeg over de Korinthiërs.

Wat lag aan de basis van die verregaande verandering in de blik van de apostel?

(1) Wat ook de mechanieken zijn, Paulus erkent dat de transformatie door God bewerkt was, ‘die de nederigen troost’ (7:6). In dit geval schonk God Paulus rust door hem Titus terug te geven, die ook wat nieuws van de Korinthiërs meebracht.

(2) Het nieuws dat Titus bracht was dat de Korinthiërs, hoezeer ze ook gekwetst geweest waren door Paulus’ vorige bezoek en de pijnlijke brief die hij had gezonden, hun evenwicht hadden teruggevonden. Ze verlangden nu Paulus te zien en drukten hun vurige zorg voor hem uit (7:7).

Titus bracht het nieuws dat de droefheid die door de brief van Paulus was veroorzaakt een ‘droefheid naar Gods wil’ is geworden, in die zin dat hij geleid heeft tot inkeer (7:8-10). Droefheid die inkeer bewerkt, die ‘brengt onberouwelijke inkeer tot heil, maar de droefheid der wereld brengt de dood’ (7:10). Al dit nieuws over de reacties van de Korinthiërs heeft Paulus met blijdschap en bemoediging vervuld.

Dit duidt er natuurlijk op dat Paulus intiem betrokken is bij de levens van de mensen aan wie hij een dienstwerk verricht. Zijn eigen emoties kunnen op en neer gaan als een gevolg van hoe zij zich tot hem verhouden.

Maar wat treffend is, is dat Paulus twee veel voorkomende valstrikken ontwijkt.

(a) Hij vermijdt duidelijk het soort professionele afstand dat door bepaalde verkondigers wordt aangehouden als een soort beschermend schild.

(b) Hoewel zijn eigen vreugden en verdriet duidelijk verbonden zijn met wat de Korinthische christenen over hem denken, is die link niet in de eerste plaats een persoonlijke link.

Wanneer dit het geval is, verliest de verkondiger zijn profetische stem en zal hij alleen hetgeen zeggen en doen waarvan hij denkt dat het de genegenheid van de kudde in stand zal houden.

Paulus voelde het als zijn taak om de Korinthiërs te vermanen, zowel persoonlijk als via zijn schrijven; voor die verantwoordelijkheid is hij niet teruggedeinsd. Zijn blijdschap dat ze nu tot hem zijn teruggekeerd valt dus niet te scheiden van zijn blijdschap dat ze zijn teruggekeerd tot trouwe gehoorzaamheid aan het Evangelie – de kern van zijn grenzeloze vreugde.


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 7 maart 2015

Christelijk leiderschap, iemand? (2 Kor. 6)


Exodus 18; Lukas 21; Job 36; 2 Korinthiërs 6
Een van de meest treffende visies op apostolisch dienstwerk wordt gevonden in 2 Korinthiërs 6:3-10. Je hebt er maar weinig kennis van zijn brieven voor nodig om te merken dat Paulus niet bereid is om compromissen te sluiten over het evangelie. Hij is meer dan bereid om de schande van het kruis te dragen.

Maar even duidelijk is zijn bereidheid om gelijk welk persoonlijk ongemak of lijden te verdragen om maar de boodschap te kunnen overbrengen. ‘Wij geven in geen enkel opzicht enige aanstoot’, zo schrijft hij, ‘opdat onze bediening niet gesmaad worde’ (6:3).

Door wat hij ‘onze bediening’ noemt te handhaven, is Paulus niet bekommerd om zijn persoonlijke reputatie te vrijwaren, maar zijn geloofwaardigheid als een ambassadeur van Jezus Christus, als een dienstknecht van God. Dus gaat hij verder ‘maar wij doen onszelf in alles kennen als dienaren Gods’ (6:4).

Je zou je kunnen laten misleiden door die laatste zin, zowel in de tijd van Paulus als in die van ons. Want een dienaar van het evangelie die zich vandaag ‘in alles laat kennen’ of ‘bekendmaakt’, dat klinkt nogal als een lelijk stukje profileringsdrang.

Je verbeelding gaat aan de haal: de boekenstand van de gemeente die T-shirts verkoopt met ‘Ik hou van mijn voorganger Jan’ prominent op de borst, een opgewekte fanfare telkens hij de preekstoel beklimt, enzovoort.

De wereld van het oude Korinthe zou Paulus’ woorden eveneens verkeerd interpreteren. Zoveel rondtrekkende leraars poogden zich in hoge mate te profileren. Dat was hoe ze leerlingen wonnen – door zichzelf aan te bevelen, expliciet en impliciet, als de beste in wat ze deden.

Maar het eigen aanbevelen van Paulus neemt plots een wending die noch de zelfprofilerende types uit het oude Korinthe, noch hun zachte echo’s in de moderne Westerse kerk zouden willen volgen. Het kader waarin Paulus zichzelf aanbeveelt als een dienstknecht van God, is niet dat van ordinaire eigendunk, oud of modern.

Paulus en andere dienstknechten van God bevelen zichzelf aan ‘in veel dulden, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden, in slagen, in gevangenschappen, in oproeren, in moeiten, in nachten zonder slaap, in dagen zonder eten’ (6:4b-5).

In moeiten of hard werk? De leraars van toen werden verondersteld te denken en te onderwijzen, niet om hard te werken met hun handen. In ‘oproeren’? Er wordt van christen apostelen verondersteld dat ze zichzelf aanbevelen als dienstknechten van God door de manier waarop ze zichzelf gedragen in oproeren!

Paulus gaat door: ze moeten zich aanbevelen ‘in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in rechtschapenheid, in de heilige Geest, in ongeveinsde liefde, in de prediking van de waarheid, in de kracht Gods; met de wapenen der gerechtigheid in de rechterhand en in de linkerhand’ (6:6-7).

Dan zijn er de verschillende verwachtingen die mensen van je hebben: dienstknechten van God moeten zichzelf aanbevelen ‘onder eer en smaad, in kwaad gerucht en goed gerucht’ (6:8). De dienstknechten zijn ongetwijfeld oprecht, maar velen zullen hen zien als bedriegers. Paulus rondt zijn lijst af met een litanie van verbazingwekkende paradoxen (6:9-10).
Christelijk leiderschap, iemand?


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 6 maart 2015

We krijgen een eeuwige, niet door mensenhanden gemaakte woning in de hemel (2 Kor. 5)


Exodus 17; Lukas 20; Job 35; 2 Korinthiërs 5

Dingen zijn nooit zo goed als ze zouden kunnen zijn. En als ze dan al voor een kort moment zo goed zijn als je je kunt inbeelden, als je dan voor even lijkt de nectar van het leven zelf in te zuigen met elke ademtocht die je in je hebt, dan weet jij net zo goed als ik dat dergelijke hoogtes niet kunnen blijven duren.

Morgen ga je terug naar je werk. Je kunt je job graag doen, maar hij brengt druk met zich mee. Jouw huwelijk mag misschien dicht bij het idyllische aanleunen, maar in een donkere bui vraag je je misschien af hoeveel je niet wilt en kunt delen met je echtgenoot. De warme westenwind die je haar streelt verandert in een tornado die je huis vernielt. Een van je ouders wordt getroffen door de ziekte van Alzheimer; een van je kinderen sterft.

Er valt zoveel te genieten rond je, maar als je begint de kauwen op de filet mignon die je kinderen voor je verjaardag gekocht hebben, denk je aan de miljoenen die elke dag sterven van de honger. Er valt niet te ontkomen aan de harde realiteit dat, hoe wondermooi je ervaringen in deze gebroken wereld ook zijn, anderen lijden onder ervaringen die veel schadelijker zijn, en jij zelf kunt ook nooit geloven dat wat je meemaakt volkomen ideaal is.

Die rusteloosheid is voor ons welzijn. Het is een ontwerpkenmerk dat hoort bij onze samenstelling, bij onze aard als schepselen die gemaakt zijn naar het beeld van God. We zijn gemaakt om de eeuwigheid te bewonen; door constitutie weten we dat we behoren bij iets beters dan een wereld (hoe mooi ook bij momenten) die overspoeld wordt door zonde.

Paulus begrijpt dit punt volkomen (2 Korinthiërs 5:1-5). Hij kijkt vooruit naar de tijd waarin ‘de aardse tent’ (ons huidige lichaam) zal worden afgebroken, en weet dat ‘wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis’ (5:1) – ons opstandingslichaam. ‘Want hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden’ (5:2). Niet dat we wensen dit sterfelijke kleed uit te trekken en willen bestaan in een naakte onsterfelijkheid: dat is niet onze ultieme hoop, ‘omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven worde verslonden’ (5:4).

Dan voegt Paulus eraan toe: ‘God is het, die ons juist dáártoe bereid heeft en die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft’ (5:5). God heeft ons voor zijn doel gemaakt, d.w.z. voor het doel van opstandingsleven, voor ons verzekerd door de dood van zijn Zoon.

Bovendien heeft God ons, in afwachting van de heerlijke vervulling van leven, al zijn Geest gegeven als een onderpand, een soort voorafbetaling van de ultieme erfenis.

Geen wonder dan dat we zuchten in afwachting en ontdekken dat onze zielen rusteloos zijn in deze tijdelijke verblijfplaats die de doodstraf over zich draagt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 5 maart 2015

Beluister de lezing 'De lankmoedigheid van God' (Geert Soete)

Zaterdag jl. verzorgde Geert Soete de laatste lezing van dit seizoen in de reeks 'God leren kennen': 'De lankmoedigheid van God'.

Beluister ook de audiofile (mp3): lezing 'De lankmoedigheid van God' - Geert Soete

Ook van de lezingen die voorafgingen in de reeks, kun je de audiofiles nog (her)beluisteren. Gebruik daarvoor het label 'God leren kennen' (rechtsbeneden).



Als Hij Zich stilhoudt, wie zal dan veroordelen? (Job 34)


Exodus 16; Lukas 19; Job 34; 2 Korinthiërs 4

In Job 34 lijkt Elihu op het eerste gezicht de argumenten te herhalen van de drie ‘vertroosters’. Hij vat Jobs rede samen (34:5-9): Job zegt dat hij onschuldig is, niets verkeerd heeft gedaan, en dat God hem geen recht doet. De implicatie is dat er geen voordeel, geen ‘baat’ valt te behalen als je God poogt te behagen (34:9).

Op dit punt staat Elihu aan de kant van de drie gesprekspartners. ‘God is verre van goddeloosheid, de Almachtige van onrecht’ (34:10), benadrukt Elihu; en opnieuw: ‘ja waarlijk, God handelt niet onrechtvaardig, de Almachtige buigt het recht niet’ (34:12).

De volgende verzen stapelen nog meer argumenten in dezelfde trant op, en voor een tijd lijkt het erop dat Elihu in dezelfde val zal trappen als hen die hij vermaant: die van reductionistische verdienstetheologie.

Maar dan voegt hij een element toe dat nog maar eens zijn toespraak in een iets ander kader plaatst dan die van hen. Elihu laat ruimte voor het mysterie. Terwijl hij benadrukt dat God volkomen rechtvaardig is, besluit hij niet zoals de drie ‘vertroosters’, dat dit betekent dat elk geval van lijden het directe resultaat moet zijn van Gods rechtvaardige straf.

Elihu kan vragen, ‘Als Hij Zich stilhoudt, wie zal dan veroordelen? Als Hij zijn gelaat voor iemand verbergt, wie zal dan naar hem omzien?’ (NBV: ‘wie kan hem dan aanschouwen?’) (34:29).

Terwijl Job flirt met de idee dat Gods zwijgen Hem schuldig maakt aan oneerlijkheid, veronderstelt Elihu Gods gerechtigheid, zelfs als hij (Elihu) daaruit niet de conclusies trekt waarvan de drie ellendige vertroosters aanhangers blijken. Elihu laat ruimte voor mysterie, voor goddelijke stilte die niettemin gewoon stilte is.

Gedeeltes van Elihu’s rede zijn moeilijk te verstaan. Maar in het kader van het boek Job, springen twee zaken in het oog.

Ten eerste, wanneer God uiteindelijk antwoordt, wordt Job gecorrigeerd (zoals we zullen zien), en de drie ‘ellendige vertroosters’ worden ronduit terechtgewezen, want, zegt God, ze hebben ‘niet recht van Mij gesproken zoals mijn knecht Job’ (42:7) – maar er wordt helemaal geen beschuldiging geuit tegen Elihu. Dit kan een weerspiegeling zijn van het feit dat hij slechts een figurant is; maar het weerspiegelt ook het feit dat zijn basisstandpunt correct is, zelfs al is de toon ietwat zelfingenomen.

Ten tweede, in zijn zinspelende suggesties dat er in God mysterieuze werkelijkheden en verborgen motieven kunnen zijn waartoe wij geen toegang hebben, grijpt Elihu vooruit naar een aantal van Gods eigen argumenten wanneer Hij spreekt uit de storm in de slothoofdstukken van het boek (hoofdstukken 38-41).

Bijbelse openbaring biedt ons inzicht in veel dingen, sommige daarvan vereisen dat we een heel leven leren. Maar het herinnert ons er ook aan dat God niet alles geopenbaard heeft (Deut. 29:29). Op sommige punten verlangt God van ons dat we vertrouwen en gehoorzamen, niet dat we slechts beoordelen en verstaan.


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 4 maart 2015

Elihu: lijden wil niet altijd straffen (Job 33)


Exodus 15; Lukas 18; Job 33; 2 Korinthiërs 3

Eens de discussies tussen Job en de ‘ellendige vertroosters’ zijn stilgevallen, verschijnt een nieuwe figuur op het toneel. De rede van Elihu beslaat de hoofdstukken 32-37. Hij is een jonge man die tot nu toe niet heeft gesproken omdat de etiquette van die tijd vereist dat de oudere mannen eerst het woord nemen.

Elihu komt over als een eerder aanmatigend individu dat zich tot op dat ogenblik maar nauwelijks heeft kunnen inhouden om te spreken. Maar nu stort hij de woorden uit als een stroom (zoals hij zelf erkent, 32:18-21) en hij belooft plechtig dat hij niemand zal behandelen met schadelijke vleierij (32:22).

De essentie van Elihu’s rede neemt voor het eerst vorm aan in Job 33. Eens je echter rekening houdt met zijn nogal afwerende grootspraak, heeft Elihu niettemin een aantal belangrijke dingen te zeggen. Op diverse vlakken komt hij heel dicht bij wat de anderen gezegd hebben, maar hij blijft weg van hun meest flagrante fouten, zodat de totale configuratie van zijn uiting heel anders is.

In dit hoofdstuk spreekt hij Job aan; later zal hij zich tot de ‘vertroosters’ richten. Tegen Job wil hij de nadruk leggen op twee hoofdpunten.

Ten eerste betoogt Elihu dat hoewel Job Gods grootheid erkend heeft – Job heeft zelfs Gods grootheid beklemtoond – hij toch een grens overschreden heeft, want door zo de klemtoon te leggen op zijn eigen gerechtigheid heeft hij van God een soort monster gemaakt. ‘Zie, daarin hebt gij ongelijk’ (33:12).
Wijselijk stopt Elihu hier. Hij gaat niet zover als de drie ‘vertroosters’, om te beweren dat Job moet toegeven dat hem ernstige schuld treft. Jobs enige schuld, voor zover het Elihu betreft, is dat hij schuld op God laadt.

Ten tweede betoogt Elihu dat God niet zo afstandelijk en onbereikbaar is als Job het laat uitschijnen (33:14 e.v.). God komt soms tot iemand in een vreemde nachtelijke droom die hem of haar waarschuwt een of andere boze weg te verlaten (33:15-18). Of – meer ter zake – God kan werkelijk spreken in de taal van pijn, om te bewaren voor hoogmoed en onafhankelijkheid (33:19-28). Hij kan dit meer dan een keer doen bij iemand, en daardoor diens ziel redden van de groeve (33:29-30). Elihu heeft dus vragen aan de orde gesteld over het doel van lijden, die noch door Job, noch door diens antagonisten aan bod kwamen.

Hij zegt zeker niet dat Job alle lijden verdient waarmee hij te kampen heeft; Elihu zegt zelfs dat hij Job wil vrijgepleit zien (33:32).

Los van het belang van de kwestie zelf – dat lijden iets anders als doel kan hebben dan verdiende straf – herinnert de volledige discussie ons aan een belangrijke pastorale les. Natuurlijk is het niet altijd zo; maar wanneer twee opponenten zich soms loodrecht tegenover elkaar opstellen en geen van beiden bereid is ook maar iets toe te geven, dan kan het ook wel zijn dat geen van beiden goed heeft nagedacht over de volledige reikwijdte van het onderwerp.


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 3 maart 2015

Nieuwe bekeerlingen brengen nieuwe problemen en … leven (2 Kor. 2)

Exodus 14; Lukas 17; Job 32; 2 Korinthiërs 2

Ondanks zijn voornemen kon Paulus de Korinthiërs niet bezoeken zoals hij verhoopt had. Hij heeft hen mogelijk bezocht op zijn weg naar Macedonië; hij deed het zeker niet, in tegenstelling tot wat hij had verwacht, nadat hij uit Macedonië was vertrokken (2 Kor. 1:16, zie de overdenking van 1 maart).

Blijkbaar namen sommige van de christenen in Korinthe hem dat kwalijk; zij beschuldigden hem dat hij wispelturig was. Paulus antwoordt daarop dat hij niet het soort persoon is dat ‘ja’ zegt wanneer hij ‘nee’ bedoelt, of omgekeerd (1:17). De reden dat hij niet naar Korinthe ging, zoals hij zich had voorgenomen, was om hen te sparen (1:23). Hoezo?

Het antwoord op die vraag wordt gevonden aan het begin van 2 Korinthiërs 2, dat ons een dramatische inkijk biedt in de relaties tussen de apostel en een van de meer vooraanstaande kerken die hij heeft gesticht.

De reden dat Paulus zijn voornemen om Korinthe te bezoeken niet ten uitvoer bracht, is dat hij ervan overtuigd raakte dat het weer ‘zo’n verdrietig bezoek’
(2:1, NBV) zou worden. Een eerder bezoek, mogelijk op zijn weg naar Macedonië, bleek rampzalig. Ofwel voor of na het bezoek (het verloop is niet helemaal duidelijk) zond Paulus ook een brief: ‘in zware druk en beklemdheid des harten heb ik onder vele tranen u geschreven’ (2:4).

Het doel van die brief was niet hen te bedroeven, maar hen te verzekeren van de diepte van zijn liefde voor hen (2:4). Het lijkt erop dat de inhoud van die brief een strenge vermaning was om tuchtmaatregelen te treffen tegen iemand binnen de gemeente die ernstige zonden beging.

Er is vaak gezegd dat die tranenrijke brief 1 Korinthiërs is, en dat de man waarvan Paulus wil dat hij onder tucht komt, dan de man is die slaapt met zijn stiefmoeder (1 Kor. 5). Dit is zeker een mogelijke verklaring.

In zijn geheel echter klinkt 1 Korinthiërs niet als de brief die Paulus in het kort beschrijft in 2 Korinthiërs 2:4. Meer waarschijnlijk verwijst hij naar een andere brief, waarover we niets meer weten, een brief die erop aandrong dat de kerk in Korinthe in actie zou komen.

Minstens sommigen in Korinthe hebben Paulus een zeer moeilijke tijd bezorgd over de kwestie. Nu echter heeft het gezond verstand het gehaald, samen met de gehoorzaamheid aan de apostel (2:9). De gemeente heeft de recalcitrante zondaar die nauwelijks berouw toonde gestraft, en nu moedigt Paulus de gelovigen aan om de tuchtmaatregelen te beëindigen en de man te vergeven (2:5-10).

Een te streng oordeel kan de gemeente zelf tot hardvochtigheid verleiden, en hiermee de gemeente in een andere van de vele listen van satan doen vallen om de gelovigen te slim af te zijn en kapot te maken.

Het is enorm bemoedigend om in deze interacties de krachtige vitaliteit te herkennen van de vroege christelijke relaties. De rustige instandhouding van het status quo kan mogelijk geen teken van leven zijn; het kan zelfs een teken van doodsheid zijn. Waar er veel nieuwe bekeerlingen zijn, zullen er problemen zijn – en leven.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 2 maart 2015

'Troosten met de vertroosting waarmee wij zelf door God getroost worden' (Job 31 en 2 Kor. 1)


Exodus 13; Lukas 16; Job 31; 2 Korinthiërs 1

Nog maar eens blijkt het nuttig na te denken over twee van de in het leesrooster voorziene teksten voor vandaag.

Job 31
is het finale hoofdstuk van Jobs laatste antwoord aan de drie vertroosters. De afsluitende drie hoofdstukken van die rede (hoofdstukken 29-31) worden overheerst door twee thema’s.

Ten eerste klaagt Job nu niet zozeer over zijn fysieke lijden, maar eerder over zijn gezichts- en prestigeverlies in de gemeenschap. Hij was voorheen een man van aanzien en eer; nu wordt hij behandeld met minachting, zelfs door jonge mannen uit onachtbare families (bijv. 30:1).

Ten tweede, onthult Job nu, hoewel hij al de hele tijd protesteert dat hij onschuldig lijdt, de gewoontes uit zijn leven die verklaren waarom het openingshoofdstuk hem beschrijft als ‘vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad’ (1:1).

Een van de redenen waarom Job zo geëerd was in de gemeenschap was dat zijn gerechtigheid en vrijgevigheid welbekend waren: hij redde de armen en de wezen, stond de stervenden bij, en hielp de weduwen (29:12). Ook zo in het huidige hoofdstuk: de wanhoop nabij omwille van de beschuldigingen die tegen hem geuit worden, zet Job de bewijzen voor zijn onschuld uiteen.

Hij sloot een verbond met zijn ogen ‘nooit zal ik naar jonge vrouwen kijken’ (31:1, NBV). Hij gedacht voortdurend Gods alziende oog (31:4), en daarom sprak hij de waarheid en was hij eerlijk in zaken (31:5-8).

Hij vermeed overspel; hij handelde eerlijk met grieven van zijn slaven en slavinnen, wetende dat hij op een dag ook Gods oordeel zou moeten trotseren, en dat zij hoe dan ook al even menselijk zijn als hij (31:13-15). Uit vrees voor God was hij bijzonder vrijgevig voor de armen (31:16-23). Ondanks zijn grote weelde, stelde hij daarop nooit zijn vertrouwen (31:24-28), en ook liet hij zichzelf nooit toe zich te verheugen over het ongeluk van anderen (31:29-30). Zo eindigt het hoofdstuk met Job die zijn reputatie van integriteit weet te bewaren, en geen rust vindt.

Paulus lijdt ook – niet alleen het verlies van bezittingen, familie en bezit, maar ook door de bijzondere druk van frontlinie dienst, en erger nog, door openlijke vervolging (2 Korinthiërs 1:1-11).

Natuurlijk zijn de omstandigheden radicaal anders. Paulus weet, in tegenstelling tot Job, dat hij geroepen was om te lijden (bijv., Hand. 9:16). Bovendien leeft en dient Paulus aan deze zijde van het kruis: zelfbewust volgt hij Iemand die onrechtvaardig leed ten behoeve van anderen.

En wat misschien het belangrijkste is, Paulus weet dat hij de bemoediging die hij ontving van ‘de Vader der barmhartigheden en de God aller vertroosting’ (1:3) ook kan doorgeven aan anderen. Hij weet dat God ‘ons troost in al onze druk, zodat wij hen, die in allerlei druk zijn, troosten kunnen met de troost, waarmede wijzelf door God vertroost worden’ (1:4).

Ze zijn te beklagen, die nog nooit vertroost werden; want zij geven ook zelf nooit vertroosting.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 1 maart 2015

'Als de Here het toestaat' (1 Kor. 16)


Exodus 12:21-51; Lukas 15; Job 30; 1 Korinthiërs 16

In de dramatische momenten van zijn leven wordt Paulus geleid door tussenkomst van een bepaalde openbaring. Waar we soms overheen kijken is hoeveel van zijn dienstwerk het resultaat is van planning, instructie, pastorale inschattingen, zelfs onzekerheden – veel zoals bij onze bediening het geval is.

In 1 Korinthiërs 16 vertelt Paulus de Korinthiërs over zijn reisplannen (16:5-9). Hij wil hen niet meteen ontmoeten, op zijn weg naar Macedonië, en slechts een tussenstop maken. Het ligt veeleer in zijn bedoeling om eerst naar Macedonië te trekken, en dan zal hij ‘misschien’ voor een tijd bij de Korinthiërs verblijven, of er zelfs de winter doorbrengen (wanneer het onveilig was om op de Middellandse Zee te varen). ‘Ik hoop enige tijd bij u te blijven’, schrijft Paulus, ‘als de Here het toestaat’ (16:7).

Vooraleer echter scheep te gaan voor een deel van deze reis, is de apostel van plan om nog wat langer in Efeze te blijven, ‘want mij is een grote en machtige deur geopend en er zijn vele tegenstanders’ (16:9). Met andere woorden, hij heeft nog altijd heel wat dienstwerk op de plank in deze grote stad.

Er is duidelijk onzekerheid in Paulus’ plannen, maar hij probeert de volgende paar maanden van zijn dienst vorm te geven op manieren die het best zullen bijdragen tot de verspreiding van het evangelie en tot het welzijn van Gods volk.

De volgende twee korte paragrafen (16:10-12) suggereren dat de bewegingen van Timotheüs en Apollos al evenmin volkomen voorspelbaar waren, hoewel in beide gevallen Paulus de Korinthiërs van informatie voorziet die bepaalde eventualiteiten omvat.

Bovendien ontdek je hoe Paulus de Korinthiërs in de eerste paragraaf (16:1-4) instrueert om vooruit te plannen in hun geven. De ‘inzameling’ die Paulus vermeldt is een project om de arme christenen in Judea te helpen. Hij weet dat als de Korinthische gelovigen pas zullen beginnen geld inzamelen wanneer hij opduikt, zij weinig zullen geven.

Trouw, regelmatig geven, weggelegd ‘elke eerste dag der week’ (wanneer christenen samenkwamen voor gemeenschappelijke aanbidding, bemoediging en onderwijs), zou verzekeren dat een aanzienlijke som kon bijeengebracht worden.

Natuurlijk kon geld in die tijd nog niet elektronisch overgemaakt worden; iemand zou het persoonlijk moeten overbrengen. Paulus wil dat de Korinthiërs daarvoor mannen kiezen waar ze zelf achter staan, en hij zal voor hen introductiebrieven voorzien voor de leiders in Jeruzalem. Hij zou zelfs met hen kunnen meegaan.

Dit soort regelingen kon elke hint naar financiële onbetamelijkheid van de kant van de apostel voorkomen. Ook in dit geval is er duidelijk sprake van zorgvuldige, godvrezende, wijze planning en een aanmoediging voor de Korinthiërs om hetzelfde te doen.

Vandaag bestaat er een vorm van zweverige ‘spiritualiteit’ die wil wachten voor expliciete leiding voor elke beslissing, die een zin als ‘als de Here het toestaat’ gebruikt als een schijnheilige smoes . Dit was niet de visie van Paulus, en het zou ook niet de onze mogen zijn.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 maart uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 28 februari 2015

Vanavond lezing: Geert Soete over 'De lankmoedigheid van God'



Deze avond vindt in CC De Steiger in Menen de laatste lezing plaats in deel 1 van de reeks 'God leren kennen'. Geert Soete spreekt over 'De lankmoedigheid van God'.

Start om 19.30 u., iedereen welkom.

Met alleen ons getuigenis, hebben we niet het evangelie gebracht (1 Kor. 15)


Exodus 11:1-12:20; Lukas 14; Job 29; 1 Korinthiërs 15

De samenvatting van het apostolische evangelie bij het begin van 1 Korinthiërs 15 wordt uiteengezet in een aantal punten: Christus stierf voor onze zonden naar de Schriften, Hij werd begraven, Hij werd opgewekt op de derde dag naar de Schriften.

Het laatste punt wordt dan verder uitgewerkt: na zijn opstanding verscheen Jezus Christus aan Petrus, aan de twaalven, aan meer dan 500 mensen tegelijk (waarvan sommigen ondertussen zijn gestorven, hoewel de meesten op het moment van het schrijven nog altijd in leven zijn en dus in staat zijn om ervan te getuigen), aan Jakobus, aan alle apostelen, en uiteindelijk aan Paulus. De lijst is niet bedoeld om volledig te zijn, maar breed omvattend, met speciale focus op de officiële vaandeldragers van de christelijke traditie en op Paulus zelf als een van hen.

Iets van het belang van de opstanding wordt dan uiteengezet in de volgende verzen. Enkele beschouwingen vooraf:

Ten eerste gaat ‘het evangelie’ niet in de eerste plaats over iets dat God gedaan heeft voor mij, maar over iets dat God objectief gedaan heeft in de geschiedenis. Het gaat over Jezus, in het bijzonder over zijn dood en opstanding. We hebben het evangelie niet gepredikt wanneer we niets meer dan ons persoonlijke getuigenis gegeven hebben, of wanneer we een reeks mooie verhalen over Jezus aangereikt hebben, maar niet de telos (het doel of de bedoeling) bereikt hebben van het verhaal dat in de vier Evangeliën verteld wordt.

Ten tweede speelden de eerste gebeurtenissen van dit evangelie zich af ‘naar de schriften’. De precieze manier waarop de schriften deze gebeurtenissen voorzegden – vaak via typologie – is niet onze directe zorg; veeleer het eenvoudige feit van het verband met de Schrift is zo verbazingwekkend.

Niemand in de vroege kerk zag het belang van Jezus als iets volledig nieuw, of als iets dat los stond van alles wat daarvoor was gebeurd. Ze zagen Hem eerder als het sluitstuk, de culminatie, het heerlijke doel, de climax van al Gods voorafgaande openbaring in de heilige Schrift.

Ten derde redt dit evangelie ons (15:2). Heel wat theologie wordt al verondersteld met deze paar woorden: in het bijzonder hetgeen waarvan we gered worden. Inbegrepen zijn hier Paulus’ verstaan van mensen die zijn geschapen naar het beeld van God, de vreselijkheid van de zonde en de vloek van God die ons van onze Schepper gescheiden heeft, en ons onvermogen om onszelf te herscheppen. Het evangelie redt ons – en we moeten altijd precies in gedachten houden waarvan we gered zijn.

Ten vierde maakt Paulus niet alleen het onderwerp van dit reddende geloof duidelijk (namelijk het evangelie), maar ook de aard van dit geloof: het is geloof dat volhardt, dat stevig vasthoudt aan het woord dat door de apostelen gepredikt wordt. ‘tenzij gij tevergeefs tot geloof zoudt gekomen zijn’ (15:2) – een punt dat vaak terugkomt in het Nieuwe Testament (bijv. Joh. 8:31; Kol. 1:23; Heb. 3:14; 2 Pet. 1:10).

Eigen vertaling van de overdenking bij 28 februari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 27 februari 2015

Maar de wijsheid – waar wordt zij gevonden? (Job 28 en 1 Kor. 14)

Exodus 10; Lukas 13; Job 28; 1 Korinthiërs 14

Een subtiele thematische link verbindt Job 28 en 1 Korinthiërs 14.

Mensen beseffen niet vaak echt hoe zeldzaam ware wijsheid is. Volgens hoofdstuk 28 ziet Job dit wel in. Het hoofdstuk is een poëtische overdenking over dit eigenste thema: ‘Maar de wijsheid – waar wordt zij gevonden, en waar toch is de verblijfplaats van het inzicht?’ (28:12).

Job lijst de plaatsen op waar de wijsheid niet wordt gevonden en besluit, ‘Zij is onttrokken aan het oog van al wat leeft, zelfs voor het gevogelte des hemels is zij verborgen. Het verderf en de dood zeggen: Met onze oren hebben wij haar gerucht vernomen’ (28:21-22; het laatste zinsdeel is in HSV duidelijker weergegeven: ‘Met onze oren hebben wij slechts een gerucht over haar gehoord’).

Waar dan wordt wijsheid gevonden? ‘God kent de weg tot haar, Hij weet haar verblijfplaats. Want Hij schouwt tot de einden der aarde, wat onder de ganse hemel is, ziet Hij’ (28:23-24). En wat is Gods eigen samenvatting? ‘Zie, de vreze des HEREN – dat is wijsheid, en van het kwade te wijken is inzicht’ (28:28).

In de context van het boek Job bewerkt dit hoofdstuk ongetwijfeld diverse zaken. Het doorprikt de pretenties van de ‘vertroosters’ die zichzelf als zo wijs zien. Het toont aan dat Job, ondanks zijn protesten, nog altijd uiterst Godgericht is in heel zijn denken. Zelfs terwijl hij publiekelijk vragen stelt over Gods eerlijkheid in zijn eigen geval, blijft Job erbij dat alle wijsheid uiteindelijk bij God ligt.

Omdat dergelijke wijsheid bovendien onherroepelijk verbonden is met het wijken van het kwaad, toont Job door zijn poëtische uitdrukking dat hij niet alleen de nederigheid van geest bewaart tegenover de Almachtige, maar dat zijn toewijding tot een rechtvaardig leven sterk verbonden is met zijn geloof in Gods wijsheid, met zijn eigen zuivere Godgerichtheid.

Er is natuurlijk geen direct verband tussen deze passage in Job en 1 Korinthiërs 14. Wijsheid is niet specifiek een punt in 1 Korinthiërs 14. Als je niettemin 1 Korinthiërs 14 leest nadat je hebt nagedacht over Job 28, is het moeilijk om niet te zien hoe de wijze raad van Paulus met betrekking tot het gebruik van de genadegaven in de samenkomst in dit grotere beeld past van zuivere Godgerichtheid.

Het eerste deel van 1 Korinthiërs 14 vergelijkt en contrasteert profetie en tongen. Het argument van de apostel is dat het bepalende criterium verstaanbaarheid is. In de achtergrond hoor je de discussie. Sommige christenen in Korinthe houden ervan hun gaven zo tentoon te spreiden dat het onvermijdelijk iemands reputatie bevordert. Maar Paulus benadrukt dat verstaanbaarheid op het spel staat, zowel voor gelovigen als ongelovigen die kunnen aanwezig zijn.

Met andere woorden, goddelijke wijsheid in deze zaak concludeert dat het belang van anderen primeert; dit vereist nederigheid van geest. Het doel is niet een reputatie te verwerven met je geestelijke kracht, maar anderen aan te moedigen tot de conclusie te komen dat God werkelijk aanwezig is (14:25) – en dit vereist verstaanbare communicatie. Zelfs de instructies om tongen te beperken en profetieën te beoordelen, brengen een standpunt aan het licht dat zichzelf verloochent, dat eer brengt aan God en dat ook Godgericht is. Kortom: het is wijs.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 februari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 26 februari 2015

'Totdat ik de geest geef, zal ik mijn onschuld niet prijsgeven' (Job 27)


Exodus 9; Lukas 12; Job 27; 1 Korinthiërs 13

De laatste rede van Jobs ‘ellendige vertroosters’ is die van Bildad (Job 25), en ze is aandoenlijk kort omdat zelfs hij nu inziet dat hij niets nieuws te zeggen heeft, net als zijn vrienden. Jobs antwoord is lang en complex (hoofdstukken 26-31), alsof hij vastbesloten is om zijn vrienden tot stilte te bewegen. Een gedeelte ervan is louter terugblik.

Het openingshoofdstuk (de lezing van gisteren, Job 26) toont ons Job die deze ‘vertroosters’ bespot om hun gevoelloosheid, de steriliteit van hun raad bij lijden als dit van Job. We zien ook hoe hij met hen akkoord gaat wat Gods onpeilbare kracht betreft. Na een adembenemende terugblik op Gods machtige daden, besluit Job: ‘Zie, dit zijn nog maar de uitlopers zijner wegen, en slechts een fluisterend woord vernemen wij van Hem. Wie zou dan de donder zijner kracht kunnen verstaan?’ (26:14).

Terwijl de ‘vertroosters’ Job ervan beschuldigen dat hij God reduceert tot onmacht, benadrukt Job Gods transcendente macht in die mate, dat hij de visie voorstaat dat God veraf is.

Dit brengt ons bij Job 27. Hier vind je alle spanningen in Jobs positie.

Job stelt zichzelf onder een eed (‘Zo waar God leeft’) om zijn punt te maken. Hij zal nooit toegeven dat zijn opponenten het juist hebben, want dit zou gelijkstaan met ontkennen dat hij zijn leven integer geleefd heeft: ‘Totdat ik de geest geef, zal ik mijn onschuld niet prijsgeven. Aan mijn gerechtigheid houd ik vast en ik geef haar niet op; mijn hart veroordeelt niet een mijner dagen’ (27:5-6).

Maar ironisch genoeg is de God bij wie Job zweert, wiens grootheid Job heeft geprezen in hoofdstuk 26, de God die zelfs de adem in Jobs neusgaten schonk (27:3), volgens Job ook de God ‘die mij mijn recht onthoudt, en de Almachtige, die mijn ziel met bitterheid heeft vervuld’ (27:2-3).

Nog meer ironie: dit betekent niet dat God corrupt is of onrechtvaardig. Job erkent dat God onrechtvaardige en zondige mensen ter verantwoording roept (27:7-10) – vaak in dit leven (27:11-23), maar uiteindelijk in de dood.

Dit is niet Jobs finale positie, natuurlijk; het drama is nog niet voorbij. Maar we kunnen nadenken over de positie die we tot hiertoe bereikt hebben.

Ten eerste is het altijd best om eerlijk te zijn in onze overdenkingen over God, om posities te vermijden die de feiten verstoren (de dwaasheid van de drie ‘vertroosters’), om transparant te blijven voor God. Hij weet toch wat we denken. Hoop op vooruitgang is mogelijk waar eerlijkheid regeert, maar bijna onmogelijk waar er sprake is van bedrog.

Ten tweede betekent dit, dat er op de verschillende etappes van de pelgrimsreis van een gelovige altijd periodes kunnen voorkomen, waarin opponenten in hem of haar opvallende ironieën of diepzinnige mysteries zullen zien. Je mag natuurlijk niet roemen in tegenstellingen, maar waar het over zaken in verband met God gaat, zijn mysteries onvermijdelijk. Na verloop van tijd zullen sommige ervan opschuiven naar meer duidelijkheid, maar bijna altijd worden ze vergezeld door de heerlijkheid van nieuwe, zich ontvouwende dieptes.


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 februari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 25 februari 2015

'Er is verscheidenheid in genadegaven, maar het is dezelfde Geest' (1 Kor. 12)


Exodus 8; Lukas 11; Job 25-26; 1 Korinthiërs 12

1 Korinthiërs 12
begint met een blok van drie hoofdstukken over tongen, profetie en andere ‘genadegaven’ (charismata) en hun relatie tot de liefde, die de hoogste ‘weg’ is (geen gave) voor een christen. We kunnen op zijn minst de gedachtegang volgen.

Ten eerste
bevestigt 1 Korinthiërs 12:4-6 dat er verscheidenheid van gaven is maar slechts één bron. De impliciete verwijzing naar de Drieëenheid is treffend: verschillende gaven, gegeven door dezelfde Geest; verschillende soorten dienst, maar dezelfde Heer (Jezus); verschillende soorten werkingen, maar dezelfde God.

Dit betekent niet dat Paulus deze dingen in vakjes stopt, alsof, bijvoorbeeld, de gaven afkomstig zijn van de Geest, maar niet van Jezus en niet van God. Dit is eerder het middel van de prediker om te benadrukken dat hoe divers deze gaven en genades ook zijn, er slechts één bron is: de drieënige God.

Ten tweede wijdt Paulus verder uit over dit principe van eenheid dat verscheidenheid samenbindt (12:7-12). De verschillende gaven die vermeld worden – spreken met wijsheid, spreken met kennis, geloof, gaven van genezing enzovoort – zijn niet slechts manifestaties van die ene Geest, maar hun primaire doel is het gemeenschappelijk welzijn (12:7).

Dus zowel in bron als doel, dienen ze eenheid in hun diversiteit. Bovendien, hoewel Paulus meteen zal zeggen dat christenen de hoogste gaven moeten nastreven (12:31), benadrukt hij hier dat wat uiteindelijk telt is dat de Geest ze uitdeelt, zoals Hij wil – wat betekent dat er nooit sprake zou mogen zijn van trots deze of gene gift te bezitten, noch van naijver tegenover iemand anders die een gave bezit die jij verlangt.

Ten derde wordt het thema van het hoofdstuk overgebracht in een analogie (12:12-20). Het lichaam is één, maar het bestaat uit vele leden die samen moeten functioneren. De analogie is treffend, want christenen werden allen gedoopt door Christus in één Geest (de Geest is hier het middel in wie christenen gedoopt zijn, niet de uitvoerder van de doop, die Christus is), tot één lichaam, de gemeente.

Alle lichaamsdelen zijn duidelijk nodig: het zou het lichaam niet helpen om bijvoorbeeld niets te zijn dan één gigantische oogbol. Dus moeten de diversiteit en de uitdeling van gaven in de gemeente gekoesterd worden.

Ten vierde
volgt er verder uit dat geen deel van het lichaam het recht heeft tot een van de andere lichaamsdelen te zeggen dat het noch gewenst is, noch nodig is (12:21-27). Op een bepaalde manier zouden de minst eervolle delen van het lichaam de hoogste eer moeten krijgen, precies omdat ze die anders ontberen. Er zou zodanig veel empathie moeten bestaan onder de diverse delen dat als er één geëerd wordt, ze dan allemaal geëerd worden; en als er één deel lijdt, dan lijden ze allemaal.

Hoewel de toepassingen voor de kerk duidelijk zijn, doet Paulus de moeite om ze duidelijk uiteen te zetten (12:27-31).


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 februari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 24 februari 2015

'Waarom zijn vanwege de Almachtige geen oordeelstijden voorbehouden?' (Job 24)


Exodus 7; Lukas 10; Job 24; 1 Korinthiërs 11

In het tweede deel van zijn antwoord op de laatste rede van Elifaz, begint Job (Job 24) met een koppel retorische vragen: ‘Waarom zijn vanwege de Almachtige geen oordeelstijden voorbehouden, en zien zij die Hem kennen, zijn gerichtsdagen niet?’ (24:1). Het argument is niet dat God nooit afrekening houdt, maar wel dat ondertussen heel wat kwaad geschiedt zonder dat er meteen rekenschap wordt gevraagd, en dat rechtvaardige mensen lijden zonder directe verdediging.
Zo begint Job met weer een lange lijst van illustratieve zonden, die vaak onbeantwoord blijven op de korte termijn, terwijl ze vaak waargenomen worden; en van publieke onrechtvaardigheden (24:2-17).

De bozen verplaatsen grensstenen, stelen vee, misbruiken de armen en behoeftigen, de armen maken ze contractueel tot slaven, ze zijn opstandig tegen het licht en voeden hun seksuele lusten. Ondertussen kunnen de armen nauwelijks rondkomen, en zijn ze gedwongen te overleven in de woestenij. Ze lezen op in de wijngaarden van de zondaars, vaak hebben ze het koud en zijn ze nat, ze dragen de schoven van anderen en lopen er zelf naakt bij. ‘Uit de stad stijgt het gekerm van stervenden op en roept de ziel van gewonden om hulp’, betoogt Job. ‘Doch God slaat geen acht op het gebed’ (24:12).

Het volgende grote deel van dit hoofdstuk (24:18-24) heeft iets van een puzzel. Op het eerste gezicht lijkt Job voort te gaan met het soort argumenten die zijn ellendige vertroosters verkiezen: God betaalt de zondaars met gelijke munt. Sommige uitleggers hebben gesuggereerd dat deze passage verkeerd is geplaatst; anderen denken dat Job enorme ironie gebruikt en eigenlijk net het tegenovergestelde bedoelt.

Maar misschien is de verklaring eenvoudiger. Job ontkent niet dat er op een dag gerechtigheid zal geschieden. Om dit te doen zou hij werkelijk zijn visie op God substantieel moeten wijzigen. Job erkent echter wel dat de zondaars uiteindelijk oordeel zullen ondergaan. Ze sterven; ze worden niet herinnerd. God is niet blind; ‘Hij laat hun een schijn van veiligheid waarop ze steunen, maar geen van hun daden ontsnapt aan zijn blik’ (24:23). Dus in een ogenblik zijn ze verdwenen (24:24).

Job erkent dit allemaal: ‘Indien dit zo niet is, wie durft mij logenstraffen en mijn woord teniet doen?’ (24:25). Maar in de context van het eerste deel van het hoofdstuk, blijft de vraag: ‘Waarom zijn vanwege de Almachtige geen oordeelstijden voorbehouden?’ Met andere woorden, waarom wacht Hij tot het einde? Gezien het feit dat Hij de God van gerechtigheid is en dat gerechtigheid uiteindelijk zal geschieden, waarom er dan zo lang op laten wachten, terwijl de zondaars nog zondiger worden en de slachtoffers nog altijd in hun lijden blijven?

Het is een brandende vraag. Een deel van het antwoord verschijnt later in het boek. Maar op zijn minst moeten we erkennen dat instant-oordeel over elke zonde voor de meesten van ons zou betekenen dat we behoorlijk constant pijn zouden lijden, terwijl we zouden janken als honden van Pavlov om de pijn te vermijden, maar zonder innerlijke verandering. Wil jij werkelijk waar Job lijkt om te vragen?


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 februari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 23 februari 2015

'O, dat ik Hem wist te vinden' (Job 23)


Exodus 6; Lukas 9; Job 23; 1 Korinthiërs 10

We hebben twee rondes toespraken gehoord van de drie ‘ellendige vertroosters’, plus de antwoorden van Job. Er is nog een extra ronde, een ingekorte en onevenwichtige ronde. Elifaz spreekt en Job antwoordt (Job 22-24); Bildad spreekt zeer kort, en Job antwoordt zeer uitvoerig (Job 25-31), met buitengewone uitgestrektheid en gloed. De vertroosters hebben niets nieuws te zeggen en binden in. Jobs aanhoudende verdediging van zijn integriteit kan hen wel niet overtuigen, maar brengt hen wel tot een gemelijke stilte.

De laatste rede van Elifaz (Job 22) mag dan wel de grenzen van zijn poëtische beeldtaal verleggen, maar ze voegt niets toe aan de argumentatie; het is niet meer dan een herformulering. God is zo onvoorstelbaar groot, zegt Elifaz, dat Hij geen enkel voordeel kan hebben van mensen. Dus waarom zou Job denken dat de Almachtige onder de indruk is van zijn gerechtigheid?

Diezelfde grootheid garandeert dat Gods kennis en gerechtigheid volmaakt zijn. Indien dit het geval is, dan is Jobs lijden niet ongegrond: God heeft Jobs verborgen zonden losgepeuterd – zonden die Elifaz probeert aan het licht te brengen door lukraak te schieten.

Terwijl hij antwoordt met bepaalde argumenten die hij al eerder gebruikte, begint Job aan een nieuwe gedachtegang (Job 23). Hij beschuldigt God nu niet van ongerechtigheid, maar van afwezigheid, van onbereikbaarheid: ‘O, dat ik Hem wist te vinden, dat ik tot zijn woning mocht komen!’ (23:3).

Dit is geen verlangen om te ontsnappen en naar de hemel te gaan; het is een gepassioneerd en gefrustreerd verlangen om de Almachtige zijn zaak voor te kunnen leggen (23:4). Job is niet bang dat God zal antwoorden met angstaanjagende kracht en hem zal verpletteren (23:6); hij is eerder bang dat God hem gewoon zal negeren.

Geen geografische zoektocht van Job zal echter volstaan om God te kunnen vinden (23:8-9).

Jobs woorden verschillen in grote mate met het moderne literaire protest dat God zodanig afwezig is dat hij wel dood moet zijn. Job ‘wacht niet op Godot’. Zijn geloof in God is op een bepaalde manier onwrikbaar. Hij is volkomen overtuigd dat God weet waar Job is en alles weet over de fundamentele integriteit van zijn leven (23:9-11). Die onkreukbaarheid is niet de grootspraak van een zelfverklaard onafhankelijke; Job heeft nauwkeurig de woorden van God nagevolgd, terwijl hij meer van Hem genoot dan van zijn dagelijks voedsel (23:12).

Dit is waarom de afwezigheid van God hem niet alleen hoofdbrekens bezorgt, maar ook bang maakt (23:13-17). Jobs vasthoudend vertrouwen in Gods soevereiniteit en kennis zijn precies wat hij zo angstaanjagend vindt, want de empirische ervaring is dat, minstens in dit leven, de rechtvaardigen verpletterd kunnen worden en de bozen kunnen ontkomen. De ‘vertroosters’ beweren dat Job zou moeten vrezen voor Gods gerechtigheid; Job zelf is echter bang voor Gods afwezigheid.

Wanneer dergelijke dagen komen, is het levensbelangrijk om je het einde van het boek in herinnering te brengen – het einde van het boek Job en het einde van de Bijbel.


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 februari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 22 februari 2015

'Hun, die zonder wet zijn, ben ik geworden als zonder wet' (1 Kor.9)


Exodus 5; Lukas 8; Job 22; 1 Korinthiërs 9

1 Korinthiërs 9:19-23 is een van de meest onthullende passages in het Nieuwe Testament met betrekking tot Paulus’ visie op de wet.

Aan de ene kant stelt Paulus dat hij als een Jood moet worden om onder de Joden te kunnen evangeliseren; of concreter gesteld, ‘hen die onder de wet staan’, moet hij worden als iemand die onder de wet staat, ‘hoewel persoonlijk niet onder de wet’ (9:20). Dus hoewel Paulus zichzelf zeker als een Jood ziet voor zover het om zijn afkomst gaat (zie bijvoorbeeld Rom. 9:3), ziet hij zichzelf op dit punt van zijn leven niet als onder het verbond van de wet. Wanneer hij zichzelf echter tot doel stelt zijn Joodse volksgenoten te winnen, wil hij elke onnodige reden tot aanstoot wegnemen, dus neemt hij de disciplines van reine (of koosjere) Joden aan; in die zin wordt hij als een Jood, als iemand onder de wet.

Aan de andere kant, wanneer hij zichzelf tot taak stelt te evangeliseren onder de heidenen, wordt hij ‘als zonder wet’. In het besef dat dit standpunt zou kunnen begrepen worden als gewoon maar wetteloosheid, voegt Paulus er in een terloopse zijsprong aan toe, dat dit niet betekent dat hij volkomen wetteloos is. Verre van; hij schrijft, ‘hoewel niet zonder de wet van God, want ik sta onder de wet van Christus’ (9:21).

Dus aan de ene kant is Paulus zelf niet onder de wet; aan de andere kant is hij niet vrij van Gods wet, maar is hij onder de wet van Christus. Wat betekent dit?

(a) De ‘wet’ waaronder Paulus zichzelf ziet, kan niet exact hetzelfde zijn als de Torah (de Pentateuch), of meer algemeen de eisen van God uit de Schriften van het Oude Testament. Het is waar, Paulus zegt elders dat ‘het houden van Gods geboden’ is wat echt telt (1 Kor. 7:19). Maar dit zijn niet gewoon maar de geboden die we vinden in het Oude Testament. Uiteindelijk staat er in de voorafgaande zin ‘(Want) besneden zijn betekent niets, en onbesneden zijn betekent niets, maar wèl het houden van Gods geboden’. De opmerkzame Jood zou antwoorden, ‘Maar de besnijdenis ìs ook een van zijn geboden’. Echter niet voor Paulus: Gods geboden houden of Gods wet gehoorzamen is voor hem niet hetzelfde als zich aan de wet van Mozes houden.

(b) Wat Paulus bindt en de grenzen bepaalt met betrekking tot zijn flexibiliteit wanneer hij ernaar streeft te evangeliseren onder zowel Joden als Grieken, is ‘de wet van Christus’ (9:21). Zijn stellingen hebben helemaal geen zin als ‘de wet van Christus’ volledig identiek is aan Gods wet zoals die wordt gevonden in de Torah. Hij moet plooien vanuit zijn ‘derden positie’ (de positie van de christen) om te worden als een Jood of als een christen.

(c) Wat het verband is tussen de Mozaïsche ‘wet van God' en de ‘wet van Christus’ is complex en we krijgen er een glimp van te zien, in Paulus, in Romeinen 3:21-26 (zie de overdenking voor 31 januari). Hier volstaat het op te merken dat het motief voor heel Paulus’ geweldige culturele flexibiliteit bestaat uit het verlangen ‘om er zoveel mogelijk te winnen’ (9:19), ‘om in elk geval enigen te redden’ (9:22).


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 februari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 21 februari 2015

'Waarom leven goddelozen lang, tot in hun ouderdom welvarend en gezond?' (Job 21)


Exodus 4; Lukas 7; Job 21; 1 Korinthiërs 8

De tweede rede van Sofar (Job 20) sluit de tweede ronde van de drie ‘ellendige vertroosters’ af. Jobs antwoord (Job 21) zet het slotakkoord.

Als zij hem geen andere vertroosting kunnen bieden, zegt Job, dan kunnen ze toch minstens luisteren terwijl hij antwoordt (21:2). Wanneer hij gesproken heeft mogen ze dan weer verder spotten (21:3).

De kern van Jobs antwoord stemt iedereen tot nadenken die om moraliteit en rechtvaardigheid geeft: ‘Waarom blijven de goddelozen in leven, worden zij oud, nemen zelfs toe in kracht?’ (21:7). Niet alleen merk je geen duidelijk patroon van temporaal oordeel over de flagrante zondaars; al te vaak is zelfs het omgekeerde waar: de goddelozen kunnen tot de meest welvarenden van het lot behoren. ‘Hun stier bespringt en mist niet, hun koe kalft en heeft geen misdracht’ (21:10). Ze hebben talrijke gezonde kinderen, ze zingen en dansen. Terwijl ze hun totale desinteresse voor God laten blijken (21:14), genieten ze van voorspoed (21:13).

Slechts zelden worden ze gedood (21:17). En als het gaat om populaire spreuken zoals ‘God spaart zijn onheil op voor zijn zonen’, dan is Job niet onder de indruk; de echte goddelozen kan het niet schelen dat ze hun gezinnen achterlaten in ellende, mits ze maar zelf gerust zijn (21:21). Dit is waarom de zondaars zelf moeten ‘drinken van de grimmigheid des Almachtigen’ (21:20) – en dit is niet wat meestal gebeurt.

Het is waar, God weet alles; Job wil Gods kennis en rechtspraak niet ontkennen (21:22). Maar feiten mogen niet verzwegen worden. Eenmaal de rijken en de armen gestorven zijn, wacht hen dezelfde ontbinding (21:23-26). Waar is de gerechtigheid in dat alles?

Al vergunnen we Job zijn overdrijvingen – uiteindelijk krijgen sommige slechte mensen wel degelijk te maken met tijdelijke oordelen – dan mogen we zijn punt niet zomaar afwijzen. Indien de cijfers van zegen en oordeel uitsluitend berekend worden op basis van wat in dit leven plaatsvindt, dan is dit een uiterst onfaire wereld. Miljoenen relatief goede mensen sterven in lijden, armoede en vernedering; miljoenen relatief slechte mensen leven vervulde levens en sterven in hun slaap. We kunnen allemaal de verhalen vertellen die Gods rechtvaardigheid in dit leven aantonen, maar wat met de rest van de verhalen?

Het moraliteitssysteem van Jobs drie gesprekspartners, van lik op stuk geven, behandelt de miljoenen moeilijke kwesties niet. Bovendien wil Job Gods gerechtigheid net zomin als zij in twijfel trekken, maar feiten zijn feiten: het is geen deugd, zelfs al neem je dan de verdediging van Gods gerechtigheid op je, om de waarheid te verdraaien en de werkelijkheid te vervalsen.

In de loop van de tijd zou het duidelijker worden dat finaal oordeel wordt uitgeoefend na de dood – en dat de God van de gerechtigheid zelf weet wat ongerechtigheid is, niet alleen vanuit zijn alwetendheid, maar ook vanuit eigen ervaring aan een kruis.


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 februari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 20 februari 2015

Huwelijk, echtscheiding en gerelateerde kwesties (1 Kor. 7)

Exodus 3; Lukas 6; Job 20; 1 Korinthiërs 7

Wanneer Paulus de vragen van de Korinthiërs begint te beantwoorden (‘Wat nu de punten betreft, waarover gij mij geschreven hebt’, 1 Kor. 7:1), behandelt hij eerst huwelijk, echtscheiding en gerelateerde kwesties (1 Kor. 7). En het eerste deel van zijn bespreking gaat over seks binnen het christelijk huwelijk (1 Kor. 7:1-7).

(1) Typerend voor veel van zijn antwoorden aan deze verdeelde gemeente, is hoe Paulus hier zijn ‘Ja … maar’ pastorale gevoeligheid toont. ‘Het is goed voor een mens niet aan een vrouw verbonden te zijn. Maar … ieder moet zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man’ (7:1-2). ‘Ik zou wel willen, dat alle mensen waren, zoals ikzelf. Doch iedereen heeft van God zijn bijzondere gave’ (7:7). Kortom, Paulus moet niet alleen hun vragen beantwoorden maar ook een antwoord formuleren op hun extremen. In het ideale geval moet hij dit doen door de partijen dichter bij elkaar te brengen, waarbij hij ze elk prijst voor het licht dat ze op het onderwerp werpen, terwijl hij niettemin elk van de zijden helpt ontdekken dat ze niet de waarheid in pacht hebben over de zaak en in feite de wijsheid verdraaien.

(2) In de NBG-vertaling lees je ‘Het is goed voor een mens niet aan een vrouw verbonden te zijn’ (7:1). In het Grieks lees je letterlijk: ‘het is goed voor een mens om geen vrouw aan te raken’ (zie ook de HSV, nota J.L.). De NBG-vertalers veronderstellen dat dit een eufemisme is voor het huwelijk. Maar recenter hebben geleerden aangetoond dat dit niet het geval is. Blijkbaar waren er in Korinthe christenen die een ascetische agenda promootten. Paulus is bereid te zeggen dat er een voordeel verbonden is aan dit perspectief: uiteindelijk wijst hij later in het hoofdstuk naar de voordelen van ongehuwd zijn in de bediening voor het evangelie. Maar ascetisme is niet het enige van waarde; het kan zelfs een afgod worden, of een manier om Gods goede gaven te minachten, of een weigering om de verscheidenheid van gaven te erkennen die God aan zijn volk geschonken heeft. Uiteindelijk haalt het huwelijk seksuele druk weg; de seksuele druk ontkennen en wanhopig vasthouden aan celibatair ascetisme kan leiden tot grove seksuele zonden (zoals vaak is gebeurd). Het maatschappelijk antwoord is Bijbels gesproken niet open seks of ontucht, maar het huwelijk. Dit is natuurlijk niet de enige waarde van het huwelijk, maar het is wel een reële waarde.

(3) Merk op hoe Paulus op het terrein van het huwelijk benadrukt dat seksuele voorrechten en verantwoordelijkheden wederkerig zijn: bijv. ‘ieder moet zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man’ – wat heel ver af staat van je vrouw als je bezit behandelen. Hoeveel wederkerige verklaringen worden in deze paragraaf gevonden?

(4) Binnen het huwelijk mag geen van beide partners de ander normale seksuele omgang ontzeggen, behalve onder drie voorwaarden:
(a) in onderling akkoord;
(b) met als doel jezelf aan het gebed te wijden;
(c) en zelfs dan alleen tijdelijk. Dus mag seks volgens de Schrift nooit worden gebruikt als wapen, of worden gebruikt als omkoping of worden achtergehouden als straf.


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 februari uit 'For the Love of God - Volume 2'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1999 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume II is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume II. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.