zaterdag 8 november 2014

Jezus is meer dan Mozes (Hebr. 3)


2 Koningen 21; Hebreeën 3; Hosea 14; Psalm 139

Veel mensen hebben gesuggereerd dat ‘Jezus is beter’ een goede samenvatting zou zijn van het thema van Hebreeën.

In de hoofdstukken 1-2 is Hij beter dan de engelen; in hoofdstuk 3 is Hij beter dan Mozes. In Hebreeën 4 is de rust waarin Hij voorziet beter dan de rust die je krijgt in het beloofde land. In de hoofdstukken 5 en 7 is zijn hogepriesterschap beter dan het Levietische priesterschap; in hoofdstuk 8 is het nieuwe verbond waarvan Hij de Middelaar is, beter dan het oude verbond.

In de hoofdstukken 9 en 10 treedt Hij aan over een beter heiligdom dan de tabernakel, oefent Hij een betere dienst uit, en biedt Hij een beter offerande.
Kortom, ‘Jezus is beter’.

De boodschap is bedoeld om de harten en het denken van Joodse christenen te sterken die, hoewel ze in het verleden bereid waren te lijden voor Christus, op dit punt in de verleiding komen terug te keren tot de Joodse rituelen en praktijken die ze erfden.

De schrijver van Hebreeën vreest dat ze hun exclusieve vertrouwen op Christus zullen loslaten, en enigszins zullen bezwijken voor de verleiding te denken dat, hoewel Jezus wel prima is, je toch nog wat meer inhoud kunt verkrijgen, of geestelijkheid of historische diepte, of aanvaarding door je volksgenoten - of wat ook – waardoor je afglijdt naar een impliciete ontkenning dat ‘Jezus beter is’.

Niets van dit alles betekent dat het oude verbond slecht was; het betekent eenvoudigweg dat het niet blijvend was. Zo wordt ons in de korte vergelijking tussen Mozes en Jezus in Hebreeën 3:1-6 verteld dat Mozes getrouw was ‘in geheel zijn huis’ (3:2). Hij was trouw ‘als dienaar om te getuigen van hetgeen gesproken zou worden’ [in de toekomst, JL] (3:5). Je hoort geen enkel verwijt.

Maar Jezus is beter. Het helpt ons om te begrijpen dat zowel in het Hebreeuws als het Grieks ‘huis’ ook ‘huisgezin’ kan betekenen. Zoals Mozes, verklaart de schrijver van Hebreeën, was Jezus getrouw ‘jegens Hem, die Hem heeft aangesteld’ (3:2). Niettemin werd Jezus ‘groter eer waardig geacht dan Mozes’. Waarom? Omdat ‘de bouwmeester hoger eer geniet dan het huis’ (3:3).

Dit lijkt te suggereren dat Jezus’ rol met betrekking tot Gods ‘huis’ of ‘huisgezin’ radicaal anders is dan die van Mozes. Mozes was trouw als dienaar binnen het huishouden, en zijn meest belangrijke rol was getuigen van wat nog moest komen. Jezus is ‘trouw als Zoon’ over Gods huis (3:6) – en dit huishouden is de gemeenschap van gelovigen (3:6).

Mozes verschijnt als één dienaar binnen het huisgezin, die naar de toekomst kijkt; Jezus verschijnt als Gods Zoon over het huisgezin, die dit huisgezin bouwt (3:3) en bewijst dat hij precies het wezen uitmaakt van dat waarnaar Mozes verwijst in de toekomst. Hoe belangrijk de gelijkenissen tussen de twee mannen ook, de verschillen zijn het meest treffend.


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 7 november 2014

Soms kun je maar beter jong sterven (2 Kon. 20)

2 Koningen 20; Hebreeën 2; Hosea 13; Psalmen 137-138

2 Koningen 20
is een van de droeviger hoofdstukken van de Schrift. Het schildert een man die trouw was in het verleden, maar nu wegkwijnt in het genot van de zelfzucht.

Koning Hizkia regeerde over Juda, het zuidelijke koninkrijk, in de dagen dat het noordelijke koninkrijk van Israël tanende was. Eens de Assyriërs Israël verslagen hadden en zijn leidinggevende burgers hadden meegevoerd, bleef er alleen een versplinterd wrakhout van een land achter, en was er voldoende reden voor ontmoediging in het zuiden.

Maar op waarlijk heldhaftige wijze weerstaat Hizkia, deels geleid door de profeet Jesaja, de afbrokkelende belegering door koning Sanherib van Assur, omdat hij gewoon vertrouwde op de genade van de Here God.

Een door God gezonden plaag raast doorheen het Assyrische kamp en doodt bijna tweehonderdduizend mensen. Jeruzalem en Juda worden gespaard (2 Koningen 18-19; Jes. 36-37). Bovendien werd Hizkia’s toewijding aan God in de vroege jaren van zijn regering niet gekenmerkt door het typische compromis, dat een bepaalde vorm van trouw aan Jahweh inhield terwijl er niet werd geraakt aan de offerhoogten en andere plaatsen van heidense cultus.

Verre van: hij ruimde zaken op, en kreeg als beoordeling ‘Hij deed wat recht is in de ogen des HEREN, geheel zoals zijn vader David gedaan had’ (18:3-4). Hij erkende zelfs dat de koperen slang die Mozes had gemaakt (Num. 21:4-9) nu een bijgelovige valstrik was, en vernietigde ze.

Toen werd hij ziek en weende bitter. Op een of andere manier manoeuvreerde hij zich in een positie waarin hij vond dat zijn rechtvaardige daden betekenden dat God hem een lang en voorspoedig leven verschuldigd was (20:2-3). In zijn genade schonk God hem nog vijftien jaren langer, en een wonderteken om de belofte te bevestigen (20:1-11).

Gedurende die periode van vijftien jaren echter, faalde Hizkia voor een belangrijke test: toen een gezantschap uit Babylon kwam, speelde Hizkia de rol van trotse potentaat, pochend met de toenemende rijkdom van het koninkrijk, in plaats van het aangezicht des Heren te zoeken en nederig te wandelen.

Alles werd zorgvuldig genoteerd in de boeken van Babylon, als voorbereiding voor de dag, meer dan een eeuw later, wanneer Babylon de supermacht zou worden die Jeruzalem verplettert en zijn bevolking in ballingschap zou sturen (20:12-18).

Maar dit is niet Hizkia’s meest ernstige misstap. Wanneer de profeet Jesaja hem vertelt wat er zal gebeuren, bekeert de koning zich niet van zijn hoogmoed en zoekt hij geen vergeving of gaat hij niet bidden tot God. Het dreigende oordeel is gepland voor de toekomst: Hizkia weigert enige diepgaande verantwoordelijkheid te aanvaarden.

Vroom becommentarieert hij ‘Het woord des HEREN, dat gij gesproken hebt, is goed’ – terwijl de schrijver de commentaar toevoegt: ‘Ook dacht hij: Het zal immers gedurende mijn leven bestendig vrede zijn’ (20:19). Hizkia is een morele en strategische dwerg geworden.

Je kunt beter jong sterven na oprechte, godvruchtige verwezenlijkingen, dan oud en verbitterd te sterven terwijl je je eigen erfenis vergiftigt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 6 november 2014

Nu heeft God gesproken 'in Zoon' (Hebr. 1)


2 Koningen 19; Hebreeën 1; Hosea 12; Psalmen 135-136

De tegenstellingen in de openingsverzen van Hebreeën 1 neigen allemaal in dezelfde richting. ‘Eertijds’ contrasteert met ‘nu, in het laatst der dagen’. God sprak ‘tot de vaderen’ staat tegenover het feit dat Hij in het laatst van de dagen ‘tot ons’ heeft gesproken. In het verleden sprak God ‘vele malen en op vele wijzen’ tot de vaderen. Maar nu in deze laatste dagen heeft God tot ons gesproken ‘in de Zoon’ (1:1-2).

De vorm van die uitdrukking ‘in de Zoon’ [NBV vertaalt ‘door zijn Zoon’] suggereert in de oorspronkelijke weergave zelfs nogal sterk dat de auteur van de Hebreeënbrief de Zoon niet beschouwt als weer een profeet, of zelfs niet als de hoogste profeet. De idee is niet dat, terwijl in het verleden het woord van God doorgegeven werd door de profeten, het in deze laatste dagen doorgegeven werd door de Zoon, die op die manier de laatste van de profeten wordt.

Er staat iets meer fundamenteels op het spel.

De Griekse uitdrukking geeft letterlijk terugvertaald als resultaat ‘in Zoon’. De afwezigheid van het voorzetsel ‘de’ is betekenisvol. Bovendien contrasteert ‘in Zoon’ niet alleen met ‘door de profeten’ maar met ‘door de profeten … vele malen en op vele wijzen’ [merk op: NBG duidt dit verschil niet exact aan, want spreekt ook over ‘in de profeten’, in tegenstelling tot bijvoorbeeld HSV en NBV].

Het punt is dat God zich in deze laatste dagen geopenbaard heeft in de Zoon-openbaring. Toen God in het verleden de profeten gebruikte, gaf Hij hen soms rechtstreeks woorden (in openbaringen of visioenen), soms leidde Hij hen voorzienig doorheen ervaringen die ze opschreven, soms ‘sprak’ hij doorheen buitengewone gebeurtenissen, zoals de brandende braamstruik: er waren ‘vele malen’ en ‘vele wijzen’ (1:1).

Maar nu heeft God gesproken ‘in Zoon’ – we kunnen parafraseren als ‘in de Zoon-openbaring’. Het is niet dat Jezus eenvoudigweg de openbaring doorgeeft; Hij is de openbaring. Het is niet dat Jezus gewoon het woord brengt; Hij is zelf, als we het zo mogen uitdrukken, het Woord van God, Hij is zelfs het uiteindelijke Woord.

De idee is zeer vergelijkbaar met wat je leest in de proloog van het Evangelie van Johannes. De Zoon is hiertoe in staat omdat Hij ‘de afstraling zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen’ is (1:3).

In strikte zin moeten christenen dan de Nieuwtestamentische boeken niet zien als precies hetzelfde als de Oudtestamentische boeken, die nu de volgende fase in Gods heilsplan aan ons brengen. Mormonen beweren dat dit slechts is wat ze zijn – en dan zeggen ze dat Joseph Smith een nog latere openbaring tot ons bracht, aangezien hij toch nog een volgende aangewezen profeet was.

Maar de auteur van de Hebreeënbrief ziet dat de climax van alle Oudtestamentische openbaring, aan ons doorgegeven door profeten en opgeschreven in boeken, in strikte zin, niet nog meer boeken zijn – maar Christus Jezus zelf.

De Nieuwtestamentische boeken komen samen rond Jezus en getuigen van Hem die de climax van openbaring is. Latere boeken die geen getuigenis afleggen van deze climactische openbaring zijn automatisch gediskwalificeerd.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 5 november 2014

Pleidooi voor Onesimus, de weggelopen slaaf (Fm)


2 Koningen 18; Filemon; Hosea 11; Psalmen 132-134

In de eerste eeuw kon een weggelopen slaaf legaal worden geëxecuteerd. Een meester kon kiezen die straf niet op te leggen, maar op zijn minst zou de weggelopen slaaf die werd gesnapt een gewelddadige behandeling ondergaan.

Onesimus is een slaaf die was weggelopen van Filemon. Ergens onderweg was Onesimus tot bekering gekomen. Of hij nu Paulus had opgezocht voor of na zijn bekering, in ieder geval is Onesimus nu bij Paulus, waarschijnlijk in Rome. De apostel zit in de gevangenis in afwachting van zijn proces. Onesimus, nu een gelovige, doet dagelijkse boodschappen voor hem en helpt hem op andere manieren.

Maar Paulus weet dat het zo niet verder kan. De apostel zou zelf beschuldigd kunnen worden van hulp en steun aan een vluchteling. Legaal en zelfs moreel gezien moet Onesimus terug naar Filemon en dingen vereffenen. Maar waar is de moraliteit in de Romeinse slavernij zelf? Dus schrijft Paulus aan Filemon en Apfia, in de wetenschap dat ze christen zijn, waarschijnlijk bemiddeld, met een huis dat groot genoeg is om de gemeente in hun woonplaats te huisvesten.

Deze brief is een meesterwerk van stevige, godvruchtige diplomatie.

Paulus prijst Filemon voor zijn liefde en troost (vers 7). Hij vermeldt dat hij hem eenvoudig zou kunnen bevelen wat hij zou moeten doen (vers 8), maar hij verkiest op hem een beroep te doen als ‘Paulus, een oud man (…), thans bovendien een gevangene van Christus Jezus’ (vers 9) zodat Filemon zou handelen uit liefde.

Pas dan vermeldt hij Onesimus, en geeft hij aan waaruit de oproep bestaat. Paulus wil dat Filemon Onesimus terug aanneemt, die door Paulus beschreven wordt als zijn ‘kind’ [HSV: ‘zoon’], nu iemand ‘van veel nut’ of ‘bruikbaar’ (wat ook de betekenis is van de naam Onesimus), en zo geliefd door de apostel dat Paulus hem ‘mijn hart’ noemt (vv.10-12).

Paulus ware blij geweest hem te kunnen houden, maar wil niets doen zonder de ‘voorkennis’ [NBG] of het ‘goedvinden’ [HSV] van Filemon (vers 14). Natuurlijk was Onesimus weggelopen, maar afgezien van hoe afkeurenswaardig dergelijke daad was, is hij in het grotere verhaal bekeken ‘misschien wel daarom een tijdlang weg geweest (of ‘van u gescheiden geweest’, een handig passief), opdat gij hem voorgoed zoudt terughebben, nu niet meer als slaaf, maar als meer dan slaaf, als een geliefde broeder’ (vv. 15-16). Natuurlijk zal hij Filemon daarom dierbaar zijn, zowel als mens ‘als in de Here’ (vers 16).

Dus moet Filemon Onesimus terug verwelkomen zoals hij de apostel zelf zou verwelkomen (vers 17), die hoopt spoedig op bezoek te kunnen gaan om zaken op te volgen (vers 22). Blijkbaar had Onesimus Filemon bestolen toen hij er vertrok: Paulus zegt dat hij hem graag volledig zal vergoeden – hoewel Paulus Filemon vriendelijk herinnert aan de allerhoogste schuld die hij heeft tegenover de man die hem het evangelie bracht.

Niets kan genadeloze relaties sneller vernietigen dan het evangelie wanneer het correct wordt toegepast.


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 4 november 2014

Teloorgang van een natie – Gezocht: meer radicale oplossing (2 Kon. 17)


2 Koningen 17; Titus 3; Hosea 10; Psalmen 129-131

2 Koningen 17 is een bepalend moment in de Oudtestamentische geschiedenis. Het noordelijke koninkrijk van Israël komt aan zijn einde als politieke entiteit. De aanleiding voor deze laatste stap in de teloorgang van de natie is een stukje bedrog dat begaan wordt door zijn laatste koning, Hosea.

Terwijl Hosea naar buiten uit de schijn van loyaliteit aan Assur (de regionale supermacht) ophoudt, start hij onderhandelingen op met Egypte, dat nog steeds een indrukwekkende politieke en militaire macht is, in de hoop dat Israël onder haar paraplu zou kunnen schuilen onder betere voorwaarden.

Salmanassar, de koning van Assur, kon dit enkel interpreteren als verraad en hij vernietigde Samaria, de hoofdstad van Israël (17:1-6). Hij bracht de leidende Israëlieten over naar Assur en importeerde dan – zoals het einde van het hoofdstuk duidelijk maakt – heidenen van elders in het imperium, die vermengden met de arme Israëlieten die achterbleven.

Het resterende deel van het hoofdstuk biedt ons twee expliciete verklaringen en een meer subtiele, impliciete verklaring.

Ten eerste is de uiteindelijke reden voor de ondergang van de natie niet politiek of militair, maar godsdienstig en theologisch (17:7-17). Het volk Israël bezweek voor afgoderij. Terwijl het oppervlakkig gezien loyaal bleef aan de levende God, bouwden ze ‘in het geheim’ heidense hoogten – alsof de alziende God kon bedrogen worden!

De gewijde palen voor de Asjera’s en de dienst aan de Baäls namen fel toe. Het volk negeerde de profeten die God hen zond. ‘Zij gingen de nietige afgoden achterna, zodat zij zelf nietig werden’ (17:15 [HSV]; vergelijk Jer. 2:5). Terwijl ze de tempel in Jeruzalem verwierpen, maakten ze twee afgodskalveren. Ze aanbaden de hemellichamen, rotzooiden met het occulte en verzonken uiteindelijk in de verfoeilijke praktijk van kinderoffers aan Moloch. ‘Daarom was de HERE zeer vertoornd geworden op Israël en had hen van voor zijn aangezicht verwijderd’ (17:18).

Ten tweede verklaart dit hoofdstuk de oorsprong van de vermengde godsdienst van Samaria (17:24-41). De ingeweken heidenen vermengden zich met de overblijvende Joden in het land. Raciaal en theologisch kreeg je een mix. Ondanks waarschuwingen van God (in de vorm van verscheurende leeuwen – die nu niet langer voorkomen in dat deel van de wereld maar die ooit talrijk waren), is het beste dat dit gebroed kan opbrengen pathetisch: ‘Zij vereerden de HERE, maar bleven ook hun goden dienen’ (17:33). Dit is de achtergrond voor de ‘Samaritanen’ die we tegenkomen in de tijd van Jezus.

De derde verklaring is alleen impliciet. Ze wordt pas duidelijk wanneer dit hoofdstuk wordt gelezen in de stroom van de ontwikkeling van de canon. De gevallen mensheid wordt veroordeeld bij de zondvloed; slechts enkelen overleven. De aartsvaders van de ontluikende Joodse natie eindigen in slavernij. Wanneer God hen verlost, stelt hun ongeloof hun intocht in het Beloofde Land uit. De periode van de Richteren eindigt in verwording, corruptie en afval. En nu loopt de periode van het koningschap met vergelijkbare schande af.

God helpe ons: we hebben meer radicale oplossingen nodig dan deze.


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 3 november 2014

Gooi een stuk vlees naar een krokodil en ze wil meer (2 Kon. 16)


2 Koningen 16; Titus 2; Hosea 9; Psalmen 126-128

Hoewel de boeken 1 en 2 Koningen de lotgevallen van zowel Juda als Israël volgen (respectievelijk het zuidelijke en het noordelijke koninkrijk, na de scheuring die volgde op Salomo’s dood), ligt de nadruk toch meer op Israël, de noordelijke tien stammen.

Er wordt meer ruimte gewijd aan Israëls koningen dan aan die van Juda. Uiteindelijk stort natuurlijk het noordelijke koninkrijk in (zie de overdenking van morgen), en dan gaat alle aandacht naar het zuiden. In vergelijking daarmee verhalen 1 en 2 Kronieken min of meer dezelfde geschiedenis, maar richten zij de spots in de eerste plaats op het zuidelijke koninkrijk Juda.

Zelfs in 2 Koningen echter gaat soms heel wat aandacht naar een van de koningen van Juda. Zo ook in 2 Koningen 16. In het algemeen ontspoorden de noordelijke koningen sneller dan die in het zuiden. In het zuiden wordt van veel koningen geschreven dat ze de Heer volgden, maar niet zoals David gedaan had; in het noorden wordt van velen geschreven dat ze wandelen in het voetspoor van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël had doen zondigen. Maar af en toe staat een werkelijk zondige of dwaze koning op in het zuiden. Achaz is er zo een van.

Religieus en theologisch was Achaz een ramp. ‘Hij deed niet wat recht is in de ogen van de HERE, zijn God, zoals zijn vader David, maar hij wandelde in de weg der koningen van Israël. Ook deed hij zijn zoon door het vuur gaan in overeenstemming met de gruwelen der volken, die de HERE voor de Israëlieten had verdreven’ (16:2-3).

Politiek deed hij het al niet beter. Opgejaagd door Israël en Syrië [Aram in de NBG-vertaling] aan noordelijke zijde, besliste koning Achaz van Juda om de tempel van zijn rijkdom te ontdoen en die naar koning Tiglatpileser van Assur te zenden.

Assur was de opkomende supermacht. Hem geld sturen als een soort van eerbetoon, met een verzoek druk uit te oefenen op Syrië en Israël zodat de druk op Juda zou verlichten, was een beetje als een brok vlees naar een krokodil gooien: je mocht er zeker van zijn dat die krokodil meer zou willen.

Erger nog, koning Achaz raakte zodanig gecharmeerd door Assur dat hij een aantal van haar heidense gebruiken in de tempeldienst introduceerde. Angst neigde Achaz tot een heidense macht, en onderdanigheid aan de koning van Assur (16:18) bracht nieuwe compromissen met zich mee.

Vergelijk dat met Hizkia, twee hoofdstukken verder, die onder een veel ernstiger dreiging van Assur stond, in grote mate veroorzaakt door de dwaasheid en trouweloosheid van Achaz, maar die geen compromis duldt en ijverig het aangezicht van God zoekt.

Daar ontdekt Hizkia, in lijn met de ervaring van Mozes en de vaderen van Israël, dat God bekwaam is zijn volk te beschermen tegen weinigen of velen – voor Hem maakt het allemaal geen verschil.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 2 november 2014

Slechts twee kerkelijke ambten? (Titus 1)


2 Koningen 15; Titus 1; Hosea 8; Psalmen 123-125

In sommige denominaties wordt vastgehouden aan de idee dat de Bijbel drie ambten in de kerk voorschrijft: bisschoppen, die verantwoordelijk zijn over verschillende gemeenten; oudsten/pastors die dienen op het niveau van de plaatselijke gemeente, in het bijzonder in de dienst van het woord en in gebed (sommigen zouden ‘sacrament’ toevoegen’), en diakenen, die helpen in het beheer van de fondsen, in het bijzonder in de zorg voor de fysieke noden van de kudde (zie de overdenking van 25 oktober).

Er wordt echter breed erkend dat het Nieuwe Testament in werkelijkheid maar twee ambten onderscheidt: de bisschop/oudste/pastor en de diaken. Een van de meest overtuigende behandelingen van deze kwestie werd in de voorbije eeuw geschreven door J. B. Lightfoot, zelf een anglicaan.

De onderverdeling in drie categorieën, betoogt hij, kwam er pas nadat de documenten van het NieuweTestament waren geschreven. Dit betekent natuurlijk dat een van de twee ambten drie labels krijgt, deels omdat het werk ook vele facetten heeft.

Het woord ‘pastor’ heeft een Latijnse stam en komt van ‘herder’ (1 Petr. 5:2). Herders voeden, beschermen, leiden en tuchtigen de kudde. De oudsten-terminologie komt zowel uit het bestuur van oude steden als uit de synagogen: de leiders moeten ervaren en gerespecteerd zijn. Omdat ‘bisschoppen’ vandaag zoveel kerkelijke ondertonen heeft, opteren heel wat Nederlandstalige vertalingen [net zoals de Engelstalige NIV] om het woord weer te geven als ‘opziener’ (bijv. 1 Tim. 3:1) om de elementen van overzien, godvrezend bestuur, en geestelijke aansprakelijkheid te kunnen weergeven die met de taak verbonden zijn.

Een van de redenen waarom zovelen tot de conclusie kwamen dat bisschop, oudste en voorganger [pastor] allen woorden zijn die toegepast kunnen worden op één ambt, is dat de lijsten met kwalificaties voor deze taken zo gelijklopend zijn. Vergelijk zo Titus 1:6-9 met betrekking tot een oudste, met 1 Timotheüs 3:1-7 met betrekking tot een opziener (bisschop).

Een punt waar beide schijnbaar uiteenlopen in de meeste Nederlandstalige vertalingen [en in de Engelstalige NIV] zorgt voor knagende gewetens bij sommige pastors. 1 Timotheüs 3:4 stipuleert het volgende voor de opziener: ‘een goed bestierder van zijn eigen huis, die met alle waardigheid zijn kinderen onder tucht houdt’. Titus 1:6 daarentegen stipuleert dat de oudste ‘gelovige kinderen’ moet hebben, ‘die niet in opspraak zijn wegens losbandigheid of van geen tucht willen weten’.

Dit klinkt alsof de voorwaarden voor het oudstenschap strenger zijn. Maar in feite is de weergave in onze vertalingen zowel verkeerd als onwerkbaar [net als in de NIV]. Het Grieks wordt correct weergegeven als ‘wiens kinderen trouw zijn’ – in de zin dat ze niet ‘losbandig zijn en van geen tucht willen weten’.
Zolang de kinderen onder hun vaders dak wonen, moet de bisschop/oudste zijn gezin zo besturen dat hij aantoont bekwaam te zijn de gemeente te besturen. Als

Titus 1:6 zou begrepen worden in de zin van bijvoorbeeld NBG, HSV of NBV, als stipulerend dat zijn kinderen gelovigen moeten zijn, dan zou je terecht kunnen vragen ‘Vanaf welke leeftijd?’.

Kortom: deze verkeerde vertaling is ook onwerkbaar. Wat de tekst werkelijk zegt, brengt hem ook mooi op één lijn met 1 Timotheüs 3.

Eigen vertaling van de overdenking bij 2 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 1 november 2014

'The good, the bad' en de belangrijke les (2 Kon. 14)

2 Koningen 14; 2 Timotheüs 4; Hosea 7; Psalmen 120-122

Een van de aantrekkelijke en tegelijk verwarrende dingen aan de Bijbel is zijn realisme. Simplistisch idealisme zou heel graag hebben dat de ‘goede’ mensen min of meer consequent worden beloond, vrucht dragen en gezegend worden in hun werk; net zo goed verlangt het dat de ‘slechte’ mensen mislukkingen zouden blijken. Het is ongetwijfeld waar dat op lange termijn, voor Gods oordeelstroon, recht zal geschieden en dat daar ook zal worden op toegezien.

Er bestaat ook geen twijfel over dat er voldoende tijdelijke beloningen en zegeningen zijn om ons eraan te herinneren dat God de leiding heeft.

Maar in het geheimenis van de voorzienigheid zijn er ook genoeg ongerijmdheden om ons eraan te herinneren dat ultieme gerechtigheid niet wordt gevonden in deze wereld. En dit is natuurlijk waar wat het leven betreft, het ultieme realisme.

Het punt wordt goed geïllustreerd in de twee koningen uit 2 Koningen 14.

Amasja, de zoon van Joas, komt op de troon van Juda op zijn vijfentwintigste. ‘En hij deed wat recht is in de ogen des HEREN, echter niet zoals zijn vader David’ (14:3). Hoewel hij niet even vasthoudend was als David, was hij in veel opzichten een goed mens.

Zelfs in de zaak van de gevangenneming en het doden van de moordenaars van zijn vader, koning Joas, weerhield Amasja zich van het uitmoorden van hun gezinnen – een niet ongewone praktijk in die tijd – want hij volgde de wet van God (Deut. 24:16; 2 Koningen 14:6).

En dan, nadat hij een bescheiden militair succes mocht boeken (14:7), wat hem blijkbaar naar het hoofd steeg, daagde hij de noordelijke stammen zonder goede reden uit tot een oorlog die hij smadelijk verloor.

De dwaasheid was enorm. Uiteindelijk werd Amasja zelf vermoord na een regering van negenentwintig jaar.

Van Jerobeam II daarentegen staat beschreven dat, toen hij op de troon van het noordelijke koninkrijk terechtkwam, ‘Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, hij week niet af van al de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven’ (14:24). Niettemin bleek hij een bekwaam bestuurder en militair leider.

Omdat de Heer gevoelig was voor de noodkreten van zijn volk toen ze te maken kregen met de verpletterende macht van Syrië in het noorden, gebruikte Hij Jerobeam II om de grenzen van Israël te herstellen tegen Syrische invallen, en uiteindelijk voor Israël zowel Damascus als Hamat te heroveren, die tot Israël hadden behoord in de dagen van het verenigde koningschap. Jerobeam II regeerde eenenveertig jaar en stierf in vrede.

Merk op: (1) Een goed koning kan slechte en dwaze dingen doen. (2) Een slecht koning kan goede en belangrijke dingen doen. (3) Hieruit volgt dat je de moraliteit van een leider nooit alleen mag evalueren op basis van een beperkt aantal goede dingen of slechte dingen die ze doen. Zelfs Hitler herstelde het Duitse vertrouwen en creëerde jobs. En er zijn presidenten bekend die oorlogen wonnen en de economie draaiende hielden, terwijl ze op seksueel vlak in de goot leefden.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 30 oktober 2014

'Wees afkerig van de dwaze en onverstandige strijdvragen' (2 Tim. 2)

2 Koningen 12; 2 Timotheüs 2; Hosea 3-4; Psalm 119:121-144

Een van de vele praktische beslissingen die een drukbezette voorganger voor de voeten krijgt is of hij bepaalde dwalingen die de kop opsteken al dan niet moet aanpakken.

De factoren die tot dergelijke beslissing leiden zijn talrijk. Hoeveel mensen worden er werkelijk door aangetast? Dreigt het de kerk te verscheuren, of is het slechts het stokpaardje van een of twee mensen? Gaat het over randzaken of gaat het recht naar het hart van het evangelie? Gaat het om iets waarover de Bijbel zich werkelijk duidelijk uitspreekt, of betreft het iets waar de Bijbel geen zeer substantiële zaken over vermeldt?

Bovendien moet je, zelfs wanneer de zaak duidelijk belangrijk is, nuchter afwegen hoeveel tijd en energie je er aan wilt wijden. Te weinig, en velen van je kudde kunnen negatief worden aangestoken; teveel en je wordt afgetrokken van wat de primaire focus van je dienst zou moeten zijn; je zult steeds meer meegesleurd worden in een dermate uitgestrekte oceaan dat je nooit nog de kust zult zien.

In de loop der jaren is mij gevraagd om elk mogelijk ‘probleem’ of elke mogelijke ‘uitlegging’ aan te pakken die langer dan een paar maanden of een paar jaren duurde. Het kan zinvol zijn om het studiewerk te doen dat nodig is om op een aantal van die ‘problemen’ of ‘uitleggingen’ in te gaan; alles wat meer is is tijdverlies.

Slechts een maand of zo voor de massa-zelfmoord van ‘Heaven’s Gate’, zond deze sekte mij (en ongetwijfeld vele anderen) een van hun video’s en heel wat lectuur.
Ik wijdde tien minuten aan het scannen van de literatuur om te zien welke richting die uitging. Het was zodanig klinkklare onzin dat ik het klasseerde, hopend dat ik nooit zou moeten ingaan op dit specifieke soort nonsens. Een aantal weken later waren de meeste aanhangers dood.

Twee jaar geleden werd ik opgebeld door een voorganger die me verweet dat ik nog niet met een substantieel antwoord gekomen was op Michael Drosnins boek, ‘De Bijbelcode’ [The Bible Code].
Uit interesse had ik een behoorlijk uitgebreid dossier samengesteld, maar dat was niet genoeg voor die voorganger: hij voelde dat de mensen in zijn kerk ontzettend kwetsbaar waren en hij stond erop dat ik er een bepaalde tijd zou op werken. Ik weigerde. Twee maanden later ontdekte ik dat de persoon die in zijn kerk het meest op dit probleem geconcentreerd was, de voorganger zelf was, die het onderwerp maar niet kon laten rusten.

Wat een welgekomen tegenstelling dan om Paulus te horen vertellen aan Timotheüs wat hij moet zeggen aan nieuwe generaties voorgangers: ‘betuig in de tegenwoordigheid van God, dat men geen woordenstrijd moet voeren, die tot niets nut is, (ja) verderf brengt aan wie ernaar horen’ (2 Tim. 2:14). Of ook: ‘Maar wees afkerig van de dwaze en onverstandige strijdvragen; gij weet immers, dat zij twisten teweegbrengen’ (2:23).

Antwoord wanneer je moet; fixeer je nooit op randzaken; verlies de focus niet op wat primordiaal is; word niet meegelokt in dwaze twisten. De kwesties waar het echt om gaat zijn gewoonweg te belangrijk.


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 29 oktober 2014

Wat laat je de volgende generatie na? (2 Kon. 10-11 en 2 Tim. 1)

2 Koningen 10-11; 2 Timotheüs 1; Hosea 2; Psalm 119:97-120

In de twee voor vandaag aangewezen passages [uit het bijbelleesrooster], vinden we een studie van grootmoeders. De eerste is Atalja (2 Koningen 11). Zij is de uiterst gemene moeder van Achazja, de koning van Juda die gedood werd door Jehu (zoals we gisteren zagen) in de chaos die werd veroorzaakt door de opstand in het noordelijke koninkrijk van Israël.

Je kunt je heel wat verschillende acties voorstellen die een koningin-moeder kan ondernemen wanneer ze de moord op haar zoon verneemt.

Atalja’s reactie is dat ze haar hele familie vermoordt. Zo beveelt ze de paleiswacht dat de kinderen en kleinkinderen van haar dode zoon worden omgebracht, behalve haar zuigeling-kleinzoon Joas, die gered wordt door een tante (die zelf gevaar liep te worden gedood), die hem verbergt met zijn voedster. Op die manier verzekert Atalja zich van de macht.

Een aantal jaren later, wanneer Joas nog altijd maar een knaap van een jaar of zeven is, regelt Jojada dat het kind wordt naar buiten gebracht en tot rechtmatige koning wordt uitgeroepen, beschermd door legereenheden die trouw zijn aan Jojada en zijn vastberadenheid de Davidische lijn in stand te houden.

Wanneer Atalja de samenzwering ontdekt, klinken haar kreten ‘Verraad, verraad!’ (11:14) een beetje hol. Omwille van de macht was deze zondige vrouw bereid om niet alleen te moorden (niet zo zeldzaam), maar zelfs haar kinderen en kleinkinderen om te brengen – een zoveel zeldzamer zaak en nog zoveel meedogenlozer – en nu beschuldigt ze degenen die haar ter verantwoording roepen van verraad.

Vergelijk daarmee de moeder en grootmoeder die kort worden vermeld in 2 Timotheüs 1:5. Timotheüs’ grootmoeder Loïs en zijn moeder Eunice zijn volgens Paulus vrouwen met een ‘ongeveinsd geloof’, en ze hebben deze erfenis doorgegeven aan hun zoon en kleinzoon Timotheüs. Hoe ze dit deden wordt niet uitgediept. Maar te oordelen naar patronen die elders in de Schrift worden uitgelegd, was het minste wat ze deden hun persoonlijk voorbeeld tonen en concreet onderricht geven.

Ze gaven zowel de leer van de Schrift door als het patroon van hun eigen ‘ongeveinsd geloof’ – niet alleen het patroon van hun wandel met God, maar de integriteit die als resultaat van dit geloof hun levens kenmerkte.

Verborgen in dit gedeelte ligt hoop voor mannen of vrouwen in gemengde huwelijken. Volgens Handelingen 16:1 was de moeder van Timotheüs, Eunice, zowel Joodse als een christen gelovige; zijn vader was een Griek, klaarblijkelijk een heiden. De christelijke invloed haalde het.

Niet alle vrouwen zijn zo zondig als Atalja; niet allen zijn zo trouw als Loïs en Eunice. Je vindt echter zowel onder mannen als vrouwen niet weinigen die veel meer interesse betonen in macht dan in iets anders, als het nu thuis, op het werk of zelfs in de kerk is.

Ze verlagen zich misschien niet tot moord, maar ze zullen liegen, bedriegen en lasteren om meer gezag te verwerven. Ze zullen onder Gods oordeel vallen. Maar gezegend zijn zij van wie het ongeveinsd geloof zijn stempel drukt op de volgende generatie.


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 28 oktober 2014

Jehu vs. David: het doel wettigt de middelen niet (2 Koningen 9)


2 Koningen 9; 1 Timotheüs 6; Hosea 1; Psalm 119:73-96

Het loont de moeite de zalving van David (1 Sam. 16) te vergelijken met de zalving van Jehu (2 Koningen 9) – of, meer precies, loont het de moeite niet alleen de twee zalvingen te vergelijken, maar ook wat volgt uit de twee zalvingen.

Het verhaal van David is het bekendste van de twee (1 Sam.). Toen Samuel hem tot koning zalfde, was David nog altijd een jonge man, een jeugdige herder. De zalving veranderde niets aan zijn onmiddellijke situatie. Na verloop van tijd kreeg hij een heldenstatus door Goliath te verslaan en daarna uit te groeien tot een efficiënte en trouwe dienaar van Koning Saul.

Toen Saul verbitterd en krankzinnig werd waardoor hij David dwong zich te verbergen in het heuvelland van Judea, leek David ver van de troon af. Voorzienigheid bood hem twee verrassende gelegenheden om Saul te doden, maar David beheerste zich; hij hield zelfs een aantal van zijn eigen mannen tegen die maar al te zeer bereid waren om de daad te stellen waar David niet aan wilde raken. Zijn redenering was eenvoudig. Hoewel hij wist dat hij koning zou worden, wist hij ook dat Saul op dat ogenblik koning was. Dezelfde God die David had gezalfd, had eerst Saul aangesteld.

Saul doden stond daarom gelijk met het doden van de gezalfde van de Heer. Hij was niet bereid om het erfdeel te grijpen dat de Heer zelf hem had beloofd, indien de prijs daarvoor bestond uit een immorele daad. God had hem de troon beloofd; God zou die eerst moeten vrijmaken van zijn huidige plaatsbekleder, want David zou niet buigen voor intrige en moord. Dit was een van Davids beste periodes.

Hoe anders is Jehu! Wanneer hij gezalfd is, krijgt hij de taak het zondige huis van Achab te straffen en uit te roeien. Maar hij wacht niet op een teken van God: wat hem betreft is zijn zalving voldoende aansporing om meteen tot een bloederige opstand over te gaan. Bovendien mag hij dan vroom praten over het uitroeien van de afgoderij van het zondige huis van Achab (bijv. 9:22), twee boze feiten verraden zijn eigen hart.

Ten eerste vermoordt hij niet alleen de huidige bezetter van de troon in Israël, maar wanneer hij de kans krijgt doodt hij ook Achazja, de koning van Juda (9:27-29), echter zonder dat de profeet dit gebood. Koesterde Jehu misschien denkbeelden van een hersteld en verenigd koninkrijk, bijeengebracht door moord en militaire macht?

Ten tweede maakte Jehu weliswaar een einde aan de macht van de Baälsdienst, maar hij onderhield andere vormen van afgoderij die niet minder afstotelijk waren voor God (10:28-31). In tegenstelling tot David was hij geen ‘man naar Gods hart’ (vgl. 1 Sam. 13:14). Verre van: ‘hij week niet af van de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven’ (10:31).

De les is belangrijk. Zelfs goddelijke profetie ontslaat een mens niet van de verplichtingen tot moraliteit, integriteit en trouw en gehoorzaam geloof in God. Het doel wettigt de middelen niet.


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 27 oktober 2014

Wie niet voor zijn familie zorgt heeft het geloof verloochend en is slechter dan een ongelovige (1 Tim. 5)

2 Koningen 8; 1 Timotheüs 5; Daniël 12; Psalm 119:49-72

Hoewel ik er niets van wist, legden mijn ouders een stille gelofte af tegenover de Heer terwijl ik in mijn laatste jaar middelbaar onderwijs zat. Omwille van redenen die te ingewikkeld zijn om er hier dieper op in te gaan, beslisten ze dat tenzij bepaalde dingen gebeurden, mijn vader zijn taak als voorganger zou neerleggen, die hij vijftien jaar lang vervuld had. Ik werkte mijn school af, verliet het huis en trok naar de universiteit.

Na zowat een maand ontving ik een brief van mijn ouders: papa had ontslag genomen als voorganger van die kerk. Mijn ouders hadden heel weinig geld. Er was geen andere Franssprekende kerk waar hij eventueel aan de slag kon. Op dat kritieke punt voelde papa zich te oud om een andere gemeente op te starten in een andere plaats. Hij weigerde voorgangersfuncties te overwegen in Engelstalig Canada: zowel zijn roeping als zijn hart waren verbonden met Quebec. Zo ontdekte ik wat mijn ouders hadden beslist: ze verhuisden naar Hull, aan de Franse kant van de rivier tegenover Ottawa, de hoofdstad van het land, waar papa voor zijn gezin zou zorgen als vertaler bij de overheid, en waar hij zoveel mogelijk tijd zou geven aan de Franssprekende kerk in Hull.

Ik kon niet eerder naar ‘huis’ dan met Kerstmis. Op een gegeven moment peilde ik mijn vader in een poging zijn redenering te begrijpen. Gezien zijn overtuiging dat hij in het Franstalige deel van Canada moest blijven, rees snel de vraag hoe hij voor zijn gezin zou zorgen. ‘Want de Schrift zegt’, zo legde papa uit, ‘dat als een man niet voor zijn eigen gezin zorgt, hij slechter is dan een ongelovige. Hij gebruikte zijn oude King James-vertaling voor de woorden van 1 Timotheüs 5:8: ‘Maar als iemand de zijnen en vooral zijn huisgenoten niet verzorgt, heeft hij het geloof verloochend en is hij erger dan een ongelovige’.

Er zijn duidelijk een aantal uitzonderingen op deze tekst. Als een man te ziek is om te werken, bijvoorbeeld, is hij vrijgesteld – en te oordelen naar de toon van het hele hoofdstuk, zou de gemeente zelf moeten tussenkomen met wat voor steun ook maar nodig is, in het geval de familie niet rondkomt.

Maar wat je als lezer treft bij veel van de richtlijnen in dit hoofdstuk, is de manier waarop de voorziening van de kerk voor de sociale noden van haar mensen wordt voorgeschreven met buitengewone gevoeligheid voor de gevaren.

Met het risico de zaken te eenvoudig voor te stellen, kan het patroon dat Paulus uitlegt op deze manier worden samengevat: de kerk zorgt voor hen die in ware nood zitten, maar wie de mogelijkheid bezitten om hun weg te vinden en voor zichzelf te zorgen moeten dit doen – zowel om geen last te vormen voor de kerk, als voor hun eigen goed – of ze moeten worden aangeklaagd omdat ze het geloof hebben verlaten.

Luiheid gaat niet samen met godsvrucht. Ik kan me niet veel gelegenheden herinneren waarin ik nog groter respect had voor papa’s gehoorzame geloof.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 26 oktober 2014

'Laat niemand je minachten om je jeugdige leeftijd' (1 Tim. 4)


2 Koningen 7; 1 Timotheüs 4; Daniël 11; Psalm 119:25-48

Toen ik nog een heel jonge man was, werd ik voorganger van een tamelijk kleine gemeente in Canada. De mensen waren zeer vriendelijk voor me, en sprongen met veel meer geduld met mijn fouten en vergissingen om dan ik verdiende.

Er was een vrouw in die gemeente die ik soms bijzonder vervelend vond. Ze dankte me bijna elke zondagmorgen uitvoerig voor de preek, en voegde er dan aan toe, ‘Maar je bent zo jong’. Dit ging zo verschillende weken door, tot het nog weinig meer was dan een formule.

Uiteindelijk won mijn ijver het van mijn verstand. Nadat ik nog maar eens naar haar uitbarsting met de formule ‘Maar je bent zo jong’ had geluisterd, glimlachte ik fijn en merkte op (met een citaat uit een oude vertaling van die tijd [King James Version]), ‘Ja, maar de Schrift zegt “Niemand verachte uw jonkheid” – niemand’. Hoe onstuimig mijn uitspraak ook, toch leek ze te zorgen voor de klik, want daarna zei ze nooit nog iets dergelijks tegen me.

Toen ik er echter over nadacht, begon ik me te realiseren dat ik het eerste deel van 1 Timotheüs 4:12 had geciteerd, maar niet het laatste deel. Het eerste deel luidt ‘Sta niemand toe dat hij vanwege je jeugdige leeftijd op je neerkijkt’ [NBV]. Ik veronderstel dat als deze zin op zichzelf stond, een van de manieren om anderen niet op je te laten neerkijken wanneer je jong bent, er dan uit zou bestaan dat je hen neerknuppelt met deze tekst.

Maar Paulus schrijft ‘Sta niemand toe dat hij vanwege je jeugdige leeftijd op je neerkijkt, maar wees voor de gelovigen een voorbeeld in wat je zegt, in je levenswijze, in liefde, geloof en zuiverheid’.

Wanneer je met andere woorden een jonge gelovige bent, zeker een jonge gelovige in een leiderschapspositie zoals Timotheüs, dan is dé manier om te zorgen dat anderen niet op je neerkijken, een zodanig voorbeeld zijn – ‘in wat je zegt, in je levenswijze, in liefde, geloof en zuiverheid’ – dat je duidelijke godsvrucht hen het zwijgen oplegt.

Als je ijverig bent met de talenten en gaven die God je schonk, voegt Paulus eraan toe, dan zal iedereen je vooruitgang opmerken (4:15).
Je ijver moet volledig zijn, en de terreinen waarop anderen je vooruitgang opmerken zullen ook uitgebreid zijn: ‘Zie toe op uzelf en op de leer’ (4:16).

Het resultaat zal niet alleen jouw volharding omvatten die leidt tot de redding bij de eindvervulling, maar ook de behoudenis van velen onder hen die je horen (4:16).

Ingebed in dit advies aan een jonge man zit een heel pakket aan christelijk moreel onderwijs. Daden spreken soms krachtiger dan woorden. Christen leiders moet niet alleen leiden door woorden maar ook door daden die volledig aansluiten bij die woorden. Het gezag dat een christen leider ten deel valt komt niet zozeer voort uit het ambt zelf, maar veeleer wordt het in de loop van de tijd verdiend door de kwaliteit van het christelijke leven.

Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat een groot deel van het volgende hoofdstuk gewijd is aan het specifieke onderricht hoe je broers en zusters in Christus behandelt in de verschillende levensstadia. Hoe je mensen moet behandelen ligt altijd dicht bij het hart van het christelijk discipelschap.


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 25 oktober 2014

Opziener worden, een eerzaam streven (1 Tim. 3)


2 Koningen 6; 1 Timotheüs 3; Daniël 10; Psalm 119:1-24

In het Nieuwe Testament vind je twee uitgesproken ambten in gemeenten. Aan de ene kant zijn er de pastors [of voorgangers, JL] (het woord komt van de Latijnse uitdrukking voor ‘herders’), die ook oudsten of opzieners worden genoemd (het woord werd in oudere vertalingen weergegeven als ‘bisschoppen’ [Eng.: bishops]).

Aan de andere kant zijn er de diakenen. Het was pas in de tweede eeuw dat bisschoppen een soort van derde trap werden in het kerkelijke gezag, waarbij ze diverse voorgangers/oudsten superviseerden die onder hen stonden.

Dus wanneer Paulus kort de criteria uiteenzet om een ‘opziener’ te worden (1 Tim. 3:1-7), dan reikt hij eigenlijk de criteria aan voor het voorgangersambt. Het kan helpen als we kort een aantal punten overdenken:

(1) Enerzijds zijn de criteria die Paulus ons verschaft niet bijzonder verheven of moeilijk. Er staat niets over een elite-opvoeding, een bepaalde persoonlijkheid, tot een aristocratische groep in de maatschappij horen of een bepaalde leiderschapsbekwaamheid. De lijst bevat dingen als niet dronken worden, niet opvliegend zijn en dergelijke.

(2) Met uitzondering van slechts twee kwalificaties, wordt al het andere in deze lijst ook opgedragen aan alle christenen. Als de opziener bijvoorbeeld ‘gastvrij’ moet zijn (3:2), dan wordt hetzelfde ook aan alle christenen opgedragen in Hebreeën 13:2. Als christen voorgangers ‘niet verslaafd aan wijn’ mogen zijn (3:3), dan geldt dit ook voor gelijk welke andere christen.

Met andere woorden: wat de christen voorganger in de eerste plaats moet karakteriseren, is dat hij die kenmerken en tekenen van volwassenheid tentoonspreidt die ook zonder uitzondering opgelegd worden aan alle gelovigen. Dus zou de christen oudste een voorbeeld moeten zijn van hoe het christenleven er moet uitzien. In die zin liggen de eisen in hun geheel dus inderdaad wel hoog.

(3) De twee kwalificaties die anders zijn, zijn de volgende:

(a) Van de christen voorganger wordt verwacht dat hij ‘bekwaam’ is ‘om te onderwijzen’ (3:2). Dit veronderstelt kennis en de vaardigheid om die kennis ook te communiceren. Dit is de onderscheidende eigenschap van dit ambt.

(b) Christen voorgangers mogen niet ‘pas bekeerd’ zijn (3:6). Dit sluit duidelijk sommige christenen uit. Wat ‘pas bekeerde’ betekent zal ongetwijfeld variëren afhankelijk van de leeftijd en maturiteit van de kerk, aangezien het criterium noodzakelijkerwijs verbonden is met hoe recent anderen tot bekering gekomen zijn.

(4) Het nauwe verband tussen het gezin en de kerk (3:4-5) is nogal verbazingwekkend. Niet elke christen vader komt in aanmerking om een oudste te zijn in de kerk; van elke christen vader wordt niettemin verwacht dat hij oudstenkenmerken vertoont in zijn eigen gezin.

(5) Diverse kwalificaties zijn verbonden met de specifieke verantwoordelijkheid van dit ambt. Als hij moet onderwijzen, moet de oudste gastvrij zijn, een goede reputatie genieten bij buitenstaanders, geen ruziemaker blijken, en onaangetast door geldelijke verleidingen. Een louter schoolse theoloog zonder liefde voor mensen zal niet volstaan.


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 24 oktober 2014

God, onze redder, wil dat alle mensen worden gered (1 Tim. 2)

2 Koningen 5; 1 Timotheüs 2; Daniël 9; Psalmen 117-118

Het lijkt er vandaag op dat wanneer er in discussies wordt verwezen naar 1 Timotheüs, de focus dan vooral ligt op 2:11-15. Daarom zullen wij nadenken over 1 Timotheüs 2:1-7.

(1) Paulus spoort christenen duidelijk aan om te bidden voor al wie een gezagspositie bekleedt (2:1-2). De eerste bedoeling van dergelijk gebed is ‘opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid’ (2:2). Gods soevereiniteit overstijgt de kerk, tot alle zaken van de mens. Paulus weet goed dat een georganiseerde en veilige maatschappij bijdraagt tot een geregeld, gedisciplineerd leven, en daarom tot ‘godsvrucht en waardigheid’.

(2) Wanneer Paulus zegt ‘Dit is goed’, is het niet meteen duidelijk of dit verwijst naar het godsvruchtige leven dat hij onder gelovigen wil zien, of naar de gebeden die ze verondersteld worden tot de Almachtige God op te zenden voor hen die gezag bekleden.

Indien het eerste, dan moet het verband met wat volgt ongeveer als volgt zijn: als we godsvruchtige levens leiden, dan zullen precies die levens een getuigenis van het evangelie zijn voor de mensen rondom ons van wie God wil dat ze ‘behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen’ (2:4).

Indien ‘dit is goed’ echter verwijst naar ons bidden, dan is het verband met wat volgt een beetje anders: Paulus zegt dat we moeten bidden voor hen die gezag uitoefenen, niet alleen opdat de maatschappij stabiel zou zijn, maar opdat ze gered mogen worden – aangezien God wil dat alle mensen tot kennis van de waarheid komen.

(3) Hoe het ook zij, het uitgangspunt is dat God vitale belangstelling heeft voor de bekering van mensen van overal. Dit is helemaal niet in strijd met wat de Bijbel op andere plaatsen zegt over uitverkiezing. Ongetwijfeld betoont God een speciale liefde voor zijn uitverkorenen. Niettemin schetst de Bijbel constant het beeld van God die eigenlijk uitroept: ‘Bekeer je! Bekeer je! Want God schept geen behagen in de dood van de goddeloze’ [vgl. Jes. 33:11, JL]. Zijn standpunt tegenover deze gevallen beelddragers, hoezeer het ook wordt gekenmerkt door gerechtigheid en oordeel, omvat dit element van verlangen naar hun redding.

(4) In dit verband zegt 1 Timotheüs 2:5 eigenlijk dat de leer van het monotheïsme ook gevolgen heeft: als er maar één God is, dan moet Hij de God van allen zijn, of Hij nu als zodanig erkend wordt of niet. Als er slechts één middelaar tussen God en gevallen mensen is, dan is die ene Middelaar de enige hoop voor gelijk welk mens.

(5) Het is dan potentieel mogelijk dat Hij de losprijs voor elke man en vrouw wordt van overal (2:6). Er is geen andere Middelaar. Hij is niet de Middelaar van de Joden alleen. ‘Te juister tijd’ (2:6 [of in de NSV: ‘op de door God bestemde tijd’] is deze waarheid duidelijk gemaakt – en ze vormt de kern van het apostolische evangelie dat Paulus moest prediken, vooral ook onder de heidenen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 23 oktober 2014

Zij willen leraars der wet zijn, zonder ook maar te beseffen wat zij zeggen (1 Tim. 1)


2 Koningen 4; 1 Timotheüs 1; Daniël 8; Psalm 116

Een paar jaar geleden ontving ik een brief van iemand die me vertelde dat hij een van mijn boeken gelezen had en van streek was omdat ik vaak naar de Heer Jezus Christus verwees als ‘Jezus’. Hij citeerde verschillende passages over het belijden van Jezus als Heer (bijv. Rom. 10:9), en hoe een dergelijke belijdenis het teken is dat je de Geest bezit (1 Kor. 12:3).

Ik schreef terug en legde uit dat wanneer ik verwijs naar de Heer Jezus Christus als Jezus, ik daarbij zijn ‘Heer-zijn’ niet ontken. Eerder is het zo dat ik het op dat moment niet weergeef.

Verder handelde het boek dat hij had gelezen over een van de synoptische evangeliën. In de evangeliën wordt het vaakst gewoon naar de Heer Jezus verwezen als ‘Jezus’. Dus aangezien ik een commentaar schreef over een van de evangeliën, was ik geneigd te verwijzen naar Jezus op dezelfde manier als de Schrift dit doet. Wanneer ik een passage van pakweg Paulus uitleg, ben ik geneigd overwegend de manieren te gebruiken die ook de apostel gebruikt om Jezus aan te spreken of naar Hem te verwijzen.

Ik kreeg van hem een veel bladzijden tellend document terug met daarin de meeste passages die verwijzen naar Jezus als Heer, waarbij veel redenen gegeven werden voor het belang van een dergelijke belijdenis, en nog veel meer van hetzelfde. Hij beantwoordde geen enkel punt uit mijn brief: ik was louter kanonnenvoer voor zijn tirade.

Het was het antwoorden niet waard. Vanuit zijn gezichtspunt leefde hij de Schrift na. Voor mij leek hij meer dan een beetje op de mensen naar wie Paulus verwijst: ‘zij willen leraars der wet zijn, zonder ook maar te beseffen wat zij zeggen of waarover zij zo stellig spreken’ (1 Tim. 1:7).

Natuurlijk heeft Paulus specifieke tegenstanders in gedachten, en hun profiel stemt niet exact overeen met dat van mijn briefschrijver. Niettemin zijn er in elke generatie mensen die in en rond de kerk frequenteren die ‘een andere leer’ brengen (1:3 [NBV spreekt over een ‘afwijkende leer’, in het Engels is er sprake van ‘false doctrines’, dus eerder een valse leer, JL]) en die zich wijden aan randzaken.

Een kerel die ik had onderwezen in een avondschool raakte ervan overtuigd dat hij de sleutel tot de Schrift bezat via een bepaalde omslachtige typologie van de besnijdenis.

Iemand anders schreef me vanuit Australië en kwam met een enorme synthese die opmerkelijk onzinnig is, terwijl hij alle uitgevers veroordeelt omdat ze zo enggeestig en heterodox zijn dat ze zijn inzichten niet het podium bieden dat hij vindt dat ze verdienen.

Nog weer een ander schreef herhaaldelijk volumineuze brieven en drong erop aan dat ik zijn manuscript zou uitgeven omdat de hele wereld het nodig moest lezen.

Wat deze mensen gemeen hebben is valse leer, een klemtoon op randzaken (zelfs al gaat het dan niet om geslachtsregisters, 1:4) die verdraait wat centraal staat, en een arrogantie die zichzelf verraadt door eindeloos ‘ijdel gepraat’ (1:6). Wat hen ontbreekt is het doel van het evangeliegebod, en dat is liefde en ongeveinsd geloof, tot bevordering van Gods werk (1:4-5).


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 22 oktober 2014

'Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten' (2 Thess. 3)

2 Koningen 3; 2 Thessalonicenzen 3; Daniël 7; Psalmen 114-115

Het gedeelte in 2 Thessalonicenzen 3:6-13 is uniek in het Nieuwe Testament. Op geen enkele andere plaats vinden we zoveel zinnen gewijd aan de zonde van luiheid.

Het is zeker mogelijk om werk zelf of de beloningen die eruit voortkomen tot afgoden te maken. Dit is vaak waar mensen aan denken als ze neerbuigend spreken over de ‘Protestantse werkethiek’.

Maar je moet nog altijd stellen dat het passende antwoord op de zonde van werk een afgod te maken niet rust is: dit zou gewoon weer van rust en genot een afgod kunnen maken. Maar het passende antwoord is bekering, en geloof in en gehoorzaamheid aan God. Dan moet werk zijn juiste plaats krijgen in een wereld die door God en zijn Woord wordt gekaderd.

Het kan niet anders of lezers van de Bijbel merken op dat God heel wat meer zegt over werk dan over rust. De zo vaak bekritiseerde ‘Protestantse werkethiek’ begon eerder eenvoudig: toegewijde christenen dachten dat ze al hun werk aan God moesten offeren. Dit garandeerde dat ze in het algemeen toch wat harder werkten en ook heel wat eerlijker dan veel anderen. Het onvermijdelijke gebeurde: velen van hen ging het voor de wind.

Twee of drie generaties verder begonnen velen natuurlijk de nadruk te leggen op het werk zelf, ofwel als het essentiële kenmerk van godsvrucht, of als een middel om rijkdom te vergaren, of allebei – en soms werd God naar de rand verdrongen.

Maar terwijl we werk terecht als afgoderij willen veroordelen, moeten we opletten niet naar de andere kant over te slaan, en werk te beschouwen als iets dat louter moet gedaan worden, zodat we kunnen verdergaan met wat we werkelijk belangrijk vinden: plezier hebben en onszelf dienen. Bijbels gesproken is het moeilijk om te zien in welk opzicht dit standpunt ook maar een verbetering is.

We weten niet precies wat een aantal van de gelovigen uit Thessalonika ertoe aanzette om lui te zijn. Misschien dat sommigen gewoon probeerden te profiteren van de vrijgevigheid van christenen. Er waren er zeker die minder zin hadden om aan de slag te gaan dan om zich onledig te houden met nutteloze dingen (3:11). Maar Paulus wil er niets van weten.

Dit is geen zaak van christenen die erbarming moeten tonen voor hen die werkelijk in nood zijn. Het is veeleer een kwestie van christenen die duchtig de zweep moeten hanteren tegen hen die wel beweren christen te zijn, maar die de duidelijke richtlijnen van de apostel (3:12) niet gehoorzamen en zijn opmerkelijke persoonlijke wandel negeren (3:7-9). Hij werkte (d.w.z. voor zijn beroep) precies om dit punt te onderwijzen: ‘Wil iemand niet werken, dan zal hij ook niet eten’ (3:10).

Nu gaat Paulus nog een stap verder: betrouwbare christenen moeten uit de buurt blijven van deze bedriegers, zelfs helemaal van hen weg blijven (3:6). Op die manier kunnen ze de kerk niet verontreinigen. En nog belangrijker: zij die buiten staan zullen de wandel van dergelijke mensen niet verwarren met de wandel van christenen die blijmoedig de apostolische instructies navolgen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 21 oktober 2014

Wij worden weggevoerd, de Here tegemoet in de lucht (2 Thess. 2)

2 Koningen 2; 2 Thessalonicenzen 2; Daniël 6; Psalmen 112-113

Het was altijd al makkelijk om zaken verkeerd te begrijpen rond de wederkomst van Jezus. Soms komt dit voort uit onwetendheid, soms uit een verkeerd gelegde nadruk. Te oordelen naar 2 Thessalonicenzen 2:1-12 waren dergelijke gevaren al sinds de vroege kerk aanwezig.

Vandaag houden we nog veel van onze verwrongen interpretaties met betrekking tot deze zaken over. Bijvoorbeeld omdat Paulus in 1 Thessalonicenzen 4:17 schrijft ‘daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht’, denken veel hedendaagse uitleggers dat Paulus dacht dat de wederkomst van de Heer zou plaatsvinden tijdens zijn leven, en natuurlijk had hij het dan in dit geval verkeerd.

In werkelijkheid bewijst 1 Thessalonicenzen 4:17 niet méér dat Paulus geloofde dat Christus zou terugkeren tijdens zijn leven, dan 1 Korinthiërs 6:14 bewijst dat hij dacht dat Christus niét tijdens zijn leven zou terugkeren. Daar schrijft Paulus: ‘God heeft niet alleen de Here opgewekt, maar zal ook ons opwekken door zijn kracht’. Alhoewel hij op beide plaatsen de eerste persoon gebruikt, vereenzelvigt Paulus zich gewoon met de christenen die deze ervaringen zullen meemaken – of het nu gaat om ontmoeten van de Heer en zo ontkomen aan de dood, of om sterven en uiteindelijk opstaan uit de dood. Toch is de hedendaagse misvatting op dit punt wijdverbreid.

De misvatting achter 2 Thessalonicenzen 2:1-12 is niet volkomen helder, maar blijkbaar hadden de Thessalonicenzen een brief ontvangen die valselijk beweerde van Paulus te komen maar waar zijn welbekende handschrift en handtekening op het einde ontbrak (de reden waarom Paulus de aandacht van zijn lezers vestigt op die kenmerken in 3:17).

Op een of andere manier overtuigde die misleidende brief sommige Thessalonicenzen dat ‘de dag des Heren’ al aangebroken was (2:1-2); ofwel waren ze op een bepaalde manier achtergelaten, of anders werd hen een soort ‘over-verwerkelijkte’ eschatologie onderwezen die probeerde al de zegeningen van het heil voor het heden te reserveren. Mogelijk is er onsterfelijkheid na de dood, maar bij deze visie is er geen behoefte aan een persoonlijke wederkomst van Jezus Christus, of een oordeelscrisis en triomfantelijke regering.

Dus geeft Paulus een aantal redenen om te staven dat de dag des Heren nog niet gekomen was. Daarin volgt hij het voorbeeld van de Heer Jezus, die ook een beetje onderricht gaf over hen die ten onrechte iemand voor de Christus zouden aanzien (Mt. 24:23-27). Er moeten bepaalde dingen plaatsvinden vooraleer de Heer Jezus terugkomt, en dan zal Hij op een definitieve en ondubbelzinnige manier de tegenstand verteren ‘met de adem van zijn mond’ en ‘door de aanblik van zijn komst’ (2:8 [NBV]).

De leugens kunnen zelfs gepaard gaan en ondersteund worden door ‘allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen’ (2:9); maar mensen komen in de kern echter om, omdat ze weigeren de waarheid lief te hebben (2:10). Vroeg of laat spreekt God oordeel uit door hen de dwaling te zenden die ze zozeer verkiezen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 20 oktober 2014

Zonder Christus ware de hemel een hel (2 Th. 1)

2 Koningen 1; 2 Thessalonicenzen 1; Daniël 5; Psalmen 110-111

Ik hoorde eens een voorganger door 2 Thessalonicenzen 1 prediken met de volgende indeling:

1. Een goede gemeente gaat door een moeilijke tijd (1:3-4)

2. Een goede God wacht op de juiste tijd (1:5-10)

3. Een goed man bidt in de tussenliggende tijd (1:11-12)

Vandaag wil ik wat verder nadenken over het tweede punt.

(1) Paulus kan spreken over de Thessalonicenzen die het koninkrijk van God ‘waardig’ worden geacht, dat met verterende kracht zal komen wanneer Jezus terugkomt (1:5-11). Het verband toont ons dat Paulus niet veronderstelt dat ze op een of andere manier helemaal waardig genoeg worden om te worden aangenomen door God. De idee is eerder dat ze, nu ze christen geworden zijn, christelijk geloof en liefde aan de dag leggen (1:3-4) en dat ze op de christelijke weg volharden, ondanks lijden en beproevingen (1:4-5).

Dit aanhoudend aan de dag leggen van genade terwijl ze onder vuur liggen, deze vasthoudendheid, is een bewijs van wat er gebeurt in hun levens, en het resulteert erin dat ze het koninkrijk worden ‘waardig’ geacht. Met andere woorden: waarachtige christenen volharden door Gods genade in het evangelie, en dit toont aan dat ze geschikt zijn voor de voleinding. In die zin tonen ze zich ‘waardig’.

(2) ‘God is inderdaad rechtvaardig’ (1:6 [NBV]). Daarom zal er een tijd zijn van vergelding voor hen die zijn volk wreed verdrukten (1:7) en zijn woord veronachtzaamden (1:8). Wanneer Christus terugkomt zal Hij straf oefenen ‘over hen, die God niet kennen en het evangelie van onze Here Jezus niet gehoorzamen’ (1:8). Hier wordt verondersteld dat de volkomenheid van Gods rechtvaardigheid niet wordt gezien vooraleer Jezus terugkeert.

Een bepaalde uitwerking van gerechtigheid wordt gezien in deze gebroken wereld, maar laten we wel wezen: in deze wereld lijken veel zondige mensen met heel veel weg te komen, en veel mensen die buitengewone goedheid vertonen lijden heel wat.

Wijze ouders zeggen vaak tegen hun kinderen ‘Het leven is niet eerlijk. Verwacht dat dus ook niet’. Maar tegelijk is God ‘eerlijk’; Hij is volmaakt rechtvaardig. Maar verwacht niet dat zijn rechtvaardigheid wordt aangetoond via onmiddellijke beloning en vergelding. Zijn tijdrekening is niet de onze. Het leven is niet eerlijk op onze tijdrekening. Wanneer Jezus echter terugkomt, zal niet alleen recht geschieden, we zullen ook zien dat het geschiedt.

(3) Op dat moment is Christus zelf het centrum van alles, en niemand van ons, individuen. Omwille van de centrale rol van Christus wordt straf zowat gedefinieerd in termen van verstoten worden ‘ver van het aangezicht des Heren en van de heerlijkheid zijner sterkte’, terwijl ze ‘boeten met een eeuwig verderf’ (1:9).

Onder ‘zijn heiligen’ daarentegen, zijn ‘heilig volk’, zal diezelfde Heer Jezus ‘verheerlijkt’ worden, ‘en met verbazing aanschouwd’ worden ‘in allen, die tot geloof gekomen zijn’ (1:10). Laat Christus niet in de hemel zijn, en de hemel zou een hel zijn.


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 19 oktober 2014

'De HERE heeft een leugengeest gegeven in de mond van al deze profeten van u' (1 Kon. 22)


1 Koningen 22; 1 Thessalonicenzen 5; Daniël 4; Psalmen 108-109

Veel gelovigen vinden het laatste hoofdstuk van 1 Koningen, 1 Koningen 22, verontrustend. Want hier wordt van God getoond dat Hij zelf een ‘leugengeest’ (22:22) uitstuurt die koning Achab zal verleiden en hem naar zijn ondergang zal leiden. Stemt God dan in met leugenaars?

De scene kan ons veel leren. De koninkrijken van Juda en Israël trekken voor een keer samen op tegen de koning van Aram, in plaats van elkaar naar de keel te vliegen. Josafat, de koning van Juda, komt over als een goed man die in grote lijnen verlangt om zich te houden aan het verbond en trouw te zijn aan God, maar hij is nogal een watje.

Hij behandelt de militaire verkenningsexpeditie alsof het een avontuur is, maar hij wil wel dat Achab, koning van Israël, ‘naar het woord van de HEERE’ vraagt (22:5).

Nadat de valse profeten klaar zijn, is Josafat clever genoeg om te vragen of er misschien nog een andere profeet van de Heer is, en Micha verschijnt op het toneel. Maar ondanks de waarschuwingen van Micha trekt hij er toch op uit met Achab en stemt er zelfs mee in om zijn koninklijke gewaad aan te houden terwijl Achabs identiteit gemaskeerd wordt.

Maar de kern van de zaak draait om Micha. Merk op:

(1) Impliciet blijkt dat Achab zich omringd heeft met religieuze ja-knikkers die hem zullen vertellen wat hij wil horen. De reden dat hij Micha haat, is dat hetgeen Micha over hem zegt slecht is. Zoals alle leiders die zich omringen met ja-knikkers, zorgt hij er zelf voor dat hij wordt misleid.

(2) Wanneer Micha begint met een sarcastische positieve prognose (22:15), ziet Achab meteen dat hij niet de waarheid spreekt (22:16). Dit wijst op een geweten dat meer dan een klein beetje bezwaard is. Uiteindelijk had God Achab voorheen al gezegd dat, omwille van zijn schuld in de zaak van Naboth, honden op een dag zijn bloed zouden oplikken (21:19). Hij verwachtte dus wel een bepaalde dag slecht nieuws te horen, en ten diepste kon hij nooit echt de blijde vooruitzichten van zijn onderdanige ‘profeten’ vertrouwen.

(3) Wanneer Micha hem vertelt over het aanstaande onheil, geeft hij ons ook een dramatische reden voor de samenhang en unanimiteit van de valse profeten: God zelf had een leugengeest gezonden. Achabs tijd is gekomen: hij zal uitgeschakeld worden. Gods soevereiniteit strekt zich zelfs uit tot de instrumenten om Achabs tamme profeten een ‘krachtige dwaling’ te sturen (vergelijk met 2 Thess. 2:11-12).

Maar het feit dat Achab dit allemaal te horen krijgt toont aan dat God nog steeds genadig toegang biedt tot de waarheid. Maar Achab is zo ver afgedwaald dat hij de waarheid niet kan verwerken. In een dwaze reactie gelooft hij genoeg van de waarheid om zijn eigen identiteit te verbergen in de rangen van zijn gewone soldaten, maar onvoldoende om weg te blijven uit Ramot in Gilead. Dus sterft hij: Gods soevereine oordeel wordt uitgevoerd, zeker omdat Achab de leugen verkoos, terwijl hij zowel de waarheid als de leugen te horen kreeg.


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.