woensdag 8 oktober 2014

'De HEER werd woedend op Salomo, omdat hij ontrouw was geworden aan hem' (1 Kon. 11)


1 Koningen 11; Filippenzen 2; Ezechiël 41; Psalmen 92-93

Op weinig plaatsen heeft het word ‘echter’ [in de NBG-vertaling staat er: ‘nu’] meer brute kracht dan in 1 Koningen 11:1: ‘Koning Salomo nu had (…) vele vreemde vrouwen lief’. In die tijd werd de grootte van de harem van een koning algemeen beschouwd als een weerspiegeling van zijn rijkdom en macht. Salomo huwde prinsessen van overal, vooral, maakt de schrijver pijnlijk duidelijk, ‘behorende tot die volken, van wie de HERE tot de Israëlieten had gezegd: Gij zult u met hen niet inlaten, en zij zullen zich met u niet inlaten, voorwaar, zij zouden uw hart meevoeren achter hun goden’ (11:2).

Dit is precies wat er gebeurde, in het bijzonder toen Salomo ouder geworden was (11:3-4). Hij nam deel aan de dienst van vreemde goden. Om zijn vrouwen te behagen, voorzag hij in heiligdommen, altaren en tempels voor hun goden. Ongetwijfeld begonnen veel Israëlieten deel te nemen aan die heidense diensten. Op zijn minst zal de verontwaardiging bij velen afgenomen zijn, vooral omdat Salomo bekend stond als een zeer wijs, vindingrijk en succesvol koning.

Uiteindelijk breidde zijn heidense afgoderij zich uit tot de afschuwelijke goden voor wie men kinderen offert. Zo deed Salomo ‘wat kwaad is in de ogen des HEREN, en hij volgde de HERE niet ten volle, zoals zijn vader David’ (11:6). Natuurlijk had David zelf bij momenten gefaald. Maar hij viel terug van een leven van principiële toewijding aan de Here God, en hij had berouw en keerde terug naar de Heer; hij leefde niet in een stroom van groeiend godsdienstig compromis zoals zijn zoon en troonopvolger.

De straf wordt uitgesproken (11:9-13): na zijn dood zal Salomo’s koninkrijk worden verdeeld, met tien stammen die zich afscheuren, zodat er slechts twee overblijven voor het Davidische koningshuis – en zelfs dit schamele overblijfsel wordt alleen overgelaten ter wille van David.

Ware Salomo een man van een ander kaliber, hij had berouw getoond, de gunst van de Heer gezocht, de offerhoogten vernield en opgeroepen tot verbondstrouw.
Maar de trieste waarheid is dat Salomo zijn vrouwen en hun opinie belangrijker vond dan zijn Verbondsheer en diens opinie.

Tijdens de slotjaren van zijn regering kreeg Salomo heel wat tekenen voor het feit dat Gods bewaring en gunst hem onttrokken waren (11:14-40). Niets is droeviger dan Salomo’s vergeefse poging om Jerobeam te laten ombrengen – het roept herinneringen op aan Sauls pogingen om David te doden. Maar er is geen beweging naar God toe, geen bekering, geen honger naar God.

We kunnen er tal van lessen uit leren. Wees voorzichtig wat en wie je liefhebt. Een goede start is geen garantie voor een goede afloop. Geef gevolg aan Gods waarschuwingen wanneer je nog kunt; doe je dit niet, dan kun je uiteindelijk zo verhard geraken dat zelfs zijn meest ernstige dreigementen je niet meer zullen raken.

Op het niveau van de canon leren we dat zelfs het meest gezegende, bewaarde en gezalfde koningshuis, gekozen uit het uitverkoren volk van de Heer, zijn einde aankondigt: het zal uiteenvallen. Oh, hoezeer hebben we toch een Redder nodig, een koning uit de hemel!


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 7 oktober 2014

'Het is dus waar, wat ik in mijn land over u en uw wijsheid gehoord heb' (1 Kon. 10)

1 Koningen 10; Filippenzen 1; Ezechiël 40; Psalm 91

Het bezoek van de koningin van Seba (1 Koningen 10) werd in boeken en films vaak bijgekruid tot een koninklijk liefdesverhaal. In de bijbelse tekst duikt geen enkele aanwijzing op voor liefdesinteresse of voor een seksschandaal. Het verhaal van de koningin van Seba is bedoeld om met een concreet voorbeeld aan te tonen dat Salomo’s reputatie wijd en zijd was toegenomen, en dat deze reputatie gebaseerd was op reële feiten. Een paar opmerkingen over de ontmoeting:

Ten eerste
biedt dit verslag een gelegenheid om, eerder oppervlakkig, iets te zeggen over de aard van waarheid in het Oude Testament. Sommigen hebben betoogd dat het Hebreeuwse woord voor ‘waarheid’, ‘‘emet’, in werkelijkheid ‘trouw’ of ‘betrouwbaarheid’ betekent, en dat het te maken heeft met relaties en niet met proposities [stellingen]. Sommigen betogen zelfs dat de schrijvers van het Oude Testament gewoon geen bewoordingen hebben voor ware proposities.

Zoals bij de meeste fouten, hangt er ook aan deze een vleugje van waarheid (als ik dat woord mag gebruiken) vast. Zeker, ‘‘emet’ heeft een bredere betekenis dan het Engelse woord ‘truth’ [of het Nederlandse ‘waarheid’], en kan verwijzen naar trouw. Maar woorden kunnen ook trouw weergeven.

De koningin van Seba vertelt Salomo dat de roep die ze in haar eigen land gehoord had over zijn daden en wijsheid ‘emet was: het was ‘waar’ (10:6 [HSV: ‘de waarheid’]); nog letterlijker, omdat het verslag getrouw was, d.w.z. omdat de stellingen overeenkwamen met de werkelijkheid, was het verslag waarheid. Weg dus met een reductionistische analyse van wat het oude Hebreeuws wel of niet kon weten.

Ten tweede biedt een groot deel van het hoofdstuk beknopte beschrijvingen van Salomo’s rijkdom, militaire macht, succesvolle handelsmissies met schepen die zich op zee begeven, muziekinstrumenten, en meer.

Toch is er ook ruimte gereserveerd voor verschillende uitgesproken theologische thema’s. Koningen bezochten Salomo om te luisteren naar zijn wijsheid – en die wijsheid was door God zelf in zijn hart gelegd (10:24).

Salomo genoot zelfs een buitengewone reputatie voor het handhaven van recht en gerechtigheid in zijn koninkrijk, in die mate dat de koningen van Seba dacht dat zijn daden op dit vlak aantoonden dat ‘de HERE Israël voor altoos liefheeft’ (10:9).

Maar ten derde is dit alles in zekere zin een opstap naar het volgende hoofdstuk. Ondanks al de zegeningen, wijsheid, macht, rijkdom, prestige en eer die Salomo genoot, allemaal uit de hand van God ontvangen, is er het droevige feit dat zijn eigen wandel de deur openzette voor oordeel en de ondergang van het Davidische koningshuis.

Die gecompliceerde ontwikkelingen laten we liggen tot de overdenking van morgen. Hier volstaat het stil te staan bij het feit dat buitengewone zegeningen niet noodzakelijkerwijs een bewijs zijn van trouw. Omdat God traag is om te toornen (wat zeker een goede zaak is!), worden de oordelen die onze misdaden verdienen vaak lang uitgesteld. Veronderstel niet snel dat huidige zegeningen een bewijs zijn voor huidige trouw: de vreselijke vrucht van trouweloosheid kan een lange rijptijd vragen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 6 oktober 2014

'Bid ook voor mij … ' (Ef. 6)

1 Koningen 9; Efeziërs 6; Ezechiël 39; Psalm 90

Net voor de slotzinnen van Paulus’ brief aan de Efeziërs, nodigt hij zijn lezers uit voor hem te bidden (Ef. 6:19-20): ‘Bidt ook voor mij, dat mij bij het openen van mijn mond het woord geschonken worde, om vrijmoedig het geheimenis van het evangelie bekend te maken, waarvoor ik een gezant ben in ketenen. Dan zal ik daartoe vrijmoedig kunnen optreden, zoals ik behoor te spreken.’

(1) Wanneer Paulus elders modellen schetst van hoe zijn bekeerlingen zouden moeten bidden (bijv. in Ef. 3:14-21; Fp. 1:9-11), komt het thema ‘zending’ niet zo sterk uit de verf als hier. Weliswaar vraagt Paulus ook elders aan anderen om voor hem te bidden (1 Thess. 5:25), maar hier specificeert hij wat hij wil dat ze zullen vragen in gebed (vgl. Kol. 4:4; 2 Thess. 3:1). Hij wil in staat zijn om het ‘geheimenis’ van het evangelie zonder vrees te kunnen spreken.

(2) Het is zeker bemoedigend dat Paulus de nood voelt aan dergelijk gebed. Wij plaatsen de apostel soms op een dermate groot voetstuk dat we vergeten dat hij een gewone sterveling was die te maken kreeg met dezelfde verzoekingen die ook wij ontmoeten. Hij was zich zeer goed bewust van hoe makkelijk het is het evangelie te verzaken, het een klein beetje aan te passen, om rond die delen heen te fietsen waarvan we denken dat onze toehoorders ze lastig of aanstootgevend zullen vinden. Dus wist hij dat om het evangelie getrouw te kunnen prediken, hij het ook zonder vrees zou moeten prediken.

Dit weerspiegelt niet een ‘in your face’-stijl [recht voor de raap]. Het betekent eerder dat Paulus wilde kunnen spreken zonder dat hij zou vrezen voor wat zijn toehoorders konden denken of zeggen over hem, of wat ze hem konden aandoen, zodat hij mogelijk water bij de wijn zou doen bij het evangelie dat hij kwam verkondigen.

Je hebt niet veel verbeelding nodig om manieren te ontdekken waarop de predikers in de Westerse wereld van vandaag veel gebed op dit terrein nodig hebben. Beeld je eens in dat je predikt voor laatstejaarsstudenten aan een heidense universiteit, of voor een publiek van succesvolle twintigers of dertigers uit de zakenwereld van pakweg New York. Wanneer je het boek Romeinen uitlegt, hoe zul je dan precies het onderwerp homoseksualiteit in hoofdstuk 1 behandelen en uitverkiezing in hoofdstuk 9?

Hoe zul je over de hel spreken vanuit de vele gedeeltes waarin Jezus zelf uitpakt met de meest verschrikkelijke beelden? Hoezeer zou je in de verleiding kunnen komen om terug te deinzen wanneer je de zuivere exclusiviteit van het evangelie moet behandelen of wanneer je over geld spreekt tegen rijke mensen?

(3) We mogen niet naast het feit kijken dat Paulus bereid is om gebed te vragen. Sommige leiders denken dat ze nooit enige zwakheid mogen laten blijken, of een bepaalde vrees of behoefte. Ze handelen alsof ze boven de strijd staan. Paulus niet. Zijn vraag om gebed is niet pro forma: hij vraagt om gebed om het evangelie zonder vrees te kunnen prediken omdat hij lang genoeg heeft gepredikt, en zichzelf goed genoeg kent, om ook de macht en het gevaar te kennen dat je louter predikt om publieke bijval te krijgen. Door te vragen om gebed, geeft hij zijn angsten toe en verzekert hij zich van hun goddelijke hulpmiddel.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 5 oktober 2014

'Zelfs de hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb' (1 Kon. 8)

1 Koningen 8; Efeziërs 5; Ezechiël 38; Psalm 89

De inwijding van de tempel in Jeruzalem en Salomo’s gebed bij die gelegenheid (1 Koningen 8) lopen over van de verbanden die zowel teruggrijpen als vooruitgrijpen op de heilshistorische geschiedslijn.

(1) De structuur van de tempel is een geproportioneerde reproductie van de tabernakel. Zo gaan de rituelen die het Mozaïsche verbond voorschreef en de symbolische waarde van alles wat God voorschreef via Mozes verder: het altaar, de tafel voor de toonbroden, het heilige der heiligen, de twee cherubim boven de ark van het verbond, enzovoort.

(2) Het meest spectaculaire, nadat de ark van het verbond vervoerd werd naar zijn nieuwe verblijfplaats en de priesters zich terugtrokken, is de heerlijkheid van God die de tempel vult, aangeduid door dezelfde soort wolk die de tegenwoordigheid van de Heer kenmerkte in de tabernakel.

Niet alleen verbindt God zijn goedkeuring aan de tempel, maar een nieuwe stap is gezet in de zich ontvouwende plannen van God. Terwijl de symboliek van de tabernakel behouden blijft in de tempel, is dit bouwwerk niet langer iets mobiels.

De jaren van rondzwerven, en zelfs de onzekere jaren van de Richters, zijn voorbij. Nu wordt Gods tegenwoordigheid, gemanifesteerd in dit stevige gebouw, verbonden aan één locatie: Jeruzalem. Een nieuwe lading historische ervaringen vol symboliek voegen nieuwe rijke dimensies toe aan de groeiende rijkdom die heenwijst naar de komst van Jezus. Hier is een stabiel koninkrijk – en het koninkrijk van God; Jeruzalem, en het nieuwe Jeruzalem; de glorieuze tempel, en de stad die geen tempel nodig heeft want ‘de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam’ (Opb. 21:22). Hier zijn tienduizenden dieren geslacht – en het Lam van God, die de zonde der wereld wegneemt.

(3) Op zijn best is Salomo zich terdege bewust dat geen bouwwerk, zelfs dit niet, God kan bevatten of kan binden. ‘Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb’ (8:27).

(4) Maar dit weerhoudt er hem niet van God te vragen dat Hij zichzelf hier zou vertonen. Meer dan wie ook weet Salomo dat wat het volk het meest nodig zal hebben, vergeving is. Zo herhaalt Salomo in uitgebreide en vooruitziende beschrijvingen van ervaringen waar het volk doorheen zal moeten, een bepaalde variant van het refrein: ‘En U, luister in Uw woonplaats, in de hemel, ja luister, en vergeef’ (8:30 e.v. [HSV]). Dat is heel juist: hoor in de hemel, zelfs als de ogen van het volk op deze tempel zijn gericht, en vergeef.

(5) Salomo’s vooruitblik omvat de angstaanjagende mogelijkheid van ballingschap (8:46-51), gevolgd door redding en verlossing. Terwijl Salomo het volk opwekt tot trouw (8:56-61), herhaalt hij verder ook een belangrijk punt uit het verbond met Abraham (Gen. 12:3): Israël moet trouw zijn ‘opdat alle volken der aarde mogen weten, dat de HERE God is en niemand meer’ (8:60).


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 4 oktober 2014

Wandelt niet langer zoals de heidenen (Ef. 4)


1 Koningen 7; Efeziërs 4; Ezechiël 37; Psalmen 87-88

Een van de opvallende kenmerken van de brieven van Paulus is dat veel ruimte wordt gebruikt om mensen te onderwijzen hoe ze moeten leven. De Bijbel in zijn geheel is er inderdaad op gericht ons te onderwijzen wat we moeten geloven (omdat deze dingen waar zijn), en hij is er niet minder op gericht ons een trouwe wandel te leren. Nergens is dergelijke balans duidelijker dan in de brieven van Paulus.

De reden voor die volledigheid ligt in het wezen van God. De God van de Bijbel, de God die is [of ‘the God who is there’], zoals Francis Schaeffer ons leerde zeggen, is de God van alles. Hij is niet de God van de gedachten alleen, of alleen maar van een bepaald exclusief spiritueel of religieus gebied. Hij is God.

Als onze Maker en voorzienige Heerser, strekken zijn aandacht en gezag zich uit over elk aspect van ons wezen, onze overtuigingen, onze woorden en ons gedrag.

Dan nog blijven proberen om een soort vreselijke spanning in stand te houden tussen onze geloofssystemen en ons gedrag is niet alleen een uitnodiging tot schizofrenie, het is ook een belediging van God, een vreselijke opstandigheid die niet minder lelijk is omdat ze selectief tewerk gaat.

Dit betekent dat onze leer en prediking niet alleen waarheden moeten bevatten die moeten worden geloofd, maar ook instructies over hoe we moeten leven. Een heel duidelijk voorbeeld op dit vlak is het voorbeeld van Paulus in Efeziërs 4:17-32.

Er is niemand die ernstig durft te betwijfelen of dit hoofdstuk rijke leerstellingen bevat. Toch zien we hoe Paulus hier benadrukt ‘dat gij niet langer moogt wandelen zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun denken’ (4:17).

Hij verbindt die ‘ijdelheid’ met hun onwetendheid van God aan de ene kant, en met hun vreselijke gedrag aan de andere kant. ‘Maar zo hebt u Christus niet leren kennen!’ (4:20 [NBV]). U bent geschapen ‘overeenkomstig het beeld van God’, ‘in waarachtige gerechtigheid en heiligheid’ (4:24). Dit betekent dat u ‘de oude mens aflegt’, en ‘verjongd wordt door de geest van uw denken’ en ‘de nieuwe mens aandoet’ (4:22-24).

Dit zou allemaal een beetje etherisch [of zweverig] kunnen blijven. Paulus wil een dergelijke uitweg niet openlaten. De rest van het hoofdstuk is hij rechtuit en praktisch. Het gedrag dat Paulus verwacht omvat waarheidsgetrouw spreken – ‘omdat wij leden zijn van elkander’ (4:25), en een praktische toewijding om geen dag in toorn te laten eindigen, opdat de duivel geen voet zou krijgen (4:26-27).

Bekeerde dieven mogen niet meer stelen. Ze moeten werken, iets nuttigs doen, leren vrijgevig te zijn met wat ze verdienen (4:28). Wat onze woorden betreft moeten we niet enkel wegdoen wat lasterlijk, vuil of ‘ongezond’ is, maar we moeten leren uiten wat ‘nuttig is tot opbouw, opdat het genade geeft aan hen die het horen’ (4:29 [HSV]).

Anders gezegd: ‘Alle bitterheid, gramschap, toorn, getier en gevloek worde uit uw midden gebannen, evenals alle kwaadaardigheid. Maar weest jegens elkander vriendelijk, barmhartig, elkander vergevend, zoals God in Christus u vergeving geschonken heeft’ (4:31-32).


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 3 oktober 2014

'Mij is in een openbaring het mysterie onthuld' (Ef. 3)


1 Koningen 6; Efeziërs 3; Ezechiël 36; Psalm 86

Een geheimenis in de geschriften van Paulus is gewoonlijk niet iets ‘mysterieus’, nog minder een whodunit – een detectiveverhaal. Het is een waarheid of leerstelling die in bepaalde mate werd verborgen gehouden in de generaties daarvoor, en nu met de komst van het evangelie werd onthuld en openbaar gemaakt.

Soms wordt het evangelie zelf beschreven als een mysterie; meer gebruikelijk is dat een bepaald element van het evangelie het label van mysterie of geheimenis krijgt.

In Efeziërs 3:2-13 benadrukt Paulus dat hij, samen met andere ‘apostelen en profeten’ (3:5), diep inzicht kreeg ‘in het geheimenis van Christus, dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu door de Geest geopenbaard is aan de heiligen’ (3:4-5). Dan vertelt hij ons de inhoud van dit mysterie: ‘dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie’ (3:6).

We moeten stilstaan bij de manieren waarop dit mysterie verborgen was. De Schriften van het Oude Testament grijpen zeker bij momenten al vooruit naar de genade van God die zich verder uitstrekt naar mannen en vrouwen uit alle volken. Het verbond met Abraham voorzag dat in Abrahams zaad alle volken op aarde gezegend zouden worden (Gen. 12:3, zie de overdenking van 11 januari). Wat is daar dan verborgen aan?

Maar het blijft een feit dat de ruimte die de Bijbel wijdt aan de Wet van Mozes, gekoppeld aan het groeiend aantal uitleggingen die de Mozaïsche wet zien als het begripskader dat de lezing van een groot deel van het Oude Testament bepaalde, maakt dat die bredere nadruk vaak uit het oog werd verloren.

Dus kan die verborgenheid aan de ene kant worden gezien als een goed uitgewerkt plan van God om de heerlijkheid van zijn ‘eeuwige voornemen’ (3:11 [NBV: ‘eeuwenoude plan’]) te verbergen, tot de tijd rijp was om het te ontvouwen; aan de andere kant heeft de verborgenheid ook iets te maken met de menselijke verdorvenheid, die de Oudtestamentische Schrift leest op een manier die de ware dimensies van de beloften uit het Oude Testament aan banden legt en minimaliseert.

Met de komst van Christus werden de manieren waarop de boeken van het Oude Testament al vooruit wezen veel duidelijker. Jezus’ Grote Opdracht zette een stempel van internationalisme op de zending van zijn discipelen, die alle parochialisme beschaamt.

Bovenal verschaft Jezus’ uitleg van het Oude Testament een aantal nieuwe inzichten. Als we de verhaallijn van het Oude Testament goed lezen in zijn lineaire, historische verloop, dan ligt er niet zoveel nadruk op de Wet van Mozes als sommigen dachten.

Het Mozaïsch verbond blijkt zelfs een mislukking in termen van in welke mate het mensen maar kon veranderen. Haar grootste succes ligt in het feit dat het ons modellen verschaft die beschrijven hoe de ultieme Redder, de ultieme Priester, de ultieme Tempel, het ultieme Offer er zouden uitzien. En Paulus is de apostel die niet alleen dit mysterie predikt, maar dit ook doet tot de heidenen, de mensen die het meest zouden worden geraakt door de inhoud van dit geheimenis.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 2 oktober 2014

'U was dood door de misstappen en zonden' (Ef. 2)

1 Koningen 4-5; Efeziërs 2; Ezechiël 35; Psalm 85

Christenen wordt vaak geleerd Efeziërs 2:8-9 te memoriseren: ‘Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme’. Er worden zeker prachtige waarheden uitgedrukt in deze zinnen. Maar ik zal focussen op een aantal van de dingen die Paulus zegt in de omringende verzen.

(1) Voor onze bekering waren wij, net als de Efeziërs, dood door onze ‘overtredingen en zonden’ (2:1). Door onze verslaving aan overtredingen en zonden, door onze gewoonte de wegen van de wereld te volgen (2:2), omdat we tegelijk misleid waren door de duivel (2:2) en ons wijdden aan de bevrediging van de verlangens en gedachten van onze zondige natuur (2:3), was er voor ons gewoon geen manier om het evangelie positief te beantwoorden.

Erger nog, ons tragisch onvermogen was een moreel onvermogen: ‘wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns’ (2:3). Er was geen hoop voor ons, tenzij God zelf ingreep en leven bracht waar er slechts dood was en barmhartigheid bewees waar zijn eigen gerechtigheid toorn vereiste.

(2) Dit is wat God deed: terwijl wij nog steeds dood waren, heeft God, ‘die rijk is aan erbarming’, om zijn grote liefde voor ons, ons ‘mede levend gemaakt met Christus’ (2:4-5). Dit was louter vanuit zijn genade: we konden onszelf zeker niet helpen, omdat wij ‘dood waren’ (2:5).

(3) God maakt ons zelfs zodanig één met Christus dat we in zijn ogen al zijn opgewekt met Hem en gezeten zijn ‘in de hemelse gewesten, in Christus Jezus’ (2:6). God heeft deze stappen genomen ‘om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus’ (2:7). Dus ligt onze ultieme hoop en verwachting nog voor ons. Geen christen kan staande blijven zonder dit toekomstperspectief te zien en naar waarde te schatten.

(4) Op dit punt benadrukt Paulus de zuivere barmhartigheid van het geschenk van de behoudenis, een geschenk dat ontvangen wordt door geloof, dat zelf het geschenk van God is, en heel apart staat van gelijk welk werk dat we kunnen verrichten. Want als we konden, dan zouden we erover roemen.

(5) Maar niets van dit alles betekent dat we ons leven voortzetten zoals we dit voorheen deden – dood in overtredingen, terwijl we onze eigen verlangens en gedachten nastreven. Verre van: wij die Gods genade hebben ontvangen, en het geloof om ons die eigen te maken, zijn 'zijn maaksel’, ‘in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen’ (2:10). Iemand kan niet meer van reddende genade genieten zonder in goede werken te wandelen, dan iemand reddende genade kan ervaren zonder ooit de onmetelijke rijkdom te kennen die ons wacht in de komende eeuw. Die grote behoudenis is één geweldig pakket!


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 1 oktober 2014

'Zie, Ik geef u een wijs en verstandig hart' (1 Kon. 3)

1 Koningen 3; Efeziërs 1; Ezechiël 34; Psalmen 83—84

Christenen vragen soms waarom Salomo, als hij dan zo wijs was, vele vrouwen huwde, zijn koningschap eerder slecht beëindigde en uiteindelijk zijn loyaliteit aan God compromitteerde.

Het antwoord ligt deels in het verschil tussen wat wij bedoelen met wijsheid en de verschillende dingen die de Bijbel bedoelt met wijsheid. Wij bedoelen er meestal iets nogal algemeen mee, zoals ‘weten hoe je goed leeft en verstandige keuzes maakt’.

Maar waar wijsheid in de Bijbel kan verwijzen naar iets in brede zin – zoals weten hoe je leeft in de vrees van God – verwijst het ook vaak naar een welbepaalde bekwaamheid. Dit kan de vaardigheid zijn te weten hoe je overleeft in een gevaarlijke wereld (Spr.30:24), of een bepaalde technische vaardigheid (Ex. 28:3 [in NBG en HSV – in de NBV gaat de betekenis op dit vlak verloren, JL]).

Maar een van de bekwaamheden waar wijsheid ook naar kan verwijzen is de bekwaamheid om te besturen, vooral in de rechtspraak. En het is duidelijk dit waar Salomo om vraagt in 1 Koningen 3.

Wanneer hij Gods vrijgevige aanbod beantwoordt om hem alles te geven waar hij om vraagt, erkent Salomo dat hij maar een klein kind is en niet weet hoe hij zijn taken moet vervullen (3:7). Wat hij daarom wil is een hart dat inzicht bezit om het het volk goed te besturen, vooral in het onderscheiden tussen goed en kwaad (3:9).

God prijst Salomo omdat hij niet heeft gevraagd naar iets voor zichzelf, zelfs niet om iets wraakzuchtigs (zoals de dood van zijn vijanden), maar om inzicht ‘om een rechtszaak te kunnen horen’ (3:11). God belooft Salomo precies te geven waar hij om gevraagd heeft, samen met rijkdom en eer (3:12-13).

Het verslag van de twee hoeren die allebei dezelfde levende baby opeisen en ontkennen dat de dode baby van hen is, en Salomo’s oplossing voor hun zaak (3:16-27), bewijst dat God het verzoek van de koning heeft ingewilligd. De hele natie merkt van Salomo ‘dat de wijsheid Gods in hem was om recht te doen’ (3:28). Ongetwijfeld zouden de meeste Westerse landen vandaag best wat meer mensen kunnen gebruiken die op eenzelfde manier begiftigd zijn.

Hoezeer God hem ook prijst voor zijn keuze, dit betekent niet dat dergelijke wijsheid het enige is dat Salomo nodig heeft om te wandelen in trouw aan het verbond. Want los van de wijsheid, rijkdom en eer die Hij zal verlenen, zegt God hem ‘En indien gij op mijn wegen wandelt en mijn inzettingen en geboden bewaart, zoals uw vader David gewandeld heeft, dan zal Ik uw leven verlengen’ (3:14).

Daar dreigen meteen al wolken: om zijn zuidelijke grens te beschermen, huwt Salomo met een Egyptische prinses (3:1). Omdat ze populair zijn, schaft hij de verboden ‘hoogten’ niet af, maar neemt hij deel aan de offerdienst die daar plaatsvindt (3:2-4).

God schenkt soms wonderlijke gaven van wijsheid – technische, sociale, bestuurlijke of rechterlijke vaardigheden – maar tenzij we ook van Hem een hart krijgen dat er is op afgestemd Hem waarlijk lief te hebben en Hem volkomen te gehoorzamen, kunnen onze wegen rampzalig eindigen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 30 september 2014

'Ik wil me op niets anders laten voorstaan dan het kruis van Jezus' (Gal. 6)


1 Koningen 2; Galaten 6; Ezechiël 33; Psalmen 81-82

Het slot van Galaten 6 brengt diverse thema’s samen.

(1) Het was Paulus’ gewoonte om zijn brieven te dicteren. Niettemin schreef hij gewoonlijk het laatste klein stukje in zijn eigen opvallende handschrift, om de brieven te legitimeren (vergelijk met 2 Thess. 3:17). Zo ook hier (Gal. 6:11).

Sommigen hebben gesuggereerd dat zijn ‘grote letters’ verraden dat zijn zicht achteruitgaat. De belangrijke kwestie is hier dat Paulus wil dat zijn lezers de ware stem achter deze brief herkennen.

(2) De oproerkraaiers proberen om de Galatische heidense gelovigen te overtuigen de besnijdenis aan te nemen (6:12). Dat zou hen (zo dachten ze) goede Joden maken – een noodzakelijke voorwaarde voor hen om ware christenen te worden.

Maar Paulus achterhaalt dat minstens een gedeelte van hun motivatie eruit bestaat aanvaard te blijven in de kringen van de Joodse synagoge. Op dit punt van de kerkgeschiedenis, was de grootste vervolging afkomstig van de synagogeraden die tucht uitoefenden.

Paulus had zelf zijn deel van het lijden gehad: de negenendertig zweepslagen, die hij vijf keer onderging (2 Kor. 11), was een straf van de synagoge. Paulus is van mening dat sommige Joden die zichzelf christen noemen en er op staan dat christenen uit de heidenen Joden worden, gewoon niet bereid zijn om de schande te ondergaan die ze van sommige mede-Joden zullen te lijden krijgen, wanneer hun naaste ‘broers’ en ‘zusters’ niet-koosjere (of onreine) heidenen blijken.

(3) Daarbij kwam dat besnijdenis een teken was van gepretendeerde verbondstrouw. Hier ligt het echte probleem, benadrukt Paulus: zij die besneden zijn vinden het onmogelijk om zich ‘aan de wet te houden’, dus waarom zouden ze dan proberen anderen te overhalen ditzelfde spoor te bewandelen (6:13)? Sommigen onder hen willen bekeerlingen tot het judaïsme tellen als scalpen aan een speer.

Maar Paulus stelt dat de christen in niets anders roemt dan in het kruis van de Heer Jezus (6:14). Dat is voor God de enige basis voor onze aanvaarding, niets anders – niet besnijdenis, niet het houden van de wet, niet reine tafels, niet het behoren tot de juiste gemeenschap.

De enige basis is het kruis, dus is dat onze enige ‘roem’. Als je dit gelooft, zal het er weinig toe doen wat de wereld denkt: het is, wat jou betreft, alsof de wereld gekruisigd is, en jij bent gekruisigd wat de wereld betreft.

(4) Uit dit kruiswerk van Jezus Christus komt de ‘nieuwe schepping’ te voorschijn (6:15). Dit is wat telt – mannen en vrouwen die zo veranderd zijn, door het geloof in Jezus, dat ze tot een nieuwe schepping behoren die nog realiteit moet worden. Dit is onveranderlijk waar, zelfs voor ‘het Israël van God’ – wat kan verwijzen naar de kerk als het ware Israël, of mogelijk betekent dat Israël naar het vlees, net als ieder ander, deze waarheid nog onder ogen moet zien.

(5) Op persoonlijk vlak herinnert Paulus de Galaten er vriendelijk aan dat hij voor zijn geloof heeft moeten betalen met lijden. Geldt dit ook voor de oproerkraaiers? Dus waarom zou een ware christen nu nog toevoegen aan het lijden van Paulus?


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 29 september 2014

Ook het kruim heeft zwaktes (1 Kon. 1)

1 Koningen 1; Galaten 5; Ezechiël 32; Psalm 80

De overgang van het koninklijk gezag van David naar Salomo (1 Koningen 1) verloopt warrig. Een van Davids zonen, Adonia, spant samen met Joab, het hoofd van het leger, en probeert de macht over te nemen. Batseba, de moeder van Salomo, herinnert haar zieke echtgenoot aan zijn belofte dat Salomo de opvolger zou zijn, en het gecompliceerde tafereel loopt af.

Nog maar eens springt het chronische falen van David op gezinsvlak er uit. De auteur van 1 Koningen vestigt er onze aandacht op in de terloopse commentaar van 1:6. Verwijzend naar Adonia, die de coup probeerde te plegen, merkt hij op: ‘Nu had zijn vader hem zijn leven lang geen verwijt gemaakt: Waarom doet gij zo? Ook was hij zeer welgevormd van gestalte en volgde in geboorte op Absalom’ – alsof er goed uitzien een soort eenvoudige arrogantie voortbracht die deed denken dat hij op alles recht had, inclusief de kroon. Van de vele belangrijke lessen kunnen we er twee uitlichten:

Ten eerste kunnen zelfs begaafde en moreel oprechte gelovigen vaak tragische zwakheden vertonen. Af en toe staat een Daniël op, van wie geen mislukkingen vermeld staan. Maar het merendeel van het kruim in de Schrift geeft blijkt van de een of andere zwakte – Abraham, Mozes, Petrus, Thomas, en (niet het minst) David.

We moeten die realiteit onder ogen zien, want vandaag is het niet minder zo. God wekt strategisch geplaatste en invloedrijke leiders op. Per uitzondering is iemand zodanig consequent dat het zeer moeilijk is om ook maar een noemenswaardige misrekening te bespeuren. Maar gewoonlijk is dit niet het geval.

Meestal vertonen zelfs de besten van onze christelijke leiders fouten die hun dichtste familieleden en vrienden kunnen opmerken (of de leiders ze nu zelf zien of niet!). Dit zou ons niet moeten verrassen. In deze gevallen wereld is dit hoe de dingen gaan, en ook hoe de dingen verliepen in de tijd dat de Bijbel werd geschreven.

Daarom zouden we niet gedesillusioneerd mogen zijn wanneer leiders blijk geven van onvolmaaktheden. We zouden hen moeten ondersteunen waar we maar kunnen en waar mogelijk proberen de tekortkomingen te corrigeren, en de rest aan God overlaten – terwijl we ondertussen wel altijd het vreselijk potentieel voor falen en fouten beseffen dat in onze eigen levens ligt.

Ten tweede werkt Gods soevereiniteit nog maar eens doorheen de gecompliceerde inspanningen van zijn volk. Wanneer David op de hoogte wordt gebracht van het probleem, gooit hij zijn handen niet in de lucht en gaat hij niet in gebed over de situatie: hij beveelt onmiddellijk dat beslissende, symbolische en complexe stappen worden gezet om te verzekeren dat Salomo de troon kan bestijgen.

Vertrouwen in Gods soevereine goedheid is nooit een excuus voor passiviteit of laksheid. Vele jaren van geloofswandel hebben David geleerd dat, wat ‘wandelen door geloof’ ook allemaal nog moge betekenen, het allerminst een vrijbrief is voor passiviteit. Willen we vermijden te handelen in strijd met God, of met ijdele pogingen onafhankelijk van God, dan moeten we ook het piëtisme vermijden dat in voortdurend gevaar verkeert om vertrouwen te doen verschrompelen tot fatalisme.


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 28 september 2014

Ben ik dus een vijand van u geworden, nu ik u de waarheid zeg? (Gal. 4)


2 Samuël 24; Galaten 4; Ezechiël 31; Psalm 79

Galaten 4 bevat een aantal gedeeltes die ervoor hebben gezorgd dat christenen zich lange tijd hebben afgevraagd hoe Paulus de geschiedenis van Israël precies ziet – in het bijzonder de zogenaamde ‘beeldspraak’ van 4:21-31. Ze vragen heel wat aandacht.

Ingebed in het midden van het hoofdstuk staan echter twee korte paragrafen die heel wat tonen van het hart van de apostel (4:12-20), hoewel ze makkelijk over het hoofd worden gezien.

(1) De eerste (4:12-16) toont hoe de apostel pleit bij de Galaten. Hij stelt dat zijn sterke taal tegenover hen niets te maken heeft met persoonlijke pijn: ‘U hebt mij in geen enkel opzicht onrecht aangedaan’ (4:12 [HSV]). Hij herinnert hen er zelfs aan dat het begin van hun wederzijdse relatie een verbondenheid bewerkte die Paulus nooit zou kunnen verbreken. Hij kwam de eerste maal bij hen, zegt hij, omdat hij ‘ziek geworden was’ (4:13).

We kunnen niet met zekerheid zeggen waar het om ging. Misschien is de beste suggestie (hoewel het niet meer is dan dit), dat Paulus met het schip aankwam op de zuidkust van wat nu Turkije is, en dat hij bij zijn dienst daar besmet werd met malaria of een of andere subtropische ziekte.

De beste oplossing in die tijd was om dan naar hoger gelegen streken te reizen – naar de streek van de Galaten. Daar vond Paulus een opmerkelijk behulpzaam en gastvrij volk. Terwijl hij het evangelie tot hen predikte, behandelden ze hem als ware hij ‘een bode Gods’ (4:14 [HSV: ‘een engel van God’]). Hoe zou Paulus hen dan kunnen laten vallen of afschrijven? Maar spijtig genoeg was hun vreugde verdwenen. Ze waren dermate bekoord door de vreemde visie van de opruiers, dat ze Paulus als een vijand beschouwen omdat hij hen de waarheid vertelt (4:16).

Hier zie je dan een apostel die van dichtbij betrokken is bij de levens van de mensen tot wie hij predikt, bereid en gedreven om met hen uit de complexe geschiedenis van hun relaties te geraken, maar niet bereid om compromissen te sluiten met de waarheid om de scherpe randjes in hun relaties weer weg te werken. Bij Paulus moet zuiverheid in de leer blijven staan naast zuiverheid in relaties; ze mogen niet tegen elkaar worden uitgespeeld.

(2) Paulus bespeurt een verregaande zwakte in het karakter van de Galaten en legt er vriendelijk de vinger op: ze houden van ijverige mensen, zeker van mensen die hen met ijver omringen, zonder zich goed af te vragen in welke richting die ijver gaat (4:17-20). Paulus waarschuwt: ‘Het is goed als u zich inspant, maar doe het dan ook voor de goede zaak’ (4:18 NBV). In de onmogelijkheid om te communiceren via telefoon of e-mail en dus zonder recente update, is de apostel onzeker over hoe hij best doorgaat. Moet hij deze vermaning voortzetten? Moet hij nu zijn toon veranderen en hen het hof maken? Hij voelt zich als een moeder die voor een tweede keer door de pijn van een bevalling moet, om het kind opnieuw te laten geboren worden dat ze eigenlijk al ter wereld bracht.

Zouden hedendaagse voorgangers en leiders minder zorg aan de dag moeten leggen voor hen over wie ze verantwoordelijk zijn wanneer die afdwalen?


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 27 september 2014

'O, onverstandige Galaten, wie heeft u betoverd?' (Gal. 3)

2 Samuël 23; Galaten 3; Ezechiël 30; Psalm 78:40-72

Galaten 3 zou ons gemakkelijk met een volledig boek kunnen boeien dat dikker is dan het boek waar deze dagelijkse overdenkingen uit komen. Maar hier zal ik mezelf beperken tot twee opmerkingen.

Ten eerste
doet Paulus in de eerste vijf verzen een beroep op de ervaring. Hij vraagt de Galaten of hun bekering en alles wat ze van de genade van God en de kracht van de Geest ervaren hebben, hen is overkomen als een gevolg van hun gehoorzaamheid aan de wet van Mozes, of als gevolg van hun geloof.

Tenslotte was Christus hun voor ogen geschilderd als de gekruisigde Redder (3:1). Ze geloofden wat ze hoorden (3:2) en ze ontvingen de Geest. Dit standpunt had hen iets gekost: ze hadden geleden onder vervolging (3:4). Bovendien hadden ze wonderbaarlijke, transformerende werken van de Geest gezien, alles als gevolg van hun door God gegeven geloof (3:5).

Waarom zouden ze dan denken, terwijl ze waren begonnen door de Geest, begonnen door geloof, dat ze nu hun ‘doel’ zouden moeten bereiken – wellicht verdere stappen in groei en kennis van God – door zorgvuldig de wet na te leven? Die aanpak, geeft Paulus aan, is in tegenstelling met hun eigen bekering, een smet op het lijden dat hen is overkomen, en in strijd met hun eigen ervaring van de kracht van de Geest van God.

Dit betekent dat het pad naar het ‘doel’ van de christen geloof is en het leven en de kracht van de Geest, niet het navolgen van de talrijke wetten. Er anders over denken is ‘dwaas’, te luisteren naar hen die ons ‘betoverd’ hebben met een vals begrip van geestelijkheid dat ons aftrekt van de gekruisigde Jezus (zie 3:1).

Ten tweede focust de argumentatie in de rest van het hoofdstuk niet op de ervaring van de individuele christen, maar op de geschiedenis van Gods heilsplan. Paulus zegt met andere woorden niet dat de wet van God moet werken in het geweten van elke ongelovige wil die persoon tot Christus komen. Of dit nu wel of niet zo is, het is gewoon niet waar Paulus het hier over heeft.

Paulus probeert eerder de prioriteit van het geloof te schetsen met betrekking tot onze rechtvaardiging, door in de geschiedenis terug te keren tot bij Abraham (3:6-9).

Dit werpt meteen de vraag op waarom de wet van Mozes er dan eigenlijk nog moest ‘bijkomen’. Paulus biedt ons hier geen complete analyse van de verschillende doeleinden die gediend worden door de wet, maar benadrukt bepaalde punten: ze kwam er niet bij om de principes op te heffen die al ingesteld waren in de tijd van Abraham, en ook niet om een alternatieve weg tot redding te bieden.

Veeleer maakte ze de menselijke zonde duidelijk en onloochenbaar, aangezien die werd ontmaskerd als overtreding; dus dreef ze mensen, langs de heilshistorische tijdslijn, naar Jezus Christus. Een van de manieren waarop Paulus het Oude Testament verschillend verstaat in vergelijking met zijn Joodse collega’s, is dat hij de nadruk legt op het feit dat we het moeten lezen langs zijn temporale assen: Paulus legt uit hoe de Bijbel samenhangt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 26 september 2014

Geen moment gezwicht, want de waarheid van het evangelie moest behouden blijven (Gal. 2)

2 Samuël 22; Galaten 2; Ezechiël 29; Psalm 78:1-39

Sommige commentatoren menen te verstaan dat Paulus in Galaten 2:1 e.v. zegt, dat hij na verloop van een aantal jaren naar Jeruzalem terugkeerde om het evangelie dat hij gepredikt had onder de heidenen voor te leggen aan de apostelen in Jeruzalem en andere leiders, omdat hij zichzelf wilde laten aftoetsen.

Hij deed dit natuurlijk stilletjes, maar feit is dan dat Paulus bang was dat hij zijn wedloop vruchteloos liep of gelopen had (2:2). Dit bewijst dat Paulus in eigen ogen niet zo zelfzeker was als hij pretendeerde te zijn in het voorgaande hoofdstuk. In zekere zin was hij dan toch maar een apostel in afgeleide zin.

Maar deze lezing houdt geen stand. Wat Paulus bedoelt is iets behoorlijk anders. Bij de Galaten waren onruststokers van buitenaf binnengedrongen, mannen die zichzelf voorstelden als erkend door Jeruzalem, als op de een of andere manier ondersteund door de ‘gewone’ apostelen.

Het boek Handelingen levert bewijs dat Paulus soms werd achternagezeten door dergelijke mensen. Dus gaat hij naar Jeruzalem, niet om zijn evangelie te laten goedkeuren of bijsturen (op dit punt zal Paulus zijn mening of richting niet veranderen), maar om te verzekeren dat er geen misrepresentaties zijn onder de leiders in Jeruzalem over wat hij predikt, en om die leiders aan te moedigen om zichzelf volledig te distantiëren van de ‘valse broeders’, die zich onterecht beroepen op Jeruzalem om Paulus en zijn dienst onder de heidenen schade toe te brengen.

Kortom, Paulus zet stappen om te verzekeren dat hij zijn wedloop niet tevergeefs loopt; deze onruststokers proberen zijn werk ongedaan te maken. Hij wil alle nodige stappen zetten om hun aanspraken te ondermijnen en hun invloed teniet te doen.

Handelingen 15 toont dat dit precies is wat het overleg in Jeruzalem bewerkte. Galaten 2:11-14 suggereert zelfs dat Paulus sneller dan bepaalde andere apostelen eenstemmigheid over het evangelie bereikte. Verre van zich te onderwerpen aan hun oordeel over de inhoud van wat hij predikte, was hij bereid om zijn eigen afkeuring te laten blijken als hij hen op inconsistente manier zag handelen.

Hoewel er vele uiterst belangrijke theologische kwesties uit deze ontmoetingen naar voor komen, kunnen we ons op dit moment toeleggen op een praktisch punt.

Terwijl het evangelie waard is om voor te strijden, zijn er goede en verkeerde manieren om dergelijke zaken te behandelen. Wanneer Petrus’ inconsequente houding publiekelijk plaatsvindt en ook publiekelijk schade aanricht, is ook de terechtwijzing door Paulus publiekelijk (2:11-21).

Wanneer Paulus probeert duidelijkheid te scheppen, te ontdekken wat er aan de hand is en de strekking van zijn eigen werk te presenteren, benadert hij de anderen ‘discreet’ (2:2).

Zijn bekommernis gaat uiteindelijk naar de voortgang van het zuivere evangelie, niet naar zijn eigen publieke rechtvaardiging. Wanneer we onszelf in de positie bevinden hardnekkig te moeten strijden voor het evangelie, moeten we er goed over nadenken hoe we dit op de meest keurige en strategische manier kunnen doen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 25 september 2014

'Er is geen ander evangelie, er zijn alleen maar mensen die u in verwarring brengen' (Gal. 1)

2 Samuël 21; Galaten 1; Ezechiël 28; Psalm 77

De openingszinnen van de brieven van Paulus zijn gewoonlijk met grote zorg samengesteld. De eenvoudigste vorm van brieven in de oude Griekse wereld was: ‘Van mij, aan jou, Groeten’ – vaak gevolgd door een bepaalde verklaring van dank, en dan de body [het hoofddeel] van de brief.

Maar het is Paulus’ gewoonte om te ‘sleutelen’ aan elk onderdeel om te anticiperen op wat er nog volgt in de rest van de brief. Een studie van zijn brief als geheel verrijkt dus ons begrip van zijn openingszinnen – en vice versa (Gal. 1:1-5).

(1) Paulus stelt zichzelf niet altijd voor als ‘een apostel’. Soms gebruikt hij geen aanduiding (bijv. in 1 en 2 Thess.); soms verwijst hij naar zichzelf als een ‘dienstknecht’ (Rom. 1:1). Hier is hij ‘Paulus, een apostel’ omdat een aantal mensen de christenen in Galatië in verwarring brachten met een ‘ander evangelie’, dat eigenlijk helemaal ‘geen evangelie is’ (1:6-7), en om dit te doen moesten ze Paulus’ gezag ondermijnen en hem in het beste geval afwijzen als een derivaat-apostel.

(2) Zo niet, zegt Paulus: niet alleen is hij een apostel, maar hij was gezonden ‘niet vanwege mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God, de Vader’ (1:1). Zijn apostelschap was niet een afgeleid apostelschap, alsof hij was uitgestuurd door de gemeente in Jeruzalem, of door een of andere eersteklas apostel daar. Hij was integendeel gezonden ‘door Jezus Christus’, op basis van zijn ervaring op de weg naar Damascus waarbij hij de opgewekte en verheerlijkte Jezus zelf had gezien, en door God de Vader.

(3) Paulus bestempelt God de Vader als degene die Jezus heeft opgewekt uit de dood. Paulus had de opgewekte Jezus gezien, de verrezen Jezus. In zijn jaren als toegewijde farizeeër, had hij Jezus afgewezen als een boze bedrieger, een boosdoener, door God vervloekt zoals duidelijk bleek uit de manier waarop hij stierf. De opgewekte Jezus zelf zien, deed Paulus alles heroverwegen. Jezus was door God zelf gerechtvaardigd, en het goede nieuws waarvan Paulus een afgezant [of apostel] was is gegrond in Jezus’ kruisiging en opstanding.

(4) Hoezeer hij ook de nadruk legt op zijn status en gezag als apostel, toch associeert Paulus zichzelf en zijn leer op een wijze manier met ‘al de broeders’ die bij hem zijn (1:2). Als de Galaten dan afgetrokken worden naar dit ‘andere evangelie’, dan moeten ze weten dat ze zich niet alleen afwenden van Paulus, maar ook van de talloze gelovigen die op een lijn staan met Paulus.

(5) In plaats van de traditionele groet Chairein, gebruikt Paulus het christelijke woord genade (charis) en de Joodse groet vrede (shalom in het Hebreeuws) en baseert deze zegeningen op de plaatsvervangende dood van de Heer Jezus (1:3-5) – niet op een bepaalde bijzondere relatie tot de Wet van Mozes.

(6) Verbluffend genoeg laat Paulus het ‘dank’-gedeelte weg, en gaat meteen over tot zijn verbijsterde terechtwijzing over de dreigende afvalligheid van zijn lezers (1:6-10). Hoe zeldzaam ook, er zijn momenten dat een vermaning niet kan wachten.


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 24 september 2014

'De genade van de Heere Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen' (2 Kor. 13)


2 Samuël 20; 2 Korinthiërs 13; Ezechiël 27; Psalmen 75-76

In veel kerken overal ter wereld - hoewel verhoudingsgewijs toch minder frequent in Noord-Amerika - spreekt de voorganger aan het einde van de dienst stil de twee woorden ‘de genade’ uit [Eng.: ‘The grace’]. Zij die zijn samengekomen weten dan dat dit een teken is voor de volledige gemeente om samen te bidden, het vers reciterend waaruit deze twee woorden afkomstig zijn: ‘De genade des Heren Jezus Christus, en de liefde Gods, en de gemeenschap des heiligen Geestes zij met u allen’ (2 Kor. 13:13).

De tekst is kort en eenvoudig en we lopen gevaar er snel overheen te lezen zonder erover na te denken.

(1) De drieënige God is de bron van deze zegeningen. Dit is op zichzelf opmerkelijk: het duurde niet lang vooraleer christenen als Paulus de implicaties zagen van wie Jezus is, en de implicaties van de gave van de Geest, voor hun kennen van God zelf. De volledige Godheid is betrokken in deze rijkelijk royale heilsoperatie die Gods gevallen beelddragers neemt en tot gemeenschap herstelt met hun Schepper.

(2) In de eerste twee zinsdelen is de ‘genade’ ongetwijfeld de genade die de Heer Jezus Christus geeft of voorziet, en de ‘liefde’ is de liefde die God zelf over ons uitstort. Dit maakt het bijzonder waarschijnlijk dat de derde bijzin ‘de gemeenschap van de Heilige Geest’ niet verwijst naar onze gemeenschap met de Geest, maar naar de gemeenschap die de Heilige Geest schenkt, mogelijk maakt of geeft.

De Heilige Geest is uiteindelijk de bewerker van de christelijke gemeenschap. We genieten christelijke gemeenschap met elkaar dankzij het werk van de Geest in elk van ons individueel en in ons allen gemeenschappelijk. Daarbij haalt Hij de focus van ons hart en denken weg van onszelf en de zonde, en richt die op aanbidding van God en verlangen naar heiligheid en vreugde in Jezus en zijn evangelie en leer. Zonder dergelijke transformatie zou onze ‘gemeenschap’, ons partnerschap in het evangelie, onmogelijk zijn.

(3) Op geen enkel ogenblik mogen we ons ook maar verbeelden dat genade exclusief van Jezus komt, liefde exclusief van God de Vader, en gemeenschap exclusief van de Geest – alsof Jezus geen liefde zou kunnen geven of gemeenschap bewerken, de Vader geen genade zou kunnen betonen enzovoort. In zekere zin zijn genade, liefde en gemeenschap afkomstig van de drieënige God.

Maar je zou genade duidelijk kunnen verbinden met de Heer Jezus, omdat zijn opofferende, plaatsvervangende dood aan het kruis voortkwam uit loutere genade; we zouden liefde duidelijk kunnen verbinden met God, omdat het volledige heilsplan voortkomt uit het wijze en liefhebbende hart van God, van wie wordt gezegd ‘God is liefde’ (zie 1 Joh. 4:8 en de overdenking van 11 oktober); gemeenschap zouden we duidelijk kunnen verbinden met de Heilige Geest, aangezien het werk van transformatie dat ons samenbindt in het partnerschap van het evangelie zijn werk is.
Prijs God uit wie alle zegeningen voortvloeien; prijs Vader, Zoon en Heilige Geest.


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 23 september 2014

Opgenomen tot in de derde hemel (2 Kor. 12)


2 Samuël 19; 2 Korinthiërs 12; Ezechiël 26; Psalm 74

‘Er moet geroemd worden’, schrijft Paulus (2 Kor. 12:1 [of in de NBV: ‘Ik word er wel toe gedwongen hoog van mezelf op te geven’]), hoewel hij dit alleen maar op de meest ironische manier gedaan heeft (zie de overdenking van gisteren en die voor 21 september).

Maar nu staat hij voor een nieuw dilemma. Blijkbaar hebben zijn tegenstanders hoog opgegeven over hun geestelijke ervaringen. Mogelijk hebben ze daarbij iets gezegd als: ‘Wel, natuurlijk had Paulus die ervaring op de weg naar Damascus, maar dat is al lang geleden. Wat heeft hij sindsdien van God vernomen? De genade van gisteren wordt muf.’

In dit geval kan Paulus natuurlijk niet gewoon maar ironie gebruiken en roemen in het tegenovergestelde van al wat zijn tegenstanders als belangrijk beoordelen, zoals hij deed in hoofdstuk 11. Want het tegenovergestelde van het hebben van verschillende geestelijke ervaringen is dat je ze niet hebt – en in Paulus’ geval zou de ontkenning dat hij dergelijke ervaringen had gewoon niet waar zijn. Dus gaat hij met tegenzin over tot ‘gezichten en openbaringen des Heren’ (12:1).

Maar hij vindt het ondraaglijk op die manier over zichzelf te moeten spreken, dus neemt hij zijn toevlucht tot een literaire truc: hij spreekt over zichzelf in de derde persoon: ‘Ik weet van een mens in Christus’, schrijft hij (12:2), hoewel hij het duidelijk over zichzelf heeft (12:5-6).

Zelfs in dit geval legt Paulus drie klemtonen om de focus weg te houden van zichzelf en elke deugd te ontdoen van de neiging tot roemen.

Ten eerste
zegt hij, dat het hem in zijn geval ‘niet geoorloofd is uit te spreken’ welke spectaculaire ervaringen van de hemel hij veertien jaren eerder had meegemaakt (12:4). De ‘derde hemel’ (12:2) is de woonplaats van God; het paradijs is waar God zich bevindt. Een gedeelte van wat hij zag was ‘onuitsprekelijk’: mensen die dergelijke gezichten niet hebben meegemaakt hebben niet het vermogen ze te vatten.

Wat nog belangrijk is, deze gezichten waren bedoeld om Paulus te sterken; het was hem niet toegestaan om erover te spreken. Vandaar zijn stilzwijgen.

Ten tweede vreest Paulus dat mensen te groot van hem zullen denken (het tegenovergestelde van onze angsten), dus is het voor hem een princiepskwestie als hij een afkeer heeft van spreken over ontoegankelijke zaken. Als hij beoordeeld moet worden, wil hij beoordeeld worden op basis van wat hij doet en zegt (12:6), niet door beweringen over gezichten en openbaringen die toch niet onder publieke beoordeling kunnen vallen.

Ten derde erkent Paulus dat, samen met de grote voorrechten die hij ontving, God hem ook – door middel van een vertegenwoordiger van satan - een ‘doorn in het vlees’ heeft gegeven die niet van hem zal worden weggenomen, ondanks zijn meest verwoede voorbede (12:7-10). Die was hem gegeven om hem ervoor te behoeden verwaand te worden, om hem ‘zwak’ te houden, zodat hij zou leren dat Gods kracht wordt volbracht in onze zwakheid, en zodat hij daarom nooit zou vertrouwen op of opgeblazen worden door de bijzondere genade die hij had ontvangen.

In deze gevallen wereld is het een zaak van goedertierenheid wanneer grote genade gepaard gaat met grote zwakheid, net als het tegenovergestelde.


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 22 september 2014

'Als er geroemd moet worden, dan zal ik roemen in mijn zwakheid' (2 Kor. 11)

2 Samuël 18; 2 Korinthiërs 11; Ezechiël 25; Psalm 73

In de aanhoudende druk die Paulus voelde om degenen die zijn gezag in Korinthe ondermijnden te weerleggen, vindt Paulus dat hij moet ‘roemen’ terwijl hij niet ‘roemt’ (zie de overdenking van gisteren). In 2 Korinthiërs 10 brengt Paulus zijn argumentatie tot een hoogtepunt door te benadrukken dat de enige gepaste roem van een christen in Christus Jezus is: ‘Maar wie roemt, roeme in de Here’ (10:17). In 2 Korinthiërs 11:16-33 neemt Paulus een kleine omweg om tot dezelfde waarheid te komen.

Wat Paulus doet is een soort ‘time-out’ inlassen: hij zegt dat hij niet zal roemen, niet als Paulus de apostel, zelfs niet als Paulus de christen, maar eerder als Paulus de ‘dwaas’ (11:16-21). Hij voelt zich vreselijk verveeld zelfs nog maar dit te doen (11:21b, 23), maar hij ziet geen andere weg. Het is waar, zegt hij, dat hij van zijn jeugd af doortrokken was van de Hebreeuwse cultuur en taal, en hij is niet minder dan anderen een ‘dienaar van Christus’ – maar op deze manier praten is zodanig pijnlijk dat hij tussendoor uitbarst ‘ik spreek als een waanzinnige’ (11:23 [HSV]).

En dan draait hij alle bepalingen om
. Hij heeft ‘harder gezwoegd’ [NBV]: hij bedoelt fysiek gewerkt, met zijn handen – wat geen eersteklas zichzelf respecterende hellenistische leraar zou doen. Bovendien, zegt hij, heeft hij een langere staat van dienst in de gevangenis dan zij. Hij kreeg vaker zweepslagen dan hen. Vijf keer moest hij de synagogestraf ondergaan, de negenendertig zweepslagen. Hij leed drie keer schipbreuk tijdens zijn reizen voor het evangelie (11:25) – en dit werd geschreven voor de schipbreuk waarvan Handelingen 27 verslag uitbrengt.

Voortdurend gevaar heeft hem tijdens zijn reizen achtervolgd en hij zag zich dikwijls gedwongen om zonder voedsel op pad te gaan. Erger nog, hij werd verraden door ‘valse broeders’ (11:26) terwijl hij te kampen had met aanhoudende stress door zijn zorg voor alle gemeenten (11:27-28).

We moeten dit niet lezen met de ogen van de westerse christen als een opwindende saga van volharding onder druk. We lezen over het veelvuldige lijden van Paulus en bewonderen zijn trouw en standvastigheid, zijn gelijkvormigheid aan de Christus die naar het kruis ging. Maar zijn vijanden zien al dit ‘roemen’ als tekenen van zwakheid en zelfs dwaasheid: hij bezit zelfs onvoldoende verstand om zelf uit de problemen te blijven.

Maar Paulus is vastbesloten het menselijke roemen op zijn kop te zetten: hij zal roemen over de dingen die zijn zwakheid tonen (11:30). Zelfs zijn laatste punt loopt over deze lijnen (11:31-33). We neigen ernaar Paulus’ ontsnapping uit Damascus te zien door de ogen van Lucas (Handelingen 9). Maar Paulus zelf zag zijn vlucht als een pijnlijke nederlaag. In een tijd waarin de hoogste Romeinse militaire eer ging naar de soldaat met de rang van centurion of hoger die het eerst over de muur kroop aan het einde van een belegering, verklaart Paulus dat hij als eerste op de grond stond.

Op welke manieren roem jij in je zwakheden?


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 21 september 2014

'Wie roemt, roeme in de Here' (2 Kor. 10)

2 Samuël 17; 2 Korinthiërs 10; Ezechiël 24; Psalm 72

Er zit heel wat opschepperij in het westerse evangelicalisme. Een deel daarvan is dermate flagrant dat het alle ernstig menende mensen afstoot. Veel ervan is echter subtiel en potentieel ondermijnend. Mogelijk maken de meesten van ons er zich soms schuldig aan.

Bij een eerste lezing klinkt 2 Korinthiërs 10 alsof Paulus ook in dergelijk roemen is vervallen, een woord dat terugkeert in de laatste vier hoofdstukken van dit boek. In feite zijn de kwesties die in dit hoofdstuk aan de orde komen bijzonder complex. Ik kan er hier slechts enkele van vermelden.

(1) De toon van 2 Korinthiërs 10-13 onderscheidt dit gedeelte van de rest van het boek. Het is mogelijk dat meer informatie over de situatie in Korinthe Paulus bereikt heeft. Hoe het ook zij, critici in Korinthe spreken om diverse redenen schande van de apostel. Ze zeggen dat hij als persoon zwak en vreesachtig is, terwijl hij zich een air van macht en autoriteit aanmeet wanneer hij afwezig is en zijn pen hanteert (10:1, 10).

In een tijd waarin ‘persoonlijkheid’ en retoriek heel wat betekenden, zeggen ze ‘Want zijn brieven (…) zijn wel gewichtig en krachtig, maar zijn persoonlijke verschijning is zwak en zijn spreken betekent niets (10:10). Ze spenderen hun tijd met elkaar schouderklopjes te geven in een systeem van onderlinge erkenning en aanbevelingsbrieven (10:12). De volgende hoofdstukken weerspiegelen zelfs nog meer elementen van dit spervuur aan kritiek dat Paulus moet ondergaan.

(2) De kern ervan is een visie op roemen die botst met alles wat Paulus dierbaar is. Een bepaalde stijl van zelfprofilering, van vertrouwen in iemands kennis en retoriek, van behoren tot de ‘in’-groep: het werkt allemaal mee aan de vorming van een kliek ego’s. Ongetwijfeld voelden sommigen zich bedreigd door Paulus, maar wat ook hun motieven mogen zijn, ze maakten er een gewoonte van hem onderuit te halen.

Dit plaatste hem in een onmogelijke positie. Als hij niets zei, liep hij het gevaar het vertrouwen van de volledige kerk te verliezen; maar als hij uitpakte met zijn adelbrieven als een manier om deze aanvallen te beantwoorden, dan zou hij in precies dezelfde morele mislukking vallen als waar zijn opponenten mee kampten.

(3) In zijn initiële antwoord op dit dilemma doet Paulus drie dingen.

(a) Hij maakt zorgvuldig onderscheid tussen de normen die hij hanteert (zijn ‘leven in deze wereld’) en de norm van de wereld, tussen zijn wapens en ‘de wapens van deze wereld’ (10:2-4), en hij waarschuwt dat hij bij zijn volgende reis naar Korinthe, ondanks hun karikatuur van zijn aanwezigheid, hij bereid zal zijn tucht uit te oefenen (10:6).

(b) Hij stelt dat de uitoefening van zijn autoriteit voor hun goed was, niet in zijn eigen belang of voordeel (10:7-11).

(c) Subtiel herinnert hij de Korinthiërs aan het feit dat zij gelovigen zijn dankzij zijn dienst (10:12-16), terwijl hij stelt dat het enige roemen dat een christen past het roemen in de Heer is (10:17-18).


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 20 september 2014

'Wie karig zaait, zal karig oogsten; wie overvloedig zaait, zal overvloedig oogsten' (2 Kor. 9)


2 Samuël 16; 2 Korinthiërs 9; Ezechiël 23; Psalmen 70-71

2 Korinthiërs 9 is het tweede van twee opeenvolgende hoofdstukken die Paulus wijdt aan het onderwerp ‘geven’.

(1) Hij bespreekt het met een liefdevolle gevoeligheid (9:1-5). Aan de ene kant verzekert hij de Korinthiërs dat ze niet echt deze reminders nodig hebben; aan de andere kant herinnert hij er hen wel even aan, zodat hij noch zij beschaamd zouden staan.

Tenslotte had hij, net zoals hij het voorbeeld van het geven van de Macedoniërs onder ernstige beproevingen gebruikt had als een voorbeeld voor de Korinthiërs (8:1-3), ook de vrijgevigheid en het enthousiasme van de Korinthiërs gebruikt als een voorbeeld voor de Macedoniërs! Hij wil niet dat dan zou blijken dat ze tekortschieten.

(2) Een principe dat elke landbouwer kent heeft zijn invloed op deze kwestie van geven: ‘wie karig zaait, zal ook karig oogsten, en wie mildelijk zaait, zal ook mildelijk oogsten’ (9:6). Sommigen beweren dat dit een ‘voor wat hoort wat’ wederkerigheid belooft tussen financieel geven en materiële voorspoed. Jij geeft driehonderd euro aan mijn dienstwerk, en God zal je minstens vijfhonderd geven (of duizend of hoeveel dan ook). Natuurlijk geloven de predikers die dergelijke dingen beweren ofwel hun eigen woorden niet, of ze geloven dat het niet van toepassing is op hen, want anders zouden ze snel al hun geld weer weggeven. Maar de focus in de uiteenzetting van Paulus ligt op twee andere punten:

(a) het bedrag dat we geven wordt minder in absolute termen van valuta gemeten dan in de blijmoedigheid en vrijgevigheid van hart waarmee we geven (9:7).

(b) De beloning omvat meer dan gewoon maar materiële voorspoed, én is veel gezegender: God is in staat om ons in elk goed werk overvloedig te maken (9:8), en hij zal ons zaaisel verschaffen en vermenigvuldigen (waarmee hij de beeldspraak uit de landbouw voortzet) en zal ‘de vruchten van onze gerechtigheid’ (of ‘het gewas uwer gerechtigheid’) doen opschieten (9:10). God zal maken dat we ‘in ieder opzicht rijk’ worden, zodat we ‘in alles vrijgevig’ kunnen zijn (9:11).

We moeten het feit overwegen dat de ‘u’ aan wie dergelijke beloften gegeven werden, het gezamenlijke volk van God is. Daaruit volgt niet noodzakelijk dat elk individu in de kerk daarbij de belofte krijgt ‘in ieder opzicht rijk’ te worden en, bijvoorbeeld, niet jong zou sterven aan kanker.

(3) De focus van Paulus ligt uiteindelijk helemaal niet op de gevers. Paulus ziet in de giften niet alleen een dienst die voorziet in de noden van Gods volk, maar ook een dienst die ‘een overvloedige bron van vele dankzeggingen aan God’ vormt (9:12), aangezien gelovigen God prijzen voor de gehoorzaamheid van de Korinthiërs en voorbede doen voor hen omdat ze in hen de ‘buitengewone genade Gods’ zien (9:13-14). Want alles wel beschouwd zijn we in het licht van Gods ‘onuitsprekelijke gave’ uiteindelijk allen schuldenaars (9:15).


Eigen vertaling van de overdenking bij 20 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 19 september 2014

'Zij gaven naar vermogen, ja, boven vermogen' (2 Kor. 8)


2 Samuël 15; 2 Korinthiërs 8; Ezechiël 22; Psalm 69

De meest uitgebreide aanmoediging in het Nieuwe Testament om geld te geven vinden we in 2 Korinthiërs 8-9. Vandaag sta ik stil bij bepaalde accenten uit 2 Korinthiërs 8.

(1) Paulus moedigt de Korinthiërs aan om te geven door te verwijzen naar de vrijgevigheid van de Macedoniërs, die in de noordelijke provincie leefden en die door de mensen in Achaje, inclusief de Korinthiërs, vaak werden beschouwd als een wat minderwaardig ras. Als je verwijst naar de bewijzen van Gods genade in de levens van bepaalde broeders of zusters in Christus, kan dit voor anderen een stimulans vormen om meer op Christus te willen lijken.

(2) Paulus benadrukt dat de Macedoniërs niet alleen vrijgevig waren in de context van hun eigen ‘ellende’ of ‘verdrukking’ (8:1-3), maar dat hun financieel geven een uiting was van het feit dat zij zich ‘eerst aan de Here en door de wil van God ook aan ons’ gaven (8:5). De apostel denkt lang niet zo groot over het soort giften dat als vervanging moet dienen voor het in principe geven van jezelf aan de Heer Jezus, en, daarvan afgeleid, aan zijn dienstknechten-leiders.

(3) Er ligt aanzienlijke druk op de volharding en het doorzettingsvermogen in deze zaak van geven. Blijkbaar hadden de Korinthiërs zich er het jaar voordien toe verbonden om een bepaald bedrag te schenken. Nu stuurt Paulus Titus om hen aan te moedigen te voltooien wat ze zo goed begonnen waren. Dus voor vandaag: gepland, regelmatig en vrijgevig geven is beter dan de grote eenmalige gift die via emotionele oproepen uit je wordt gewrongen, deels omdat het eerste een betere indicatie is van een hart dat constant is toegewijd aan Christus en zijn werk.

(4) Paulus oordeelt dat christelijke vrijgevigheid een van de dingen is waarin christenen allemaal behoren in uit te blinken – samen met deugden als zuiver spreken, kennis, volkomen toewijding en liefde jegens godvrezende leiders (8:7).

(5) Paulus wil niet dat christelijke vrijgevigheid het resultaat is van een nieuw wettelijk bevel: ‘Ik geef dit niet als een bevel’ schrijft hij (8:8). De hoogst denkbare stimulans om vrijgevig te zijn, op een onbaatzuchtige manier, vinden we in de Heer Jezus Christus zelf, die ‘om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij door zijn armoede rijk zoudt worden’ (8:9). Voor Paulus is het ondenkbaar dat iemand die zich werkelijk verheugt in het kennen van Christus gierig kan zijn.

(6) Paulus wil dat de Korinthiërs weten dat hoewel dit geld andere gelovigen zal helpen (8:13-14 – vermoedelijk de arme gelovigen in Judea), dit niet bedoeld is om hen zo rijk te maken als de zee, maar om hun armoede te verlichten.

(7) Paulus getroost zich bijzonder veel moeite, zelfs door zijn keuze van de gezanten die hij stuurt met het geldtransport, niet alleen om te doen wat goed is in financiële materies, maar ook om anderen te laten zien dat hij doet wat goed is (8:16-24).


Eigen vertaling van de overdenking bij 19 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven in 1998 door Crossway Books. Volumes van het dagboek kunnen in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition). For the Love of God volume I is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.