zondag 9 december 2012

'Stricken, smitten and afflicted' (video en songtekst)



Vorige week leren kennen via een toespraak van Fernando Ortega: 'Stricken, Smitten, and Afflicted'. Het nummer is niet oorspronkelijk van Ortega, maar is eigenlijk een Schotse traditional van Thomas Kelly (1769-1854).
Ik ben me niet bewust van een Nederlandstalige versie, ik hou me dan ook warm aanbevolen voor wie er wel een kent.

Stricken, smitten, and afflicted

Stricken, smitten, and afflicted,
See Him dying on the tree!
'Tis the Christ by man rejected;
Yes, my soul, 'tis He, 'tis He!
'Tis the long-expected prophet,
David's Son, yet David's Lord;
By His Son, God now has spoken
Tis the true and faithful Word.

Tell me, ye who hear him groaning,
Was there ever grief like his?
Friends thro' fear his cause disowning,
Foes insulting his distress;
Many hands were raised to wound him,
None would interpose to save;
But the deepest stroke that pierced him
Was the stroke that Justice gave.

Ye who think of sin but lightly,
Nor suppose the evil great
Here may view its nature rightly,
Here its guilt may estimate.
Mark the sacrifice appointed,
See who bears the awful load;
'tis the Word, the Lord's Anointed,
Son of Man and Son of God.

Here we have a firm foundation,
Here the refuge of the lost;
Christ's the Rock of our salvation,
His the name of which we boast.
Lamb of God, for sinners wounded,
Sacrifice to cancel guilt!
None shall ever be confounded
Who on him their hope have built.

En nog een muzikale variant:


Dringende noodzaak: een oproep om te strijden voor het geloof (Judas)


2 Kronieken 9, Judas, Zefanja 1, Lukas 23
‘Geliefden, toen ik mij er met alle inzet toe zette u te schrijven over de gemeenschappelijke zaligheid, werd ik genoodzaakt u te schrijven met de aansporing om te strijden voor het geloof dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is’ (Judas 3, HSV).

Merk op:

(1) Soms is het goed te strijden voor het geloof. Dit is natuurlijk niet altijd de juiste weg: vaker moet de nadruk eerst liggen op verkondiging, waarbij we de hele raad Gods uitdragen en opnieuw uitdragen. Soms blijkt een vriendelijk antwoord of ernstige smeekbede de wijzere koers. Maar hier roept Judas zijn lezers op te strijden voor het geloof.

(2) Dat waarvoor we moeten strijden is het geloof dat eens voorgoed werd toevertrouwd aan de heiligen. De plaats waar het geloof in dergelijke gevallen wordt aangevallen is verbonden met een bepaald standpunt dat zichzelf omschrijft als ‘progressief’, ‘eigentijds’ of ‘avant-gardistisch’ – maar ook een standpunt dat onvermijdelijk bereid is om iets op te offeren dat ‘eenmaal aan de heiligen is overgeleverd’.

Natuurlijk is dat laatste soms niets meer dan een appèl aan ongegronde traditie, maar dit is niet wat er in dit geval gaande is. Hier offeren de ‘progressieven’ iets op dat al van helemaal in het begin essentieel was aan het evangelie.

(3) In bepaalde gevallen is strijden voor het geloof (wat niet mag verward worden met lichtgeraakt zijn over het geloof) wat we prioritair moeten doen. Dat is waarom Judas openlijk kan toegeven dat hij gehoopt had iets anders te kunnen schrijven, maar zich genoodzaakt voelde zich aan die dringender taak te wijden. Hoe storend ook, wanneer essentiële waarheden ontkend worden, en de ontkenning door steeds meer mensen geloofd wordt, gaat strategische wijsheid tijdelijk voor op ander dienstwerk en focust die op het onmiddellijke dringende gevaar.

(4) De noodzaak om het felst te strijden doet zich meestal voor wanneer er stemmen van dwaalleer opgaan in de kerk. Wanneer zij die de waarheid tegenstaan zich buiten de kerk bevinden, dan is er geen haast bij de strijd voor het geloof dat eenmaal aan de gelovigen werd overgeleverd - hoewel sommige christenen de diverse argumenten moeten weerleggen (misschien voor evangelisatiedoeleinden).

Eenmaal dergelijke mensen echter de kerk binnensluipen, zodat heel wat naïeve christenen hun leer aannemen zonder dat ze doorhebben dat die schadelijk is, dan is vastberaden strijd onvermijdelijk. Dergelijke mensen moeten niet alleen weerlegd worden, maar ook onder tucht gebracht – en dit laatste kan niet bereikt worden zonder het eerste.

(5) De specifieke goddeloosheid die Judas in dit geval ontkracht is een bepaalde verdorven lezing van het evangelie, die het evangelie vervormt tot ‘voorwendsel voor losbandigheid’ (vers 4, NBV). Elke lezing van het evangelie die immoraliteit aanmoedigt of de effectiviteit van Jezus’ redding ontkent, moet wel verkeerd zijn en als goddeloos worden afgewezen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 8 december 2012

'Geliefde broeder, uw trouw blijkt uit alles wat u voor de broeders doet' (3 Joh.)


2 Kronieken 8, 3 Johannes, Habakuk 3, Lukas 22
De situatie achter 3 Johannes lijkt ongeveer als volgt. De schrijver, de ‘oudste’ (1:1), wellicht de apostel Johannes, heeft geschreven naar een bepaalde gemeente in zijn bevoegdheidsgebied, blijkbaar met de vraag of die kerk zou doen wat ze kon om enkele ‘broeders’ (1:5) te helpen die waren uitgestuurd met een evangelisatietaak.

Spijtig genoeg was deze gemeente gekaapt door ene Diotrefes, die, naar het oordeel van de apostel, veel meer geïnteresseerd was in de ‘eerste’ zijn, d.w.z. in zichzelf profileren en in autocratische controle, dan hij dat was in de voortgang van het evangelie (1:9). Aangestuurd door dergelijke waarden, was Diotrefes maar al te bereid om de aanpak van de apostel te verwerpen.

Van op een afstand kon de apostel maar weinig doen. Wanneer hij niettemin toch zal opdagen, zal hij de aandacht vestigen op wat Diotrefes aan het doen is, en hem ontmaskeren voor de kerk (1:10). Blijkbaar vertrouwt Johannes erop dat hij de autoriteit en geloofwaardigheid bezit om te zegevieren.

Ondertussen stapt de apostel af van de geijkte gezagskanalen en schrijft hij zijn dierbare vriend Gajus aan (1:1); die blijkbaar tot dezelfde kerk behoort en blijk geeft van een heel andere geest dan Diotrefes.

Na een aantal voorafgaande woorden (1:2-4) prijst Johannes Gajus enthousiast voor de manier waarop hij zijn huis heeft opengesteld voor deze rondreizende ‘broeders’ (1:5). Sommigen onder hen hebben zelfs getuigd over de buitengewone gastvrijheid van Gajus (1:6).

Gajus doet er goed aan dit prachtige dienstwerk verder te zetten, en hen verder op weg te helpen op ‘een voor God waardige manier’(1:6, HSV) – een verbazingwekkende maatstaf die we ook vandaag moeten vertonen wanneer we zendelingen uitsturen en hen ondersteunen die werkelijk trouw zijn.

Kortom, stoutmoedige vrijgevigheid onder christenen, hier verpersoonlijkt door Gajus, moet altijd zendingsgericht zijn; koppige machtshonger, verpersoonlijkt door Diotrefes, zal qua visie veel sneller bekrompen en enggeestig zijn.

Let op de doordringende helderheid van de openingsopmerkingen (1:2-3).

Ten eerste bidt Johannes dat het met de gezondheid van Gajus goed zal gaan, zoals ook met zijn ziel. Merk op welk van beide de standaard vormt voor de andere!

Ten tweede geeft de apostel aan wat hem grote blijdschap gebracht heeft – namelijk het verslag van Gajus’ trouw aan de waarheid, zijn wandel in waarheid.

Ten derde veralgemeent Johannes dit laatste punt: ‘Groter blijdschap ken ik niet, dan dat ik hoor, dat mijn kinderen in de waarheid wandelen’ (1:4). In een wereld waarin veel christenen hun diepste vreugde vinden in voorspoed, gemak, promoties, financiële veiligheid, goede gezondheid, populariteit, en een pak andere dingen, is het verblijdend, om niet te zeggen uitdagend, om een apostel te horen getuigen dat niets hem meer vreugde bezorgt, dan te horen dat zijn ‘kinderen’ wandelen in lijn met het evangelie. Dit vertelt ons alles wat we moeten weten over zijn hart – en ook over waarin wij onze blijdschap zouden moeten vinden.


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 7 december 2012

'De heerlijkheid des HEREN vervulde het huis' (2 Kron. 7)



2 Kronieken 7, 2 Johannes, Habakuk 2, Lukas 21
Toen Salomo ophield met bidden, was er meer dan stilte en een opvallende eerbied. Vuur daalde neer uit de hemel om de brandoffers te verteren, ‘en de heerlijkheid des HEREN vervulde het huis’ (2 Kron. 7:1). God zelf verbond zijn goedkeuring aan zowel de tempel als aan Salomo’s inwijdingsgebed. De duizenden aanwezige Israëlieten begrepen het in elk geval op die manier (7:3) en ze zongen opnieuw ‘Want Hij is goed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid’ (7:3). Het vieringsfeest dat in de volgende verzen (7:4-10) wordt beschreven is ongeëvenaard.

Er is meer. Net zoals de Here persoonlijk was verschenen aan Abraham, Isaäk en Jakob – en aan Salomo’s eigen vader David – zo verschijnt Hij nu – op welke manier ook, aan Salomo. Merk op:

(1) ‘Ik heb uw gebed gehoord en deze plaats voor Mij tot een huis der offeranden verkoren’ (7:12; vgl. 7:16 en de overdenking voor 26 november, nadruk toegevoegd). God zelf beschouwt het offersysteem als het hart van de tempel. Dan vat hij opnieuw zijn bereidheid samen om zijn volk te antwoorden wanneer ze afdwalen en dan bidden; want deze tempel institutionaliseert, in lijn met Gods genadige openbaring van zichzelf, de verschillende offeranden voor de zonde, die de middelen zijn waardoor schuldige zondaars verzoend kunnen worden met God, door de offers die Hij zowel zelf heeft geboden als zelf gegeven.

(2) Veel van de rest van Gods woorden aan Salomo lopen langs een van volgende twee lijnen.

Ten eerste zegt God, met geruststellende woorden, dat zijn ogen inderdaad altijd op deze plaats zullen zijn, en Hij zal de gebeden horen van degenen die zich bekeren.

Ten tweede is deze verschijning aan Salomo ook een waarschuwing, zelfs een bedreiging. God zegt aan Salomo dat als het volk (de ‘u’ uit vers 19; ‘indien gij u afkeert’ staat in het meervoud) zwicht voor rebellie en afgoderij, dat dan de tijd zal komen dat God in oordeel over hen zal neerdalen, zijn volk uit het beloofde land zal wegdrijven, en zo Jeruzalem en deze tempel vernietigen, zodat mensen geschokt zullen zijn; ze zullen als enige mogelijke verklaring horen dat God zelf al deze rampspoed over hen heeft gebracht omwille van hun zonde (7:19-22).

Vanuit Gods perspectief krijgt het volk de nodige waarschuwing; vanuit het perspectief van de kroniekschrijver, wordt de weg gebaand voor het tragische slot van zijn boek; vanuit het perspectief van de canon, worden christen lezers eraan herinnerd dat alle systemen en structuren, zelfs degene die heenwijzen naar Christus, niet anders konden dan mislukken in deze gebroken wereld, tot de verschijning van die Ene naar wie ze verwezen.

(3) De belofte van 7:14 wordt vaak geciteerd als een universele sleutel tot opwekking. Maar je zou de gerelateerde thema’s van verbondsvolk, land en tempel moeten opmerken – allemaal specifiek in de context, in deze vorm, voor het oude verbond. Maar er is een legitieme uitbreiding, gebaseerd op de realiteit dat gerechtigheid een volk verheft, maar zonde voor ieder volk een blaam is. God roept alle volken op om zich te bekeren.


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 6 december 2012

'Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis' (2 Kron. 6)



2 Kronieken 6:12-42, 1 Johannes 5, Habakuk 1, Lukas 20
Salomo’s inwijdingsgebed (2 Kron. 6:12-42) is een van de grote momenten uit de Oudtestamentische geschiedenis en theologie. Veel van de kenmerken ervan verdienen dat we er langer over nadenken. Hier kunnen we slechts een paar hoofdlijnen oppikken.

(1) Zowel in het begin als aan het einde van het gebed vind je God als een God die zich aan het verbond houdt, de originele ‘promise keeper’, die zijn beloftes nakomt. Salomo’s interesse gaat in het bijzonder (en begrijpelijkerwijs) uit naar Gods belofte aan David, waar het gaat om het feit dat zijn lijn zou verdergaan, zijn koningshuis zou in stand gehouden worden (6:14-17). Vandaar de finale doxologie: ‘HERE God, wijs uw gezalfde niet af, gedenk de gunstbewijzen aan uw knecht David’ (6:42).

(2) Hoewel de tempel ongetwijfeld een geweldig bouwwerk was, en hoewel Salomo begrijpelijkerwijs een bepaalde terechte trots kon voelen bij de voltooiing van de bouw, is zijn begrip van de grootheid van God voldoende sterk om hemzelf met memorabele woorden te laten uitdrukken dat er geen tempel is die God ook maar zou kunnen ‘bevatten’, de God voor wie zelfs de hemel der hemelen te klein is (6:18). Geen spoor van een tribale God die zich zou laten beteugelen.

(3) De belangrijkste gebedslast in wat Salomo vraagt, kan tamelijk eenvoudig samengevat worden. Wanneer in de toekomst ofwel een individuele Israëliet zondigt of het volledige volk verzinkt in een of andere zonde, en zij zich dan bekeren en zich in gebed naar de tempel wenden, vraagt Salomo dat God zelf uit de hemel zou horen en hun zonde zou vergeven (6:21-39). Er zijn vier opmerkelijke elementen in deze smeekbeden.

Ten eerste is er een verbazend realistische inschatting van de neiging van het volk om te zondigen, om zelfs zo erg te zondigen dat ze op een dag uit het land kunnen verbannen worden. Een man van minder kaliber zou bij dergelijke gelegenheid in de verleiding komen om uit te pakken met heel wat sentimenteel, Pollyanna-achtig gebazel over eindeloze trouw en dergelijke. Maar niet Salomo. Hij was een wijs man en hij weet dat zondaars zondigen.

Ten tweede, hoezeer de tempel ook centraal mag staan in de gebedsfocus van het volk (zeker wanneer zij zondigen), dan zal God hun gebeden niet vanuit de tempel verhoren maar vanuit de hemel, zijn woonplaats. Nog maar eens kan God niet herleid worden tot de status van de stammengoden die door de omringende heidenen aanbeden worden. De verwoording van dit herhaalde verzoek voor vergeving maakt de rol van God cruciaal – de God die de hemelen vervult, niet de tempel.

Ten derde, in zoverre de tempel cruciaal is, wordt die gezien als het middelpunt van de godsdienst en de aanbidding die de vergeving van zonde aanpakt en op die manier zondaren met God verzoent. Het hart van de tempel wordt niet gevormd door de koren en erediensten, maar door de vergeving van zonde. In onze tijd van vage spiritualiteit is het van het grootste belang dat we dit punt in gedachten houden.

Ten vierde strekt Salomo’s visie zich ver genoeg uit om ook vreemdelingen te omvatten (6:32-33) – een missionaire boodschap.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 5 december 2012

'Maar nu heb ik Jeruzalem uitgekozen als woning voor mijn naam' (2 Kron. 5-6:11)



2 Kronieken 5:1-6:11, 1 Johannes 4, Nahum 3, Lukas 19
Eenmaal de tempel gebouwd, bestaat de laatste stap voor de inwijding van de tempel uit het halen van de ark van het verbond uit de oude tabernakel, die zich nu in Sion bevindt, de stad van David (deel van Jeruzalem), naar zijn nieuwe woonplaats in het heilige der heiligen van de tempel.

2 Kronieken 5:1-6:11 geeft niet alleen die overgang weer, maar ook Salomo’s inwijdingswoorden voor het volk, voorafgaand aan zijn inwijdingsgebed (zie de overdenking van morgen).

Zowel de verhuis van de ark als Salomo’s openingswoorden blijken belangrijk.
De verhuis zelf volgt op de voorschriften van de Wet: alleen de Levieten mogen de ark aanraken. Maar de verhuis is desondanks een nationaal evenement. De oudsten van Israël en de familiehoofden komen van overal in Israël bijeen voor deze grote viering. De verhuis gaat gepaard met dermate rijkelijke offeranden dat het aantal dieren dat gedood werd niet geteld kan worden (5:6).

Uiteindelijk wordt de ark geplaatst onder de vleugels van de cherubim in het heilige der heiligen. Als nevenopmerking vermeldt de kroniekschrijver dat op dat ogenblik alleen de tafels van de Wet zich nog in de ark van het verbond bevinden. Wellicht waren de kruik met manna en Aärons staf die gebloeid had, uit de ark gehaald toen die veroverd was door de Filistijnen.

In elk geval geven de orkesten en koren het beste van zichzelf, inclusief een trompetsectie van 120 personen. De zangers prijzen God in het welbekende refrein: ‘Want Hij is goed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid’ (5:13).

Twee details verdienen speciale commentaar.

(1) In het verleden bestond het bewijs van Gods tegenwoordigheid in de tabernakel uit een wolk. Nu vult dezelfde wolk de tempel; de heerlijkheid van de Heer vult de tempel zelfs in die mate dat de priesters niet konden blijven staan om dienst te doen (5:13-14). Dit toont aan dat God behagen schept in de tempel, dat Hijzelf de verhuis van de tabernakel naar de tempel geboden heeft; en bovenal dat, als de tempel zijn tempel is, die niet gedomesticeerd kan worden louter door rites, hoe uitgebreid die ook zijn. De heerlijkheid van zijn tegenwoordigheid is wat telt.

(2) Salomo’s inleidende opmerkingen dragen ook bij tot het besef van continuïteit. Misschien kwamen sommige puristen in de verleiding te zeggen dat het beter ware geweest bij de tabernakel te blijven: uiteindelijk was dit toch wat God bevolen had op de berg Sinaï. Daarom blikt Salomo terug op de voorafgaande stappen in het verhaal tot hiertoe: Gods beloften aan David, Gods keuze voor Jeruzalem en voor deze tempellocatie, Gods verkiezing van Salomo boven David om in te staan voor de eigenlijke bouw, enzovoort.

Zo is de tempel helemaal geen bedenkelijke innovatie, maar de volgende stap in de heilsgeschiedenis en de vervulling van Gods beloften (6:10-11).


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 4 december 2012

'Zie, hoe groot is de liefde die de Vader ons gegeven heeft' (1 Joh. 3)



2 Kronieken 3-4, 1 Johannes 3, Nahum 2, Lukas 18
‘Ziet, welk een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij kinderen Gods genoemd worden, en wij zijn het (ook)’ (1 Joh. 3:1). Elk van ons behoorde ooit tot de wereld; om de taal van Paulus te gebruiken, allemaal waren we ‘van nature, (…) kinderen des toorns’ (Ef. 2:3). De liefde van de Vader die de transformatie bewerkt heeft is rijkelijk, precies omdat ze onverdiend is. Bovendien:

(1) ‘En wij zijn het ook!’. Deze sterke uitroep kwam waarschijnlijk in eerste instantie voort uit het feit dat degenen die de kerk verlaten hadden (2:19) meesters waren in het manipuleren van de gelovigen. Ze beweerden dat alleen zij een binnenweg kenden tot God, dat alleen zij werkelijk de ware kennis (gnosis) verstonden, dat alleen zij de ware zalving genoten. Als gevolg daarvan werden de gelovigen onderuit gehaald. Johannes benadrukt dat zijn lezers de ware zalving ontvangen hebben (2:27), dat hun goede wandel aantoont dat zij uit God geboren zijn (2:29), dat ze rijkelijk overgoten zijn met de liefde van God en dus kinderen van God geworden zijn – ‘En wij zijn het ook!’.

Hetzelfde punt moet gemaakt worden in het belang van gelovigen in elke generatie die zich bedreigd voelen door de buitensporige maar misleidende beweringen van de ‘over-geestelijke’ massa die hun bedenkelijke manipulatie beoefenen door een soort geestelijk haantjesgedrag. ‘Wij zijn de kinderen van God’, bevestigen christenen rustig – en dat is genoeg. Indien anderen dit feit niet erkennen, kan dit alleen maar betekenen dat zij zelf God niet kennen (3:1b).

(2) Hoewel we nu al de kinderen van God zijn, moeten we stellen ‘het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen’ (3:2). Aan de ene kant mogen we alles wat we al ontvingen niet minachten of minimaliseren: wij zijn nu kinderen van God. Aan de andere kant zien we uit naar de voleinding en onze eigen ultieme verandering (3:2).

(3) In feite kun je stellen dat elk kind van God dat leeft met dit vooruitzicht, ‘een ieder, die deze hoop op Hem heeft [in het Engels staat er ‘in him’, of dus ‘in hem’; wat dus wellicht (met hoofdletter) betekent ‘in Christus’ of ‘in God’, wat het voorwerp van de hoop specifieert, eerder dan ‘in hem’ (met kleine letter), wat dan louter slaat op degene die de hoop koestert – Merk op: zowel NBG als NBV en HSV gaan voor de eerste optie] zich reinigt, ‘gelijk Hij rein is’ (3:3).

De christen kijkt naar wat hij of zij zal worden in de voleinding en is meteen geïnteresseerd zo te worden. Wij ontvangen de liefde van de Vader; we weten dat we op een dag rein zullen zijn; dus streven we al om nu rein te worden. Dit is perfect conform de manier waarop hoofdstuk 2 eindigt: ‘Als u weet dat Hij rechtvaardig is, dan weet u dat ieder die de rechtvaardigheid doet, uit Hem geboren is’ (2:29, HSV).


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 3 december 2012

'Hebt de wereld niet lief' versus 'God had de wereld lief' (1 Joh. 2)


2 Kronieken 2, 1 Johannes 2, Nahum 1, Lukas 17
Je kunt je afvragen waarom God zou moeten geprezen worden omdat Hij de wereld heeft lief gehad (Joh. 3:16), wanneer het christenen net verboden wordt die lief te hebben (1 Joh. 2:15-17).

De wereld, zoals gewoonlijk het geval is in Johannes en 1 Johannes, is de morele orde in rebellie tegen God. Wanneer ons verteld wordt dat God de wereld liefheeft, moet zijn liefde bewonderd worden omdat de wereld zo slecht is. Gods liefde is de oorsprong van zijn verlossingswerk. Terwijl zijn heiligheid leidt tot zijn toorn (Joh. 3:36), bewerkstelligt zijn karakter als liefde (1 Joh. 4:8, 16) zijn reddingsmissie.

Wat God verbiedt in 1 Johannes 2:15-17 is echter iets heel anders. God heeft de wereld lief met de heilige liefde van de redding; Hij verbiedt ons de wereld lief te hebben met de verwerpelijke liefde van participatie. God heeft de wereld lief met de zelfopofferende liefde die de Zoon zijn leven kost; wij mogen de wereld niet liefhebben met de zelfzuchtige liefde die wil proeven van al de zonden van de wereld.

God heeft de wereld lief met de reddende kracht die personen zodanig kan veranderen dat ze niet langer tot de wereld behoren; ons wordt verboden de wereld lief te hebben met de morele zwakheid die het aantal wereldse mensen wil vermeerderen door er zelf volledig aan deel te nemen.

Gods liefde voor de wereld moet bewonderd worden voor zijn unieke combinatie van zuiverheid en zelfopoffering; de onze wekt afgrijzen en weerzin voor zijn onzuiverheid en hebberige boosheid.

De wereld die Johannes in deze verzen beschouwt is niet mooi. Hij wordt gekenmerkt door alle begeerten van onze zondige natuur (‘de begeerte van het vlees’, 2:16), alle dingen die ons van buiten uit aanvallen en ons weglokken van de levende God (‘de begeerte van de ogen’, 2:16), alle hoogmoed van bezit, dominantie en controle (‘de hoogmoed van het leven’, 2:16, HSV; ‘pronkzucht’, NBV). Niets daarvan is afkomstig van de Vader, wel van de wereld.

Maar christenen maken hun afwegingen in het licht van de eeuwigheid. ‘En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid’ (2:17). Hij is te betreuren wiens zelfbeeld en hoop op vergankelijke dingen rusten.

Tien miljoen jaren verder in de eeuwigheid zal het een beetje gek lijken jezelf te beroemen op de auto waarmee je nu rijdt, de som geld die je bezit of de opleiding die je kreeg, het aantal boeken dat je bezit, het aantal keren dat je naam vermeld werd in de krantenkoppen.

Of je nu al dan niet een Academy Award gewonnen hebt, zal dan minder belangrijk blijken dan de vraag of je wel of niet oprecht geweest bent tegenover je echtgenote. Of je nu een basketbalvedette was of niet, zal van minder betekenis zijn dan hoeveel je van je rijkdom vrijgevig weggeschonken hebt. ‘Wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid’ (2:17).


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 2 december 2012

'Hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u' (1 Joh. 1)



2 Kronieken 1, 1 Johannes 1, Micha 7, Lukas 16
De openingsparagraaf van 1 Johannes 1 bevat vele schatten. Ik wil focussen op vers 3, met een zijdelingse blik naar vers 4.

Terwijl we aannemen dat de apostel Johannes de auteur is, is de ‘wij’ die hier instaat voor de verkondiging, hoogstwaarschijnlijk een editoriale ‘wij’, of een wij die zelfbewust spreekt vanuit de kring van apostolische getuigen. In dit verband moet die dus onderscheiden worden van de ‘wij’ van alle christenen; het verschilt in het bijzonder van de ‘u’ die de lezers omvat: ‘hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u’ (1:3).

De twee voorafgaande verzen specifiëren wat Johannes en de andere getuigen gezien en gehoord hebben. Het is niets minder dan de incarnatie: ‘Hetgeen was van den beginne’ (1:1), van den beginne een met God, was niets anders dan wat in de echte geschiedenis gebeurde en bij herhaling gehoord, gezien en aangeraakt werd.

Het eeuwige Woord werd mens (1:14 in het evangelie van Johannes); hier is het ‘Het leven is verschenen, wij hebben het gezien en getuigen ervan, we verkondigen u het eeuwige leven dat bij de Vader was en aan ons verschenen is’ (1:2, NBV). Zo herhaalt Johannes: ‘hetgeen wij gezien en gehoord hebben, verkondigen wij ook u’ (1:3).

Er is geen christendom zonder de incarnatie. Bovendien is de incarnatie niet een soort vage notie van het goddelijke dat zich identificeert met het menselijke. Het is onverminderd concreet: het Woord dat bij God was en dat God was werd vlees (zoals Johannes elders schrijft, 1:1, 14 in het evangelie van Johannes).

Dat is fundamenteel in de tijd van Johannes, wanneer hij hen bestrijdt die veronderstellen dat hetgeen werkelijk geestelijk is wel menselijk vlees kan ààndoen, maar niet een mens kan wórden; het is fundamenteel vandaag wanneer we een filosofische naturalist bestrijden die beweert dat de enige realiteit bestaat uit hetgeen het geheel van ruimte en tijd beslaat.

Johannes vertelt zijn lezers dat hij hen deze waarheid verkondigt, ‘opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben. En ónze gemeenschap is met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus’ (1:3). Gemeenschap in het Nieuwe Testament is meer dan warme wolligheden. Het is toegewijd partnerschap, waarin persoonlijke belangen ondergeschikt zijn aan de gezamenlijke missie.

De eerste getuigen traden toe tot de gemeenschap ‘met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus’. De lezers van Johannes kunnen toetreden tot deze gemeenschap door de gemeenschap met de apostelen binnen te treden. Dat is waarom Johannes verkondigt wat hij heeft gezien en gehoord. De apostelen geven het evangelie aan anderen door. Wij kunnen niet intreden in de gemeenschap met God en met zijn Zoon Jezus Christus, zonder in gemeenschap te komen met de apostelen die de eerste getuigen waren van de incarnatie

Niets van dit alles bewerkt bedompte religie. Johannes schrijft om ‘onze’ of ‘uw’ blijdschap volkomen te maken (1:4): welk van beide nu de originele versie is, ze vertelt op dit punt de waarheid.


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 1 december 2012

'Want het komt alles van U, en wij geven het U uit uw hand' (1 Kron. 29)



1 Kronieken 29, 2 Petrus 3, Micha 6, Lukas 15
Het verslag van de dood van David door de kroniekschrijver wordt voorafgegaan door het verhaal van de rijkelijke giften die de bouw van de tempel moeten financieren na Davids overlijden en door het gebed dat David in dit verband uitsprak (1 Kron. 29). Niet zozeer de grootte van de som geld die David en anderen schonken is zo treffend, maar de theologie van Davids gebed. De hoogtepunten omvatten onder andere het volgende:

(1) In de openingslofzang (29:10-13) erkent David dat alles van God is (29:11). Als wij mensen iets ‘bezitten’, dan moeten we eerlijk bekennen ‘rijkdom en eer komen van U, en Gij heerst over alles’ (29:12). Vandaar dat David in het midden van zijn gebed zegt ‘Want het komt alles van U, en wij geven het U uit uw hand’ (29:14); en opnieuw, met betrekking tot alle rijkdom die bijeengebracht werd, die ‘komt uit uw hand; U behoort het alles’ (29:16).

Een dergelijk standpunt vernietigt elke notie van wij die in absolute termen iets zouden ‘geven’ aan God. Het wordt een lust om aan God te geven, niet alleen omdat we Hem liefhebben, maar omdat we met vreugde erkennen dat alles wat wij ‘bezitten’ sowieso van Hem is.

(2) Het hoeft dan ook weinig te verwonderen dat het gebed begint met uitbundige uitingen van lof (29:10).

(3) David erkent dat alle menselijke bestaan vergankelijk is. God zelf verdient geprezen te worden ‘van eeuwigheid tot eeuwigheid’ (29:10), maar wat ons betreft, ‘wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor uw aangezicht, gelijk al onze vaderen; als een schaduw zijn onze dagen op aarde, zonder hoop’ (29:15).

Dit is een bijzonder gedeelte. De Israëlieten bevinden zich in het Beloofde Land, in ‘rust’; maar, zoals in Psalm 95 en Hebreeën 3:6-4:11 en 11:13 kan dit niet de finale rust zijn, want ze zijn nog steeds ‘vreemdelingen en bijwoners’. David is koning, het hoofd van een machtige en blijvende dynastie.

Individueel echter moeten zowel de monarch als de boer op gelijke wijze erkennen dat hun dagen op aarde ‘als een schaduw zijn’ (29:15). Hier zie je een man van geloof die weet dat hij gegrond moet zijn in Hem die de eeuwigheid bewoont, of anders staat hij nergens.

(4) David legt geweldige nadruk op integriteit: ‘Ik weet, mijn God, dat Gij het hart toetst en een welbehagen hebt in oprechtheid (…) nu heb ik met vreugde gezien, hoe ook uw volk dat zich hier bevindt, U vrijwillig gaven bracht’ (29:17). Het succes van deze fondsenwerving wordt niet gemeten in monetaire waarde, maar in de integriteit waarmee de rijkdom werd gegeven.

(5) In de slotanalyse erkent David ronduit dat aanhoudende toewijding en levensintegriteit onmogelijk zijn zonder het ingrijpen van Gods genade (29:18). Op die manier verdwijnt elke kans op persoonlijke hoogmoed die gebaseerd is op het geldbedrag dat geschonken wordt, en verandert ze in een dankbaar erkennen van Gods genadige soevereiniteit.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 december uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 30 november 2012

'Indien gij Hem zoekt, zal Hij Zich door u laten vinden' (1 Kron. 28)



1 Kronieken 28, 2 Petrus 2, Micha 5, Lukas 14
We merkten al eerder op dat 1 en 2 Kronieken verschillen van de boeken van Samuël en Koningen (hoewel de Kronieken in grote lijnen dezelfde periode uit de geschiedenis coveren als Samuël en Koningen) in het feit dat ze veel meer nadruk leggen op het zuidelijke koninkrijk van Juda, nadat de monarchie uiteenvalt. Zelfs op dat ogenblik echter, tijdens de periode van het verenigde koninkrijk, gaan 1 en 2 Kronieken in veel ruimere mate in op alles wat te maken heeft met de tempel.

In dit kader onthult 1 Kronieken 28 wat meer details, niet alleen rond de machtsoverdracht van David naar Salomo, maar ook rond het ontstaan van de plannen voor de tempel. Wat het eerste punt betreft, draagt David het volk op om Salomo goed te dienen; hij draagt Salomo op de Here God te dienen met zijn hele hart: ‘want de HERE doorzoekt alle harten en doorgrondt al wat de gedachten beramen. Indien gij Hem zoekt, zal Hij Zich door u laten vinden; doch indien gij Hem verlaat, zal Hij u voor eeuwig verwerpen’ (28:9b). David gelast Salomo met de bouw van de tempel waarvoor hij, David, al zoveel voorzieningen getroffen heeft (29:10, 20-21).

Er wordt niets geschreven over de poging van Davids zoon Adonia om zich meester te maken van de troon vooraleer Salomo gekroond kon worden, of over Batseba’s strategische bescherming van haar zoon Salomo (1 Kon. 1); er wordt niets vermeld over de waaier aan andere taken die David aan Salomo gaf (1 Kon. 2). Al de aandacht ligt hier op de machtsoverdracht daar waar die invloed heeft op de bouw van de tempel.

Er is een nieuw element van het grootste belang. Er wordt ons verteld dat David Salomo ook het ontwerp gaf ‘van alles wat hij in zijn geest had bedacht: voor de voorhoven van het huis des HEREN, voor alle vertrekken in het rond, voor de schatkamers van het huis Gods en voor die van de geheiligde voorwerpen’ (28:12) – net als voor de indeling van de priesters en Levieten, het gewicht aan goud of zilver dat voor het diverse gerei moest gebruikt worden, enzovoort (28:13-17).

Bovenal gaf hij hem ook het plan voor ‘de wagen, de cherubs, die met uitgespreide vleugels de ark van het verbond des HEREN moesten bedekken’ (28:18) in het heilige der heiligen. ‘Alles staat’, aldus David, ‘in een geschrift, ontvangen uit de hand des HEREN, waarin Hij mij onderrichtte aangaande de gehele uitvoering van het ontwerp’ (28:19).

Hier is de tegenhanger voor de voortdurende nadruk in Exodus op het feit dat Mozes en zijn tijdgenoten de tabernakel bouwden in precieze overeenstemming met het plan dat Mozes getoond werd op de berg. Dit wordt dan ook weer vermeld in Hebreeën 8:5: het toont aan dat de tabernakel maar een afbeelding was van een groter origineel (zie de overdenking van 14 maart). Impliciet wordt dezelfde zorg besteed aan de bouw van de tempel, met David en niet Mozes die nu fungeert als de middelaar.


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 29 november 2012

Zijn goddelijke macht schonk ons alles wat nodig is voor een vroom leven (2 Petr. 1)



1 Kronieken 26-27, 2 Petrus 1, Micha 4, Lukas 13
2 Petrus 1:5-9 toont een opmerkelijke opeenvolging van stappen. Petrus weet dat zijn lezers gelovigen zijn. Nu vermaant hij hen om iets aan hun geloof toe te voegen.

(1) Voeg deugd bij het geloof (1:5): waarschijnlijk is het soort geloof dat Petrus niet wil zien het soort geloof dat Jakobus 2 verwerpt: geloof dat louter intellectueel is, louter bevestigend, maar ontdaan is van transparant vertrouwen en gewillige gehoorzaamheid. Waarachtig geloof mondt uit in gehoorzaamheid – maar zoals gewoonlijk zijn gelovigen verantwoordelijk voor het volgen van die route en worden ze ontmoedigd door zuivere passiviteit. Voeg dus de deugd bij het geloof.

(2) Voeg kennis bij de deugd (1:5): Bepaalde kennis is noodzakelijk voor het geloof, maar Petrus is dat punt al voorbij. Elders wordt Timotheüs aangemoedigd te volharden in zijn ‘leer’ (1 Tim. 4:16); hier worden christenen op een gelijkaardige manier vermaand om kennis te voegen bij de deugd. Niets biedt zoveel vastheid en motivatie als een groeiend begrip van de gedachten van God.

(3) Voeg zelfbeheersing bij de kennis (1:6): louter kennis kan iemand gewoon opgeblazen maken (1 Kor. 8:1-3) en onvoldoende blijken om iemand te veranderen. Maar als zelfbeheersing overvloedig aanwezig is, dan is het potentieel tot het goede immens.

(4) Voeg volharding bij de zelfbeheersing (1:6): het is één ding om je te beheersen in een crisis, of voor een korte tijd, of wanneer dingen goed gaan. Er is echter volharding nodig op lange termijn om zelfbeheersing ten volle te laten schitteren.

(5) Voeg godsvrucht bij de volharding (1:6): anders kan volharding uiteindelijk verworden tot weinig meer dan een bijzondere inspanning van gewoon de menselijke wil. Godgerichtheid, een zuiver religieus element in elke deugd, verandert de zuiver stoïcijnse beslistheid in een transparante godsvrees.

(6) Voeg broederliefde bij de godsvrucht (1:7): iedereen haat de eigengerechtige mensen. Zelfbeheersing en volharding, zelfs godsvrucht, staan erom bekend dat ze strikte en onvergevende Farizeeërs voortbrengen. Voeg broederliefde toe.

(7) Voeg liefde bij de broederliefde (1:7): dat is nog beter. Want dan weerspiegelen we, hoe zwak of hortend en stotend ook, het karakter van de Meester zelf.

Let goed op wat aan het begin en het einde van deze zeven stappen vermeld staat.

Ten eerste draagt Petrus ons aan het begin op dat we ons ‘om deze reden’ ‘met alle inzet’ op het nastreven van die lijst zouden toeleggen (1:5).
‘Om deze reden’ wordt uiteengezet in de daaraan voorafgaande verzen (1:3-4). Gods heerlijkheid en goedheid hebben ons grote en kostbare beloften geschonken, zodat we daardoor kunnen deelhebben aan de goddelijke natuur en kunnen ontkomen aan het verderf van de wereld. Om deze reden moeten we alle ijver betonen om de zeven stappen na te streven.

Ten tweede, aan het eind, bevestigt Petrus ons dat deze kwaliteiten ons ervoor zullen behoeden dat we doelloos en onvruchtbaar zouden zijn in de kennis van onze Heer Jezus Christus (1:8-9).


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 28 november 2012

'Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op' (1 Petr. 5)


1 Kronieken 24-25, 1 Petrus 5, Micha 3, Lukas 12

Meer dan gelijk welke andere Nieuwtestamentische passage biedt 1 Petrus 5:1-4 ons een boeiende kijk op christelijk dienstwerk.

De apostel Petrus richt zich tot oudsten, die hij ook ‘opzieners’ en ‘herders’ noemt, d.w.z. voorgangers (zie de overdenking voor 2 november). Hij spreekt hen zelfs aan als ‘medeoudsten’, eerder dan hen aan te spreken als een apostel die zich richt tot oudsten. Dit belet hem niet te alluderen naar een van de factoren die hem onderscheidt van de meeste andere oudsten: in tegenstelling met hen, was hij ‘getuige van het lijden van Christus’ (5:1). Maar zelfs als hij hier onderscheid maakt tussen zijn ervaring en die van hen, doet hij dat op een manier die niet naar hemzelf wijst maar naar Christus en zijn lijden.

Deze oudsten worden vermaand: ‘Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op’ (5:2). Herders leiden, verzorgen, genezen, beschermen, tuchtigen, voeden en geven om hun kudde. De taak behelst ‘toezicht’: ‘houd daar toezicht op’, voegt Petrus eraan toe. Dan komt Petrus met drie zinsdelen met de vorm ‘niet dit … maar dat’, en samen biedt dit een betekenisvolle opsomming van het christelijke dienstwerk:

(1) ‘Niet gedwongen, maar uit vrije beweging, naar de wil van God’ (5:2): louter plichtsbesef zal nooit volstaan. Spijtig genoeg kunnen (beroeps)dienaren van het evangelie zich gevangen voelen, en gewoon maar ‘dienen’ omdat het voelt alsof ze moeten, omdat ze de groep niet mogen teleurstellen, of omdat ze niet de scholing kregen om iets anders te kunnen doen. Op dit punt is het ofwel tijd om je hart te veranderen, of anders het dienstwerk te verlaten. Er moet een verlangen zijn vanuit het hart om op deze weg te dienen, zelfs midden teleurstelling en lijden – zoals ook onze Meester zijn Vaders wil tot de zijne maakte.

(2) ‘Niet uit schandelijke winzucht, maar uit bereidwilligheid’ (5:2): dit is niet een job waarbij je per uur of per stuk betaald wordt; ook is het geen beroepsgroep gekend voor zijn hoge belastingschijf. Spijtig genoeg hebben tv-evangelisten en bepaalde anderen het beeld vertekend. Terwijl kerken hun dienstknechten soms behandelen met koppige schraperigheid (‘Heer, houd U hen nederig en wij houden hen arm’), kunnen deze werkers antwoorden met ernstig materialisme dat niet minder ongepast is. In het beste geval is de kerk altijd genereus en hechten de werkers weinig waarde aan materieel bezit. Voorgangers moeten in de eerste plaats gemotiveerd worden door een verlangen om te dienen.

(3) ‘Niet als heerschappij voerend over hetgeen u ten deel gevallen is, maar als voorbeelden der kudde’ (5:3): hier is er een leiderschapsstijl die de machtshongerigen moet uitsluiten van het dienstwerk (hoewel bepaalde van dergelijke mensen jammer genoeg toch in posities belanden waarvan ze zouden moeten uitgesloten worden). Voorgangers zouden meer moeten inzitten met het zijn van goede voorbeelden, dan met het staan op hun gezag. Er is geen dienaar die meer is dan een ‘onder-herder’. Allen zijn verantwoording verschuldigd aan de ‘Opperherder’ – en Hij alleen beloont zijn medewerkers (5:4).


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 27 november 2012

Flexibiliteit en trouw zijn even onmisbaar (1 Kron. 23)


1 Kronieken 23, 1 Petrus 4, Micha 2, Lukas 11
In bepaalde opzichten veranderde de structuur van het leven van de Israëlieten, inclusief bepaalde facetten van het religieuze leven, toen het volk het Beloofde Land binnentrok en niet langer een nomadisch bestaan leidde. De eerste veranderingen waren voor de hand liggend. De Heer zette de dagelijkse voorziening van het manna stop: het volk moest voor zichzelf voedsel verzamelen en kweken. De verstedelijking ving aan. De sabbatswetten werden in toenemende mate zowel in handel en economie als in het landbouwleven toegepast.

Met de instelling van de monarchie en de aanstaande bouw van de tempel, drong heel wat meer organisatie en centralisatie zich op. Meer bepaald legt David zich niet alleen toe op het voorzien van allerlei middelen voor Salomo om de tempel te kunnen bouwen, maar ook op het leggen van de basis voor de nieuwe organisatiestructuren die noodzakelijk zullen zijn om het geheel te laten draaien. Dergelijke zaken staan centraal in 1 Kronieken 23-26.

Reeds in 1 Kronieken 23 denkt David zelf na over de veranderingen die op komst zijn. Een van de taken van de Levieten uit het verleden nam een aanvang tijdens de woestijnjaren, en bestond uit het oppakken en vervoeren van de tabernakel op de voorgeschreven manier, telkens de Heer aangaf dat het tijd was om in beweging te komen. David denkt na over het feit dat de Heer nu zijn volk ‘rust’ gegeven heeft: ze zijn in het Beloofde Land.

Bovendien heeft Hij gekozen om ‘in Jeruzalem’ te ‘wonen tot in eeuwigheid’ (23:25), dus moeten bepaalde taken van de Levieten veranderen: ‘nu behoeven de Levieten de tabernakel en al zijn dienstgerei niet meer te dragen’ (23:26).

Ondertussen worden nieuwe taken ingevoerd: meer aandacht gaat naar tempelkoren en dus naar muziekscholen en –training. Zo worden de Levieten gereorganiseerd. Ze worden onderverdeeld in grote families, kleinere clans enzovoort. Er zal over gewaakt worden dat niet alle aandacht gaat naar de tempel en zijn behoeften.

De volgende hoofdstukken focussen inderdaad wel op het soort taken waarvan zij die de tempel dienen zich zullen moeten kwijten – niet alleen de directe priesterlijke taken en de duidelijke huishoudelijke taken die verbonden zijn met de tempel, maar de grootste verantwoordelijkheden van in stand houden, onderhoud, financiën en beheer.

Maar vanaf het begin moesten de priesters het volk uit de wet kunnen onderwijzen en dienen als ‘opzieners en rechters’. David stelt voor die laatste taken zesduizend Levieten aan (23:4).

Uit dit alles leiden we betekenisvolle lessen af. Maar de belangrijkste is een les in contextualisatie in de canon – dit wil zeggen, hoe je de oude ‘gegevens’ van openbaring moet zien en hoe je ze aan een nieuwe context kunt aanpassen zonder de gegevens op te offeren.

Toen de kerk zich naar nieuwe culturele contexten uitbreidde, moest telkens opnieuw met dergelijke vragen afgerekend worden. De ene groep zal zich vastklampen aan louter traditionalisme uit een andere cultuur; de andere groep begint los te laten wat de Schrift eigenlijk zegt. Wat we echt nodig hebben is trouw en flexibliteit.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 26 november 2012

'Op dan! Bouwt het heiligdom van de HERE God' (1 Kron. 22)


1 Kronieken 22, 1 Petrus 3, Micha 1, Lukas 10
De overgang tussen het verslag van Davids volkstelling (1 Kron.21) en het verslag van Davids geweldige voorbereidingen voor de constructie van de tempel die zijn zoon Salomo zou bouwen (1 Kron. 22) beslaat één vers, het eerste vers van hoofdstuk 22, dat geen parallel krijgt in 2 Samuël: ‘Toen zeide David: Dit is het huis van de HERE God, en dit is het brandofferaltaar voor Israël’ (1 Kron. 22:1).

Zo is de plaats waar de tempel werd gebouwd ook de plaats waar David een altaar bouwde voor de Heer, terwijl hij Hem aanriep met offerandes (21:25-27), en waar de verderfengel zijn zwaard weer in de schede stak.

Op die manier legde David aanzienlijke voorraden bouwmaterialen aan en bereidde hij het volk voor om zijn zoon Salomo te helpen bouwen aan de beloofde tempel. ‘Zet nu uw hart en uw ziel erop, de HERE, uw God, te zoeken. Op dan! Bouwt het heiligdom van de HERE God, opdat men de ark van het verbond des HEREN en de heilige voorwerpen Gods naar het huis kan brengen, dat voor de naam des HEREN gebouwd wordt’ (22:19).
We kunnen een aantal lessen trekken uit deze situering van de tempel.

(1) De plaats die gekozen wordt voor de tempel is de plaats waar een offer werd gebracht en de toorn van God over de zonde werd afgewend. Natuurlijk dat het ontwerp van de tabernakel en tempel zelf bedoeld was om het volk eraan te herinneren dat er verzoening moest bewerkt worden over de zonde, dat je niet gewoon maar in de tegenwoordigheid van de heilige God kon flaneren, dat de offeranden die God zelf had voorgeschreven een keer per jaar moesten gebracht worden door de aangewezen hogepriester, eerst voor zijn eigen zonden en dan voor de zonden van het volk.

Maar de situering van de tempel op deze locatie versterkt de les nog. Aanbidding en godsdienst gaan niet in de eerste plaats over het aan God aanbieden van iets dat we lofprijs noemen, iets dat God liever niet wil missen. Aanbidding en godsdienst gaan in de eerste plaats over Godgerichtheid – en omdat we opstandig zijn, betekent dit dat aanbidding en religie in eerste instantie gaan over verzoend worden met deze God, onze Schepper en Verlosser, van wie we geheel bewust vervreemd zijn. Het hart van de tempel bestaat niet uit zijn koren, zijn reukwerk, zijn diensten. Het hart van de tempel gaat over het afwenden van de toorn van God, via de middelen waarin Hij zelf voorzag.

(2) De situering van de tempel is ook een mix van priesterlijke en Koninklijke gezagslijnen. Oorspronkelijk waren alleen de priesters en Levieten verantwoordelijk voor de tabernakel; de wolkkolom bepaalde wanneer ze in beweging zou komen. Maar hier is het de koning die de plaats bepaalt – zo wordt vooruitgegrepen naar de ambten van koning en priester die worden verenigd in één persoon: Jezus Christus.


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 25 november 2012

'Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan, Israël te tellen' (1 Kron. 21)



1 Kronieken 21, 1 Petrus 2, Jona 4, Lukas 9
2 Samuel 24, dat grotendeels parallel loopt met 1 Kronieken 21, zegt dat de toorn van de Heer ontbrandde tegen Israël en dat Hij David ertoe aanzette om het volk te tellen, een daad die strikt verboden was – en dan bracht die daad de toorn van God over het volk (24:1). Het gedeelte dat we nu voor ons hebben zegt dan weer ‘Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan, Israël te tellen’ (1 Kron. 21:1).

De twee standpunten hoeven elkaar natuurlijk niet uit te sluiten, en hoeven zelfs niet bijzonder te botsen. In Gods universum is het onmogelijk om zelfs de meest afgelegen grenzen van Gods soevereiniteit te overschrijden. Of zijn voorzienige wil over de Duivel nu neergezet wordt als permissief (zoals in het geval van Job), of iets meer directief, God heeft steeds de touwtjes in handen.

Wat nu de morele dimensies van de kwestie betreft, is het belangrijk dat we ons herinneren dat zelfs binnen het raamwerk van 2 Samuel 24, God David niet arbitrair of onvoorspelbaar verleidt om kwaad te doen, om hem er dan eerder hatelijk voor af te ranselen. Wat God ook maar als strafmaatregel geeft, wordt neergezet als Gods antwoord op voorafgaande zonde: Gods toorn ontbrandt tegen Israël, wordt ons gezegd, zodat bepaalde dingen plaatsgrepen.

Vergelijk het met de tekenen van Gods toorn over het volk Israël die tijdens de kwijnende jaren van de regering van het Davidische koningshuis ook bestonden uit de meedogenloze zondigheid op de troon en onder de regerende elite, met natuurlijk als resultaat dat er meer zonde kwam in het land en dat Gods bedreiging van oordeel ook weer dichterbij kwam.

Niettemin is het gevoel van deze twee hoofdstukken, 2 Samuel 24 en 1 Kronieken 21, nogal verschillend. In beide gevallen wordt David verantwoordelijk gehouden om de Schriften van het verbond te volgen, ongeacht de verleiding of de complexiteit waarmee hij te maken krijgt. Maar de duidelijke vermelding van Satan in 1 Kronieken 21 onderstreept de dimensie van het kosmisch gevecht tussen goed en kwaad. Drie andere perspectieven worden ook benadrukt:

(1) Joab wordt altijd geportretteerd als een aanzienlijk militair leider, maar niet als een buitengewoon geestelijk of zelfs moreel mens. Hier staat hij op met godvrezend advies voor de koning, maar wordt naar hem niet geluisterd (21:3-4). Godvruchtige raad kan via tal van bronnen komen. Ongetwijfeld moet je naar allemaal luisteren – maar uiteindelijk moet elke raad beproefd worden aan de hand van het Woord van God.

(2) Bepaalde daden hebben immense gevolgen voor anderen. Dit was in het bijzonder waar onder het oude verbond, waarin koningen, profeten en priesters als vertegenwoordigers optraden voor het volk. Hoewel het nieuwe verbond anders is ingericht, blijft het nog altijd waar, bijvoorbeeld, dat de zonden van de vaders bezocht worden aan de kinderen tot in het derde of vierde geslacht.

(3) God is barmhartiger dan mensen. Het is beter in zijn handen te vallen, op rechtstreekse wijze en dus zonder menselijke tussenpersonen, dan in welke andere handen ook.


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 24 november 2012

'De mens is als gras en zijn schoonheid als een bloem in het veld' (1 Petr. 1)



1 Kronieken 19-20, 1 Petrus 1, Jona 3, Lukas 8
Een van de grote pretenties van het menselijk bestaan is dat onze sterfelijke levens eeuwig duren. Hoewel jonge mensen theoretisch wel weten dat er een einde komt een elk menselijk leven, handelen ze alsof de dood hen nooit zal treffen. Decennia later weten ze wel beter, maar zelfs dan handelen de meesten alsof hun families beslist zullen voortbestaan, of alsof minstens hun cultuur of land toch zullen overleven.

De meest vooruitzienden weten dat het niet zo is. Mensen sterven, familiebanden doen dat ook. Misschien met uitzondering van wie heel erg bezig zijn met genealogische archeologie, weten we niet veel over onze families als ze meer dan drie of vier generaties in het verleden liggen – en ook wijzelf zullen niet herinnerd worden enkele generaties verder.

Machtige koninkrijken vallen. Ze worden verdeeld, verzinken tot een vazallenstatus als derde- of vierderangsmachten, of gaan op in de vergetelheid.

We mogen dan een onsterfelijke bestemming hebben, toch is niets dat strikt verbonden is met dit leven veilig, niets is onveranderlijk, niets blijft duren. ‘Alle vlees is als gras en al zijn heerlijkheid als een bloem in het gras; het gras verdort en de bloem valt af’ (1 Petr. 1:24).

Maar er volgt nog een zin in dit citaat uit Jesaja 40:6-8: ‘maar het woord des Heren blijft in der eeuwigheid’ (1 Petr. 1:25). Hieruit volgt dan dat menselijke wezens die hongeren naar het transcendente niets beters kunnen doen dan zichzelf op één lijn brengen met Gods onveranderlijke en blijvende woord. En er staan diverse aanwijzingen in dit hoofdstuk met betrekking tot wat dit betekent in termen van de praktijk.

(1) ‘Dit nu is het woord, dat u als evangelie verkondigd is’ (1:25): precies het evangelie dat verklaard werd voor Petrus’ lezers is het woord van de Heer dat voor altijd blijft. Gehecht zijn aan het Evangelie is gehecht zijn aan wat voor eeuwig blijft. Hetzelfde kan niet gezegd worden van gehecht zijn aan een politiek systeem of een economische theorie of professionele vooruitgang.

(2) Christenen zijn meer concreet ‘wedergeborenen niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God’ (1:23). Dit wat ons veranderd heeft en nieuw leven schonk van God zelf, was niet fysieke bevruchting, maar geestelijke wedergeboorte, tot stand gebracht door het blijvende woord van God.

(3) Het woord dat voor Jezus’ komst werd doorgegeven door profeten, blikte vooruit naar de openbaring die exclusief in Hem kwam (1:10-12). Dit betekent dat het allemaal één was: dit was altijd het plan, wat ook die Oudtestamentische profeten er nu wel of niet van begrepen hadden.

(4) De ‘wedergeboorte’ (1:3) die we mochten ervaren door de werking van het blijvende woord van God, opent voor ons ‘een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen weggelegd is voor u, die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof’ (1:4-5).


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 23 november 2012

'Oefent ook gij geduld … want de komst des Heren is nabij' (Jak. 5)


1 Kronieken 18, Jakobus 5, Jona 2, Lukas 7
Het is één ding om op de komst van de Heer te wachten, het is iets anders om op een goede manier te wachten. We kunnen eerlijk en rustig wachten op de komst des Heren, terwijl we niet alleen erkennen dat de Tweede Komst een noodzakelijk onderdeel is van onze geloofsbelijdenis, maar zelfs tot op zekere hoogte uitzien naar de Parousia (de glorieuze verschijning, JL) en hopen dat die tijdens ons leven zal plaatsvinden – om dan te ontdekken, als we er langer over nadenken, dat de manier waarop we leven slechts weinig verandert onder dit perspectief.

In feite kan dit wachten op de wederkomst van de Heer niets meer zijn dan een stokpaardje in onze lectuur of in ons onderwijs, een netjes afgewerkte kaart van de toekomst die ons onderscheidt van andere gelovigen, eerder dan een vast punt in ons wereldbeeld dat resoluut ingrijpt op ons gedrag.

Natuurlijk is er een element in het wachten op de wederkomst van de Heer dat gewoon maar dat is – wachten. Zoals ‘de landman wacht op de kostelijke vrucht des lands’ (Jakobus 5:7), zo moeten ook wij ‘geduld hebben’ en ‘ons hart sterken’ (5:8).

Maar zoals alle vergelijkingen is ook deze niet volmaakt (dat is ook de bedoeling niet), en Jakobus laat ze ook snel achter zich. Uiteindelijk wacht de landman geduldig omdat hij min of meer weet wanneer de oogst er komt; wij weten niet wanneer Jezus’ wederkomst zal plaatsvinden.

Er zijn nog andere verschillen. De landman wacht op vruchten; wij wachten op de Rechter die ‘voor de deur staat’ (5:9). Dit betekent dat hetgeen waar we op wachten een onmiddellijke weerslag heeft op hoe we leven: ‘zucht niet tegen elkander, opdat gij niet onder het oordeel valt’ (5:9) van precies die Rechter.

Bovendien wordt het wachten van de landbouwers op de oogst, hoewel ze misschien wel hard moeten werken terwijl ze wachten, in normale omstandigheden toch niet gekenmerkt door lijden en vervolging. Christenen die wachten op het Einde krijgen met beide ervan te maken, zo benadrukt Jakobus – en met dit in gedachten, zou je ons wachten beter kunnen vergelijken met het geduld van de profeten (5:10) dan met de kalmte van de landman.

Zij ‘spraken in de naam des Heren’ en werden er meer wel dan niet voor verguisd. Dit lijden kon hun trouwe verkondiging niet tegenhouden. Maar wij moeten de voorbeelden waar we naar zoeken niet beperken tot de profeten. Denk maar aan Job, een rechtvaardig man, die te maken kreeg met catastrofale tegenslagen en niettemin volhardde – en u ‘hebt uit het einde, dat de Here deed volgen, gezien, dat de Here rijk is aan barmhartigheid en ontferming’ (5:11).

Dit perspectief is belangrijk: uiteindelijk overwint niet alleen Gods gerechtigheid maar ook zijn barmhartigheid en ontferming. De focus op Jezus’ wederkomst en op het Einde vormt niet alleen ons huidige leven, maar zal ook volmaakte rechtvaardiging met zich brengen in de onbeperkte goedheid van de eindvervulling.


Eigen vertaling van de overdenking bij 23 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 22 november 2012

'Nu heeft het U behaagd het huis van uw knecht te zegenen, zodat het voor altijd, voor uw aangezicht zal zijn' (1 Kron. 17)


1 Kronieken 17, Jakobus 4, Jona 1, Lukas 6
1 Kronieken 17 loopt aardig parallel met 2 Samuel 7. In beide passages drukt David zijn verlangen uit om een ‘huis’ te bouwen voor God. De profeet Nathan keurt het project aanvankelijk goed, maar houdt, nadat hij een specifieke openbaring van God ontvangt, David een heel ander plaatje voor. In plaats dat David God een ‘huis’ zou bouwen, zal God voor David een ‘huis’ bouwen – dit wil zeggen, een ‘huishouden’ (het origineel woord is tweeslachtig, het woordspel met de betekenis bewust). Het ‘huis’ of ‘huishouden’ dat God voor David zal bouwen is niets anders dan het Davidisch koningshuis.

De lijn van David zal nooit het lot ondergaan van Saul en zijn lijn. Wanneer de lijn van David zondigt, zullen Gods oordelen tijdelijk zijn (17:12-14); de lijn zal niet uitgeroeid worden. David beantwoordt met een bewogen gebed (17:16-27) dat overloopt van dankbaarheid. Het gebed is heerlijk Godgericht; David is zich ten volle bewust dat als zijn lijn zo anders wordt behandeld dan die van Saul, het uiteindelijke verschil genade is.

Zo zijn de slotwoorden van het gebed ronduit treffend en onthullend: ‘Nu dan, HERE, Gij zijt God en Gij hebt dit goede aangaande uw knecht gesproken; nu heeft het U behaagd het huis van uw knecht te zegenen, zodat het voor altijd, voor uw aangezicht zal zijn. Want Gij, HERE, hebt het gezegend, daarom zal het gezegend zijn voor altijd’ (17:26-27).

Je mag echter niet vergeten dat deze woorden moeten gelezen worden als onderdeel van een tweedelig werk – 1 en 2 Kronieken – waarvan de verhaallijn eindigt met niets minder dan een ramp voor de Davidische lijn – los van de twee laatste verzen van 2 Kronieken, die een sprankel hoop bieden.

Vandaag plaatsen we ze automatisch binnen het grotere raamwerk van de verhaallijn van de Bijbel, en zien we waar ze passen in het patroon dat leidt tot Jezus, de ultieme Davidische koning. Maar de eerste lezers genoten dit perspectief niet; de onbekende samensteller die de hofverslaggeving verzorgde en andere bronnen, die ongeveer 500 jaar geschiedenis dekken, en dit in de vorm goten van onze ‘1 en 2 Kronieken’, genoten niet hetzelfde perspectief als wij.

Zuiver cynisme of de brutaliteit van hun ervaring onder de ballingschap hadden kunnen maken dat ze de woorden die we hier in 1 Kronieken 17:27 vinden hadden afgezwakt: ‘nu heeft het U behaagd het huis van uw knecht te zegenen, zodat het voor altijd, voor uw aangezicht zal zijn. Want Gij, HERE, hebt het gezegend, daarom zal het gezegend zijn voor altijd’.

In plaats daarvan vormen de woorden voor hen een stabiliserende belofte wanneer al hun recente ervaringen ze leken tegen te spreken. Kortom, ze tonen ons wat het betekent te wandelen door geloof in de beloften van God, en niet door het aanschouwen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 22 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 21 november 2012

De tong: een klein vuur dat een grote hoop hout aansteekt (Jak. 3)



1 Kronieken 16, Jakobus 3, Obadja, Lukas 5

Waarschijnlijk is Jakobus 3 een van de bekendste passages uit alle literatuur met betrekking tot de tong.

(1) De boodschap van 3:3-6 is dat, hoewel de tong een heel klein lichaamsdeel is, zij in veel opzichten de rest van ons menselijk lichaam controleert of – in het slechtste geval – in brand steekt. Elk van de gelijkenissen die Jakobus maakt, werpt een nieuw licht op het onderwerp. Een bit is zeer klein vergeleken met de rest van het paard, toch stuurt het het paard aan. Iets gelijkaardigs kan gezegd worden over het roer met betrekking tot het schip, alleen maakt het nu deel uit van het schip in plaats van er los van te staan. Een vonk is heel klein vergeleken met de brand die hij veroorzaakt – maar in dit geval ligt de focus niet alleen op de relatieve grootte maar op de vreselijke schade die de tong kan aanrichten.

(2) Het volgende gedeelte (3:7-8) wijzigt de laatste van deze drie vergelijkingen, en onderscheidt zich doelbewust van de eerste. De idee van een bit in de mond van het paard kan misschien in je gedachten de verwachting oproepen van controle en discipline. De realiteit, zo benadrukt Jakobus, ligt dichter bij de brand. We slagen erin ‘alle soorten van wilde dieren en vogels, van kruipende dieren en zeedieren’ te bedwingen (3:7), maar niemand kan de tong temmen. ‘Zij is een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn’ (3:8).

(3) Het is vooral de wilde onberekenbaarheid van de tong die zo weerzinwekkend is. De vergelijkingen die Jakobus maakt suggereren dat, als we met die ene tong God loven en Gods beelddragers vervloeken, de lof die we God brengen onmogelijk meer kan zijn dan religieus gewauwel. Eén stroom kan niet zowel zoet als bitter water voortbrengen.

(4) Dit is allemaal met het gevaar misbegrepen te worden. De focus op de tong is qua retoriek krachtig, natuurlijk, maar we weten allemaal dat de tong niet los staat van de persoon. Misschien is dit een van de redenen waarom Jakobus verder gaat met het contrasteren van twee soorten wijsheid (3:13-18). Het gaat om wie we zijn als persoon.

Als we in onze harten ‘bittere naijver en zelfzucht’ hebben (3:14), dan zal dit doorklinken in ons spreken. We sturen onze eigen tong – en wat we nodig hebben is ‘de wijsheid van boven’ (3:17), zo beeldend beschreven in de laatste twee verzen van het hoofdstuk.

(5) Tegelijk kunnen de twee openingsverzen van het hoofdstuk niet losgemaakt worden van wat Jakobus zegt over de tong. Deze twee verzen zijn beangstigend voor iedere bedachtzame leraar van de Schrift: ‘U weet dat ons leraren een strenger oordeel te wachten staat’ (3:1, NBV). Dit is onderdeel van een Bijbels axioma: verantwoordelijkheid wordt gezien als een onderdeel van kennis. Maar leraars weten dat hun prestatie verbonden is met wat ze zeggen (3:2). We zijn teruggekeerd tot de tong – of, met slechts de kleinste uitbreiding, tot de gedrukte bladzijden en de cd-rom.


Eigen vertaling van de overdenking bij 21 november uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.