donderdag 11 oktober 2012

Geloof en liefde door hoop (Kol. 1)



1 Koningen 14, Kolossenzen 1, Ezechiël 44, Psalmen 97-98
Soms wordt naar geloof, hoop en liefde samen verwezen als naar de Paulinische triade. Ze komen in de brieven van Paulus in verschillende combinaties voor. Soms duiken er maar twee van de drie op; soms alle drie.

Waarschijnlijk is het meest bekende vers met de Paulinische triade 1 Korinthiërs 13:13: ‘Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde’. Hier wordt geen relatie tussen de drie uitgedrukt. Paulus vertelt ons dat deze deugden – geloof, hoop en liefde (en die laatste noemt hij ‘een weg die dit alles nog overtreft’ (12:31b in de HSV; zie ook de overdenking van 8 september), eerder dan een ‘gave’) – alles ‘blijft’: wat hij volgens mij bedoelt is dat die alle blijven tot in eeuwigheid en daarom zelfs nu gevoed en nagestreefd moeten worden.

Maar de grootste van deze drie, benadrukt Paulus, is liefde. Waarom dit zo is, vertelt Paulus ons niet. Gebaseerd op wat het Nieuwe Testament elders zegt, mogen we wellicht aannemen dat de reden waarom liefde de grootste is, ligt in het feit dat het een eigenschap is van God. God legt geen geloof aan de dag; Hij ‘hoopt’ ook niet in de betekenis van verlangen naar de vervulling van iets dat door sommige andere dingen veroorzaakt wordt. Maar Hij heeft wel lief: 1 Johannes 4:8 vertelt ons zelfs dat God liefde ís; er is geen tekst die zegt dat Hij geloof of hoop is. Dus is de grootste van de drie liefde.

Hier in Kolossenzen 1:3-6 echter is de relatie tussen de drie elementen van de Paulinische triade helemaal anders. Paulus dankt God wanneer hij voor de Kolossenzen bidt. Hij zegt: ‘daar wij gehoord hebben van uw geloof in Christus Jezus en van de liefde, die gij al de heiligen toedraagt, om de hoop, die voor u is weggelegd in de hemelen. Daarvan hebt gij tevoren gehoord in de prediking der waarheid, het evangelie, dat tot u gekomen is’ (1:4-6). Sommige vertalingen hebben een wat geparafraseerde weergave, maar kunnen de betekenis toch goed vatten.

Merk op:

(1) Paulus heeft de gemeente van Kolosse niet gesticht. Maar nu hij over deze gelovigen gehoord heeft, bidt hij voortdurend voor hen, met dankzegging.

(2) Wat Paulus over deze gelovigen uit Kolosse gehoord heeft, is over hun geloof en liefde, allebei aantoonbare deugden. Als je geloof hebt in Jezus, en als je de gelovigen liefhebt, kan geen van de twee deugden verborgen blijven. Die deugden waren zo duidelijk aanwezig onder de Kolossers dat verslagen over hun geloof en liefde circuleerden tot bij Paulus. Is het ook zo dat verslagen over het geloof en de liefde van onze kerken wijdverbreid zijn?

(3) Paulus zegt dat dit geloof en die liefde voortkomen uit hoop, of zoals in de NBG-vertaling ‘om de hoop’ zijn, die voor hen is weggelegd (1:5). Leven met de eeuwigheid in zicht wekt geloof en brengt liefde voort.

(4) Deze hoop die aan de basis lag van hun geloof en liefde vindt op zijn beurt zijn oorsprong in het evangelie, het woord van de waarheid dat tot hen gepredikt werd (1:5-6).


Eigen vertaling van de overdenking bij 11 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 10 oktober 2012

Zondvloed aan bijbelfilms

Dinsdag berichtte Het Nieuwsblad onder de kop 'Zondvloed aan bijbelfilms' over de toevloed aan Bijbelfilms die op stapel staan in Hollywood (en omgeving) - vooral omdat ze er centen in zien.

Dit is het volledige artikel, een tip van m'n broer Luc:


Hollywood heeft de Bijbel herontdekt. Er worden op dit moment maar liefst zeven Bijbelverhalen verfilmd, waaronder twee over Mozes. 'De Rode Zee zal prachtig splijten in 3D', zegt Vlaams regisseur Jan Verheyen.


Hollywood zet meteen de grote spektakelregisseurs op de Bijbel. Zowel Steven Spielberg ( Schindler's List, Indiana Jones, Kuifje ) als Ridley Scott ( Blade Runner, Hannibal ) zijn bezig met de voorbereiding van een film over Mozes. Spielberg verfilmt heel Mozes' leven, Ridley Scott heeft genoeg met de exodus, de tocht van de Israëlieten uit Egypte.

Steven Spielberg legt het zo uit: 'Dit verhaal is zo'n uitdaging voor filmmakers. De tien plagen en de tien geboden, de tocht uit de woestijn, het brandend braambos. Heerlijk om te verfilmen. Maar de scheiding van de Rode Zee moet dé nieuwe standaard zetten voor spektakelfilms.'

Russell Crowe als Noah

Zowel Scott als Spielberg zijn nog op zoek naar een acteur om Mozes te spelen. Beiden hadden graag Russell Crowe gehad, maar die had al getekend voor de rol van Noah, in een regie van Darren Aronofsky ( Black Swan). Die film komt volgend voorjaar al in de zalen.

'Zolang er al films worden gemaakt, zolang zijn er al Bijbelfilms', zegt Vlaams regisseur Jan Verheyen. 'De meest lucratieve Bijbelfilm was trouwens een Mozes-film: The ten commandments van Cecile B. Demille. In 1950 bracht die film 60 miljoen euro op, omgerekend naar vandaag is dat 0,8 miljard euro. Midden jaren zestig was het over. Alles wat met gezag en kerk te maken had, moest eraan geloven. Dus ook de Bijbelfilms.'

Nu keren ze in volle hevigheid terug. Rob Moore, de grote baas van Paramount die 100 miljoen euro in de Noah -film stopt, legt de timing uit. 'Waarom gaan mensen nog naar de bioscoop? Niet om acteurs te zien praten op het scherm, dan kunnen ze evengoed thuis op hun tv naar films kijken. Mensen gaan naar de bioscoop om op groot scherm spektakel te zien. En als er een boek is dat vol spectaculaire scènes staat, dan is het wel de Bijbel. We hopen met Noah , de gelovige Amerikanen te lokken, die hoogstens tweemaal per jaar naar de film gaan.'

Gratis

Jan Verheyen zegt dat die groeiende groep gelovige Amerikanen zeer bepalend wordt voor de filmwereld. 'Amerikaanse kerken sponsoren steeds meer films met een moraal. Films die hier nooit uitkomen, maar ginder wel ferm opbrengen. Met de verfilming van Bijbelverhalen kunnen ze nog meer verdienen. Er moeten geen auteursrechten op betaald én die verhalen hebben een grote awareness: iedereen kent ze, dus moet je geen promogeld spenderen om het verhaal bekend te maken.'


Tegelijk geeft Het Nieuwsblad ook nog een overzicht van de 'Zeven Bijbelfilms' die gepland staan. Bij de ene mag de verwachting al iets hoger liggen dan bij de andere:

- Darren Aronofsky maakt 'Noah' met Russell Crowe in de hoofdrol.
- Steven Spielberg maakt Mozes-film
- Paul Verhoeven (Basic Instinct) verfilmt zijn eigen Christus-biografie
- Warner Bross heeft de rechten gekocht op het script over het leven van Pontius Pilatus
- Will Smith (Men in Black) verfilmt het leven van Kaïn
- Ridley Scott maakt Mozes-film
- Lionsgate (filmmaatschappij) laat het leven van Maria verfilmen

De bezorgdheid verdrijft het gebed - of het gebed verdrijft de bezorgdheid (Fp. 4)



1 Koningen 13, Filippenzen 4, Ezechiël 43, Psalmen 95-96
Een beetje praktisch advies voor christenen (Fp. 4:4-9):

(1) Verblijd je altijd in de Heer (4:4). Dit bevel is zodanig belangrijk dat Paulus het herhaalt. Onze verantwoordelijkheid om het te gehoorzamen is onafhankelijk van onze omstandigheden, want ongeacht hoe volkomen ellendig de situatie ook is, heeft de christen nog altijd de meest gegronde redenen om zich te verblijden in Christus Jezus: zonden vergeven en het vooruitzicht van opstandingsleven in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde – om nog niet te spreken van de vertroosting door de Geest die er zelfs nu al is, en veel meer. In praktische zin weet Paulus goed dat de gelovige die zich waarlijk verblijdt in de Heer onmogelijk een lasteraar, bedrieger, mopperaar, een dief, of lui, bitter en vervuld met haat kan zijn.

(2) Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend (4:5). Dat is bijna een heerlijk oxymoron, een tegenstrijdigheid. Er is zoveel in onze cultuur dat wil bekend staan om zijn agressiviteit, of voor een bepaalde intrinsieke sterkte of superioriteit. De vriendelijke persoon denkt meestal niet in termen van bekend staan. Maar Paulus wil dat we ons zo toeleggen op vriendelijkheid dat we uiteindelijk bekend staan voor vriendelijkheid.

De reden die Paulus aanhaalt is dat de Heer ‘nabij’ is. In die context bedoelt Paulus waarschijnlijk niet dat de komst van de Heer nabij is, maar dat de Heer zelf nooit ver weg is van zijn mensen: hij is nabij en ziet en beschermt ons, aangezien hij altijd over ons waakt. Dit wordt onze motivatie om ons te gedragen zoals Hij dat wil.

(3) Wees in geen ding bezorgd (4:6-7). Paulus breekt geen lans voor onverantwoord escapisme, en nog minder voor een soort dwaas optimisme (zoals het hoofdpersonage Pollyanna uit de kinderboeken van Eleanor H. Porter). Bovendien draagt hij ons strikt gesproken niet op om niet meer bezorgd te zijn en punt uit, maar vertelt hij ons eerder hóe we moeten ophouden met bezorgd zijn – door dit aanhoudende piekeren te vervangen door iets anders: ‘laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God’ (4:6).

Paulus ontkent de angst en zorgen van de menselijke ervaringen niet. Hoe zou hij dat ook kunnen? Zijn brieven tonen dat hij ook zijn deel van het ergste lijden kreeg. Maar hij toont de oplossing. Ofwel zal bezorgdheid het gebed verdrijven, of gebed zal de bezorgdheid verdrijven. Bovendien, zo benadrukt Paulus, brengt die gedisciplineerde, dankbare voorbede ‘de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat’ met zich mee (4:7).

(4) Bedenk heilige gedachten (4:8-9). Stop ergens afval in en er komt afval uit (‘garbage in, garbage out’). We worden hervormd door de vernieuwing van ons denken (Rom. 12:1-2). Dus zie er op toe welk voedsel je geeft aan je gedachten; let op wat je denkt; wees vastbesloten jouw denken in de richting van goede en gezonde kanalen te sturen, niet de kanalen die gekenmerkt worden door bitterheid, wrok, begeerte, haat of jaloezie. Bedenk alle soorten dingen die Paulus opneemt in zijn gevarieerde lijst in vers 8. Bovendien dient Paulus hier ook als een belangrijk voorbeeld (4:9): hij draagt ons geen dingen op die hij zelf niet in de praktijk brengt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 10 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 9 oktober 2012

'De koning gaf dus geen gehoor aan het verzoek van het volk. De HEER had dit zo beschikt' (1 Kon. 12)


1 Koningen 12, Filippenzen 3, Ezechiël 42, Psalm 94
De verdeling van het eendrachtige koninkrijk in twee ongelijke delen – het koninkrijk van Israël met zijn tien stammen in het noorden en het koninkrijk van Juda met twee stammen in het zuiden (1 Koningen 12) – schetst ons nog een keer een opmerkelijke dynamiek tussen Gods soevereiniteit en menselijke verantwoordelijkheid.

God had al voorzegd, door de profeet Achia, dat Jerobeam de tien noordelijke stammen zou afscheuren van Salomo’s opvolger (11:26-40). Jerobeam werd expliciet toegezegd, dat als hij dan trouw zou blijven aan de Heer, de Heer voor hem een blijvend koningshuis zou bouwen. Maar het eerste dat Jerobeam doet eens hij de noordelijke stammen beveiligd heeft, is twee gouden kalveren oprichten in Bethel en Dan, en niet-Levitische priesters aanstellen omdat hij niet wil dat zijn volk optrekt naar de tempel in Jeruzalem (12:25-33).

Beseft hij dan niet, dat als God de macht heeft om hem de tien stammen te geven en de zorg betoont om hem te waarschuwen voor ontrouw, Hij zeker de macht bezit om de eenheid van het noordelijke koninkrijk te bewaren, zelfs al zou het volk dan optrekken naar Jeruzalem voor de grote feesten?

Maar Jerobeam maakt zijn politieke overwegingen, weigert God te gehoorzamen, en betoont zichzelf weinig dankbaar voor wat hem ten deel is gevallen. Zijn enige duurzame erfenis is dat hij doorheen de rest van het Oude Testament beschreven wordt als ‘Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël deed zondigen’ (bijv. 2 Kon. 14:24, HSV).
Rehabeam, Salomo’s zoon, begrijpen we echter nog minder. Salomo mag dan een bekwaam uitvoerder van recht geweest zijn, maar aan het eind van zijn leven matten zijn enorm dure projecten zijn volk af. Hun vertegenwoordigers verzekeren Rehabeam ervan dat ze hem trouw zullen zijn als hij hun juk maar wat lichter wil maken.

De oudsten maken Rehabeam duidelijk dat hun verzoek redelijk is: hij zou het standpunt moeten innemen dat hij ‘een knecht van dit volk’ wil zijn ‘en hen dienen’, want dan zal hij ontdekken dat ‘zij voor altijd uw knechten’ zullen zijn (12:7).

Met enorme ongevoeligheid en treffende dwaasheid, neemt Rehabeam in plaats daarvan het belabberde advies aan van ‘jonge mannen’ die vol zijn van zichzelf en hun meningen, en die geen verstand hebben van mensen in het algemeen en dit volk in het bijzonder (12:8).

Zodoende antwoordt Rehobeam met hardheid, waarbij hij niet alleen het verzoek van het volk verwerpt, maar ook nog eens meer eisen belooft en toenemende brutaliteit. En plots zit de rebellie er aan te komen.

Maar de schrijver becommentarieert: ‘Dus luisterde de koning niet naar het volk, want het was een beschikking van ’s HEREN wege, om het woord waar te maken, dat de HERE door de dienst van de Siloniet Achia, tot Jerobeam, de zoon van Nebat, gesproken had’ (12:15).

Gods soevereiniteit (zie bijvoorbeeld de overdenking van 3 juni) vormt geen excuus voor de dwaasheid van Rehabeam en de opstandigheid van Jerobeam en maakt ze niet minder zwaar; hun dwaasheid en zonde betekenen niet dat God zaken niet meer onder controle heeft. Dergelijke mysteries van voorzienigheid maken het moeilijk om de geschiedenis te ‘lezen’; tegelijk brengen ze ook een immense rust en maken ze het mogelijk voor ons om te rusten in Romeinen 8:28.


Eigen vertaling van de overdenking bij 9 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 8 oktober 2012

'De HEER werd woedend op Salomo, omdat hij ontrouw was geworden aan hem' (1 Kon. 11)



1 Koningen 11, Filippenzen 2, Ezechiël 41, Psalmen 92-93

Op weinig plaatsen heeft het word ‘echter’ (in de NBG-vertaling staat er: ‘nu’) meer brute kracht dan in 1 Koningen 11:1: ‘Koning Salomo nu had (…) vele vreemde vrouwen lief’. In die tijd werd de grootte van de harem van een koning algemeen beschouwd als een weerspiegeling van zijn rijkdom en macht. Salomo huwde prinsessen van overal, vooral, maakt de schrijver pijnlijk duidelijk, ‘behorende tot die volken, van wie de HERE tot de Israëlieten had gezegd: Gij zult u met hen niet inlaten, en zij zullen zich met u niet inlaten, voorwaar, zij zouden uw hart meevoeren achter hun goden’ (11:2).

Dit is precies wat er gebeurde, in het bijzonder toen Salomo ouder geworden was (11:3-4). Hij nam deel aan de dienst van vreemde goden. Om zijn vrouwen te behagen, voorzag hij in heiligdommen, altaren en tempels voor hun goden. Ongetwijfeld begonnen veel Israëlieten deel te nemen aan die heidense diensten. Op zijn minst zal de verontwaardiging bij velen afgenomen zijn, vooral omdat Salomo bekend stond als een zeer wijs, vindingrijk en succesvol koning.

Uiteindelijk breidde zijn heidense afgoderij zich uit tot de afschuwelijke goden voor wie men kinderen offert. Zo deed Salomo ‘wat kwaad is in de ogen des HEREN, en hij volgde de HERE niet ten volle, zoals zijn vader David’ (11:6). Natuurlijk had David zelf bij momenten gefaald. Maar hij viel terug van een leven van principiële toewijding aan de Here God, en hij had berouw en keerde terug naar de Heer; hij leefde niet in een stroom van groeiend godsdienstig compromis zoals zijn zoon en troonopvolger.

De straf wordt uitgesproken (11:9-13): na zijn dood zal Salomo’s koninkrijk verdeeld worden, met tien stammen die zich afscheuren, wat er slechts twee overlaat voor het Davidisch koningshuis – en zelfs dit schamele overblijfsel wordt alleen overgelaten ter wille van David.

Ware Salomo een man van een ander kaliber, hij had berouw getoond, de gunst van de Heer gezocht, de offerhoogten vernield en had opgeroepen tot verbondstrouw. Maar de trieste waarheid is dat Salomo zijn vrouwen en wat zij dachten belangrijker vond dan zijn Verbondsheer en diens mening.

Tijdens de slotjaren van zijn regering kreeg Salomo heel wat tekenen voor het feit dat Gods bewaring en gunst hem onttrokken waren (11:14-40). Niets is droeviger dan Salomo’s vergeefse poging om Jerobeam te laten ombrengen – het roept herinneringen op aan Sauls pogingen om David te doden. Maar er is geen beweging naar God toe, geen bekering, geen honger naar God.

We kunnen er tal van lessen uit leren. Wees voorzichtig wat en wie je liefhebt. Goed beginnen garandeert geen goed einde. Geef gevolg aan Gods waarschuwingen wanneer je nog kunt; doe je dit niet, dan zul je uiteindelijk zo verhard raken dat zelfs zijn meest ernstige dreigementen je niet meer zullen raken.

Op het niveau van de canon leren we dat zelfs het meest gezegende, bewaarde en gezalfde koningshuis, gekozen uit het uitverkoren volk van de Heer, zijn einde aankondigt: het zal uiteenvallen. Oh, hoezeer hebben we toch een Redder nodig, een koning uit de hemel!


Eigen vertaling van de overdenking bij 8 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 7 oktober 2012

'Het is dus waar, wat ik in mijn land over u en uw wijsheid gehoord heb' (1 Kon. 10)



1 Koningen 10, Filippenzen 1, Ezechiël 40, Psalm 91
Het bezoek van de koningin van Seba (1 Koningen 10) werd in boeken en films vaak bijgekruid tot een koninklijk liefdesverhaal. In de bijbelse tekst duikt geen enkele aanwijzing op voor interesse uit liefde of voor een seksschandaal. Het verhaal van de koningin van Seba is bedoeld om met een concreet voorbeeld aan te tonen dat Salomo’s reputatie gegrond was op reële feiten. Een paar opmerkingen over de ontmoeting:

Ten eerste biedt dit verslag een gelegenheid om oppervlakkig iets te zeggen over de aard van waarheid in het Oude Testament. Sommigen hebben betoogd dat het Hebreeuwse woord voor ‘waarheid’, ‘emet, in werkelijkheid ‘trouw’ of ‘betrouwbaarheid’ betekent, en dat het te maken heeft met relaties en niet met proposities, stellingen. Sommigen betogen zelfs dat de schrijvers van het Oude Testament gewoon geen categorie hebben voor ware proposities.

Zoals aan de meeste fouten, hangt ook aan deze een zekere mate van waarheid (als ik dat woord mag gebruiken). Zeker, ‘emet heeft een bredere betekenis dan het Engelse woord ‘truth’ (of het Nederlandse ‘waarheid’), en kan verwijzen naar trouw.

Maar woorden kunnen ook trouw weergeven. De koningin van Seba vertelt Salomo dat de roep die ze in haar eigen land gehoord had over zijn daden en wijsheid ‘emet was: het was ‘waar’ (10:6; HSV: ‘de waarheid’); nog letterlijker, omdat het verslag getrouw was, d.w.z. omdat de stellingen overeenkwamen met de werkelijkheid, was het verslag waarheid. Weg dus met een reductionistische analyse van wat het oude Hebreeuws wel of niet kon kennen.

Ten tweede biedt een groot deel van het hoofdstuk beknopte beschrijvingen van Salomo’s rijkdom, militaire macht, succesvolle handelsmissies met schepen die zich op zee begeven, muziekinstrumenten, en meer. Toch is ook ruimte gereserveerd voor verschillende uitgesproken theologische thema’s. Koningen bezochten Salomo om te luisteren naar zijn wijsheid – en die wijsheid was door God zelf in zijn hart gelegd (10:24).

Salomo genoot inderdaad een buitengewone reputatie voor het in stand houden van recht en gerechtigheid in zijn koninkrijk, in die mate dat de koningen van Seba dacht dat zijn daden op dit vlak aantoonden dat ‘de HERE Israël voor altoos liefheeft’ (10:9).
Maar ten derde is dit alles in zekere zin een opstap naar het volgende hoofdstuk. Ondanks al de zegeningen, wijsheid, macht, rijkdom, prestige en eer die Salomo genoot, allemaal uit de hand van God ontvangen, is er het feit dat zijn eigen wandel de weg baande voor oordeel en de ondergang van het Davidische koningshuis.

Die gecompliceerde ontwikkelingen laten we liggen tot de overdenking van morgen. Hier volstaat het stil te staan bij het feit dat buitengewone zegeningen niet noodzakelijkerwijs een bewijs zijn van trouw. Omdat God traag is om te toornen (wat zeker een goede zaak is!), worden de oordelen die onze misdaden verdienen vaak lang uitgesteld. Veronderstel niet snel dat huidige zegeningen een bewijs zijn voor huidige trouw: de vreselijke vrucht van trouweloosheid kan een lange tijd nodig hebben om er te komen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 7 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 6 oktober 2012

'Bid ook voor mij … ' (Ef. 6)


1 Koningen 9, Efeziërs 6, Ezechiël 39, Psalm 90

Net voor de slotzinnen van Paulus’ brief aan de Efeziërs, nodigt hij zijn lezers uit voor hem te bidden (Ef. 6:19-20): ‘Bidt ook voor mij, dat mij bij het openen van mijn mond het woord geschonken worde, om vrijmoedig het geheimenis van het evangelie bekend te maken, waarvoor ik een gezant ben in ketenen. Dan zal ik daartoe vrijmoedig kunnen optreden, zoals ik behoor te spreken.’

(1) Wanneer Paulus elders modellen schetst van hoe zijn bekeerlingen zouden moeten bidden (bijv. in Ef. 3:14-21; Fp. 1:9-11), komt het thema ‘zending’ niet zo sterk uit de verf als hier. Weliswaar vraagt Paulus ook elders aan anderen om voor hem te bidden (1 Thess. 5:25), maar hier specifieert hij wat hij wil dat ze zullen vragen in gebed (vgl. Kol. 4:4; 2 Thess. 3:1). Hij wil in staat zijn om het ‘geheimenis’ van het evangelie zonder vrees te kunnen spreken.

(2) Het is zeker bemoedigend dat Paulus de nood voelt aan dergelijk gebed. Wij plaatsen de apostel soms op een dermate groot voetstuk dat we vergeten dat hij een gewone sterveling was die te maken kreeg met dezelfde verzoekingen die ook wij ontmoeten. Hij was zich zeer goed bewust van hoe makkelijk het is het evangelie te verzaken, het een klein beetje aan te passen, om rond die delen heen te fietsen waarvan we denken dat onze toehoorders ze lastig of aanstootgevend zullen vinden.

Dus wist hij dat om het evangelie getrouw te kunnen prediken, hij het ook zonder vrees zou moeten prediken. Dit weerspiegelt niet een ‘in your face’-stijl (recht-in-je-gezicht). Het betekent eerder dat Paulus wilde kunnen spreken zonder dat hij zou vrezen voor wat zijn toehoorders konden denken of zeggen over hem, of wat ze hem konden aandoen, zodat hij mogelijk water bij de wijn zou doen bij het evangelie dat hij kwam verkondigen.

Je hebt niet veel verbeelding nodig om manieren te ontdekken waarop de predikers in de Westerse wereld van vandaag veel gebed op dit terrein nodig hebben. Beeld je eens in dat je predikt voor bachelorstudenten aan een heidense universiteit, of voor een publiek van schitterende twintigers of dertigers die het gemaakt hebben als zakenlui in pakweg New York.

Wanneer je het boek Romeinen uitlegt, hoe zul je dan precies het onderwerp homoseksualiteit in hoofdstuk 1 behandelen en uitverkiezing in hoofdstuk 9? Hoe zul je over de hel spreken vanuit de vele gedeeltes waarin Jezus zelf uitpakt met de meest verschrikkelijke beelden? Hoezeer zou je in de verleiding komen terug te deinzen wanneer je de zuivere exclusiviteit van het evangelie moet behandelen of wanneer je over geld spreekt tegen rijke mensen?

(3) We mogen niet naast het feit kijken dat Paulus bereid is om gebed te vragen. Sommige leiders denken dat ze nooit enige zwakheid mogen laten blijken, of een bepaalde vrees of behoefte. Ze handelen alsof ze boven de strijd staan. Paulus niet. Zijn vraag om gebed is niet pro forma: hij vraagt om gebed om het evangelie zonder vrees te kunnen prediken omdat hij lang genoeg gepredikt heeft, en zichzelf goed genoeg kent, om ook de macht en het gevaar te kennen dat je louter predikt om publieke bijval te krijgen. Door te vragen om gebed, geeft hij zijn angsten toe en verzekert hij zich van hun goddelijke remedie of hulpmiddel.


Eigen vertaling van de overdenking bij 6 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 5 oktober 2012

'Zelfs de hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb' (1 Kon. 8)


1 Koningen 8, Efeziërs 5, Ezechiël 38, Psalm 89
De inwijding van de tempel in Jeruzalem en Salomo’s gebed bij die gelegenheid (1 Koningen 8) lopen over van de verbanden die zowel teruggrijpen als vooruitgrijpen langs de lijn van de heilshistorie.

(1) De structuur van de tempel is een geproportioneerde reproductie van de tabernakel. Zo gaan de rituelen die het Mozaïsche verbond voorschreef en de symbolische waarde van alles wat God voorschreef via Mozes verder: het altaar, de tafel voor de toonbroden, het heilige der heiligen, de twee cherubim boven de ark van het verbond, enz.

(2) Het meest spectaculaire, nadat de ark van het verbond vervoerd werd naar zijn nieuwe verblijfplaats en de priesters zich terugtrokken, is de heerlijkheid van God die de tempel vult, aangeduid door hetzelfde soort wolk die de tegenwoordigheid van de Heer kenmerkte in de tabernakel. Niet alleen verbindt God zijn goedkeuring aan de tempel, maar een nieuwe stap is gezet in de zich ontvouwende plannen van God. Terwijl de symboliek van de tabernakel behouden blijft in de tempel, is dit bouwwerk niet langer iets mobiel. De jaren van rondtrekken, en zelfs de onzekere jaren van de Richters, zijn voorbij. Nu wordt Gods tegenwoordigheid, gemanifesteerd in dit stevig gebouw, verbonden aan één locatie: Jeruzalem.

Een nieuwe lading historische ervaringen vol symboliek voegen nieuwe rijke dimensies toe aan de groeiende rijkdom die heenwijst naar de komst van Jezus. Hier is een stabiel koninkrijk – en het koninkrijk van God; Jeruzalem, en het nieuwe Jeruzalem; de glorieuze tempel, en de stad die geen tempel nodig heeft want ‘de Here God, de Almachtige, is haar tempel, en het Lam’ (Opb. 21:22). Hier zijn tienduizenden dieren geslacht – en het Lam van God, die de zonde der wereld wegneemt.

(3) Op zijn best is Salomo zich terdege bewust dat geen bouwwerk, zelfs dit niet, God kan bevatten of kan binden. ‘Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb’ (8:27).

(4) Maar dit weerhoudt er hem niet van God te vragen dat Hij zichzelf hier zou vertonen. Meer dan wie ook weet Salomo dat wat het volk het meest nodig zal hebben, vergeving is. Zo herhaalt Salomo in uitgebreide en vooruitziende beschrijvingen van ervaringen waar het volk doorheen zal moeten, een bepaalde variant van het refrein: ‘En U, luister in Uw woonplaats, in de hemel, ja luister, en vergeef’ (8:30 e.v., HSV). Dat is heel juist: hoor in de hemel, zelfs als de ogen van het volk op deze tempel zijn gericht, en vergeef.

(5) Salomo’s vooruitblik omvat de angstaanjagende mogelijkheid van ballingschap (8:46-51), gevolgd door redding en verlossing. Terwijl Salomo het volk verder opwekt tot trouw (8:56-61), herhaalt hij ook een belangrijk punt uit het verbond met Abraham (Gen. 12:3): Israël moet trouw zijn ‘opdat alle volken der aarde mogen weten, dat de HERE God is en niemand meer’ (8:60).


Eigen vertaling van de overdenking bij 5 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 4 oktober 2012

Wandelt niet langer zoals de heidenen (Ef. 4)


1 Koningen 7, Efeziërs 4, Ezechiël 37, Psalmen 87-88

Een van de opvallende kenmerken van de brieven van Paulus is dat veel aandacht besteed wordt aan het leren hoe mensen moeten leven. De Bijbel op zijn geheel is er inderdaad in geïnteresseerd ons te leren wat we moeten geloven (omdat die dingen waar zijn), en hij is er niet minder op gericht ons te leren hoe we ons trouw moeten gedragen. Nergens is dergelijke balans duidelijker dan in de brieven van Paulus.

De reden voor die grote aandacht ligt in het wezen van God. De God van de Bijbel, de God die is (of ‘the God who is there’), zoals Francis Schaeffer ons leerde zeggen, is de God van alles. Hij is niet de God van de gedachten alleen, of van een bepaald exclusief geestelijk of religieus gebied. Hij is god.

Als onze Maker en voorzienige Heerser, strekken zijn aandacht en bevelen zich uit naar elk aspect van ons wezen, onze overtuigingen, onze woorden en ons gedrag. Dan nog blijven proberen om een soort vreselijke spanning te behouden tussen onze geloofssystemen en ons gedrag is niet alleen een uitnodiging tot schizofrenie, het is ook een belediging van God, een vreselijke opstandigheid die niet minder lelijk is omdat het gaat om kieskeurig zijn.

Dit betekent dat onze leer en prediking niet alleen waarheden moeten bevatten die geloofd moeten worden, maar ook instructies over hoe we moeten leven. Een heel duidelijk voorbeeld op dit vlak is het voorbeeld van Paulus in Efeziërs 4:17-32.
Er is niemand die er durft aan twijfelen of dit hoofdstuk rijke leerstellingen bevat.

Toch zien we Paulus benadrukken ‘dat gij niet langer moogt wandelen zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun denken’ (4:17). Hij verbindt die ‘ijdelheid’ met hun onwetendheid van God aan de ene kant, en met hun walgelijke gedrag aan de andere kant. ‘Maar zo hebt u Christus niet leren kennen!’ (4:20, NBV). Je bent geschapen ‘overeenkomstig het beeld van God’, ‘in waarachtige gerechtigheid en heiligheid’ (4:22-24).

Dit zou allemaal een beetje etherisch of zweverig kunnen blijven. Paulus wil een dergelijke uitweg niet openlaten. De rest van het hoofdstuk is hij rechtuit en praktisch. Het gedrag dat Paulus verwacht omvat waarheidsgetrouw spreken – ‘omdat wij leden zijn van elkander’ (4:25), en een praktische toewijding om geen dag in toorn te laten eindigen, opdat de duivel geen voet zou krijgen (4:26-27).

Bekeerde dieven mogen niet meer stelen. Ze moeten werken, iets nuttigs doen, leren vrijgevig te zijn met wat ze verdienen (4:28). In onze woorden moeten we niet enkel wegdoen wat lasterlijk, vuil of ‘ongezond’ is, maar we moeten leren uiten wat ‘nuttig is tot opbouw, opdat het genade geeft aan hen die het horen’ (4:29, HSV).

Anders gezegd: ‘Alle bitterheid, gramschap, toorn, getier en gevloek worde uit uw midden gebannen, evenals alle kwaadaardigheid. Maar weest jegens elkander vriendelijk, barmhartig, elkander vergevend, zoals God in Christus u vergeving geschonken heeft’ (4:31-32).


Eigen vertaling van de overdenking bij 4 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 3 oktober 2012

'Mij is in een openbaring het mysterie onthuld' (Ef. 3)



1 Koningen 6, Efeziërs 3, Ezechiël 36, Psalm 86
Een geheimenis in de geschriften van Paulus is gewoonlijk niet iets ‘mysterieus’, nog minder een whodunit – een detectiveverhaal. Het is een waarheid of leerstelling die in bepaalde mate werd verborgen gehouden in de generaties daarvoor, en nu met de komst van het evangelie onthuld en openbaar gemaakt werd.

Soms wordt het evangelie zelf beschreven als een mysterie; meer gebruikelijk is dat een bepaald element van het evangelie het label van geheimenis of mysterie krijgt.
In Efeziërs 3:2-13 benadrukt Paulus dat hij, samen met andere ‘apostelen en profeten’ (3:5), diep inzicht kreeg ‘in het geheimenis van Christus, dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu door de Geest geopenbaard is aan de heiligen’ (3:4-5). Dan vertelt hij ons de inhoud van dit mysterie: ‘dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie’ (3:6).

We moeten nadenken over de manieren waarop dit mysterie verborgen was. De Schriften van het Oude Testament grijpen zeker bij momenten al vooruit naar de genade van God die zich verder uitstrekt naar mannen en vrouwen uit alle volken. Het verbond met Abraham voorzag dat in Abrahams zaad alle volken op aarde gezegend zouden worden (Gen. 12:3, zie de overdenking van 11 januari). Wat is daar dan verborgen aan?

Toch blijft het feit staan dat de ruimte die de Bijbel wijdt aan de Wet van Mozes maakt dat die bredere nadruk vaak verloren ging. Des te meer als je die ruimte koppelt aan het groeiend aantal uitleggingen die de Mozaïsche wet zien als een begripskader dat de lezing van een groot deel van het Oude Testament bepaalt.

Dus kan die verborgenheid aan de ene kant gezien worden als een goed uitgewerkt plan van God om de heerlijkheid van zijn ‘eeuwige voornemen’ (3:11; NBV: ‘eeuwenoude plan’) te verbergen, tot de tijd rijp was om het te ontvouwen; aan de andere kant heeft de verborgenheid ook iets te maken met de menselijke verdorvenheid, die de Oudtestamentische Schrift leest op een manier die de ware dimensies van de beloften uit het Oude Testament aan banden legt en minimaliseert.

Met de komst van Christus werd veel duidelijker op welke manieren de boeken van het Oude Testament al vooruit wezen. De Grote Opdracht zette een stempel van internationalisme op de zending van zijn discipelen, die alle parochialisme beschaamt.

Bovenal verschaft Jezus’ uitleg van het Oude Testament een aantal nieuwe inzichten. Als we de verhaallijn van het Oude Testament goed lezen in zijn lineaire, historische verloop, dan ligt er niet zoveel nadruk op de Wet van Mozes als sommigen dachten.

Het Mozaïsch verbond blijkt zelfs een mislukking in termen van in welke mate het mensen slechts kon veranderen. Zijn grootste succes ligt in het feit dat het ons modellen verschaft die beschrijven hoe de ultieme Redder, de ultieme Priester, de ultieme Tempel, het ultieme Offer er moet uitzien. En Paulus is de apostel die niet alleen dit geheimenis predikt, maar dit ook doet tot de heidenen, de mensen die het meest geraakt zouden worden door de inhoud van dit geheimenis.


Eigen vertaling van de overdenking bij 3 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 2 oktober 2012

'U was dood door de misstappen en zonden' (Ef. 2)



1 Koningen 4-5, Efeziërs 2, Ezechiël 35, Psalm 85
Christenen wordt vaak geleerd Efeziërs 2:8-9 te memoriseren: ‘Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme’. Er worden zeker wonderlijke waarheden uitgedrukt in deze zinnen. Maar ik zal focussen op een aantal van de dingen die Paulus zegt in de verzen daarrond.

(1) Voor onze bekering waren wij, net als de Efeziërs, dood door onze ‘overtredingen en zonden’ (2:1). Door onze verslaving aan overtredingen en zonden, door onze gewoonte de wegen van de wereld te volgen (2:2), omdat we tegelijk misleid waren door de duivel (2:2) en ons wijdden aan de bevrediging van de verlangens en gedachten van onze zondige natuur (2:3), was er voor ons eenvoudigweg geen manier om het evangelie positief te beantwoorden. Erger nog, ons tragisch onvermogen was een moreel onvermogen: ‘wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns’ (2:3). Er was voor ons geen hoop, tenzij God zelf zou ingrijpen en leven zou brengen waar er slechts dood was en barmhartigheid zou bewijzen waar zijn eigen gerechtigheid om toorn vroeg.

(2) Dit is wat God deed: terwijl wij nog steeds dood waren, heeft God, ‘die rijk is aan erbarming’, om zijn grote liefde voor ons, ons ‘mede levend gemaakt met Christus’ (2:4-5). Dit was louter vanuit zijn genade: we konden onszelf zeker niet helpen, omdat wij ‘dood waren’ (2:5).

(3) Ja, God maakt ons zo één met Christus dat we in zijn ogen al zijn opgewekt met Hem en gezeten ‘in de hemelse gewesten, in Christus Jezus’ (2:6). God heeft deze stappen genomen ‘om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus’ (2:7). Dus is het zo dat onze ultieme hoop en verwachting nog voor ons ligt. Geen christen kan staande blijven zonder dit toekomstperspectief te zien en naar waarde te schatten.

(4) Op dit punt benadrukt Paulus de zuivere barmhartigheid van het geschenk van de behoudenis, een geschenk dat ontvangen wordt door geloof, dat zelf het geschenk van God is, en heel apart staat van gelijk welk werk dat we kunnen verrichten. Want als we konden, dan zouden we erover roemen.

(5) Maar niets van dit alles betekent dat we ons leven verderzetten zoals we dit voorheen deden – dood in overtredingen en onze eigen verlangens en gedachten nastrevend. Verre van: wij die Gods genade ontvangen hebben, en het geloof om ons die eigen te maken, zijn 'zijn maaksel’, ‘in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen’ (2:10). Je kunt niet meer van reddende genade genieten zonder in goede werken te wandelen, dan je reddende genade kunt ervaren zonder ooit de onmetelijke rijkdom te kennen die ons wacht in de komende eeuw. Die grote behoudenis is één geweldig pakket!


Eigen vertaling van de overdenking bij 2 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 1 oktober 2012

'Zie, Ik geef u een wijs en verstandig hart' (1 Kon. 3)



1 Koningen 3, Efeziërs 1, Ezechiël 34, Psalmen 83—84

Christenen vragen soms waarom Salomo, als hij dan zo wijs was, vele vrouwen huwde, zijn koningschap eerder slecht beëindigde en uiteindelijk zijn loyaliteit aan God heeft gecompromitteerd.

Het antwoord ligt deels in het verschil tussen wat wij bedoelen met wijsheid en de verschillende dingen die de Bijbel bedoelt met wijsheid. Wij bedoelen er meestal iets nogal algemeen mee, zoals ‘weten hoe je goed leeft en verstandige keuzes maakt’.

Maar waar wijsheid in de Bijbel kan verwijzen naar iets in brede zin – zoals weten hoe je leeft in de vrees van God – verwijst het vaak naar een welbepaalde bekwaamheid. Dit kan de vaardigheid zijn te weten hoe je overleeft in een gevaarlijke wereld (Spr.30:24), of een bepaalde technische vaardigheid (Ex. 28:3, NBG en HSV – in de NBV gaat de betekenis op dit vlak verloren, JL).

Maar een van de bekwaamheden waar wijsheid ook kan naar verwijzen is de bekwaamheid om te besturen, vooral in de rechtspraak. En het is duidelijk dit waar Salomo om vraagt in 1 Koningen 3.

Wanneer hij Gods vrijgevige aanbod beantwoordt om hem alles te geven waar hij om vraagt, erkent Salomo dat hij maar een klein kind is en niet weet hoe hij zijn taken moet vervullen (3:7). Wat hij daarom wil is een hart dat inzicht bezit hoe het het volk goed kan besturen, vooral in het onderscheiden tussen goed en kwaad (3:9).

God prijst Salomo omdat hij niet heeft gevraagd naar iets voor zichzelf, zelfs niet om iets wraakzuchtigs (zoals de dood van zijn vijanden), maar om inzicht ‘om een rechtszaak te kunnen horen’ (3:11). God belooft Salomo precies te geven waar hij om gevraagd heeft, samen met rijkdom en eer (3:12-13).

Het verslag van de twee hoeren die allebei dezelfde levende baby opeisen en ontkennen dat de dode baby van hen is, en Salomo’s oplossing voor hun zaak (3:16-27), bewijst dat God het verzoek van de koning heeft ingewilligd. Het gehele volk merkt van Salomo ‘dat de wijsheid Gods in hem was om recht te doen’ (3:28). Ongetwijfeld zouden de meeste Westerse landen vandaag best wat meer mensen kunnen gebruiken die op eenzelfde manier begiftigd zijn.

Hoewel God hem prijst voor zijn keuze, wil dit niet zeggen dat dergelijke wijsheid het enige is dat Salomo nodig heeft om te wandelen in trouw aan het verbond. Want los van de wijsheid, rijkdom en eer die Hij zal verlenen, zegt God hem ‘En indien gij op mijn wegen wandelt en mijn inzettingen en geboden bewaart, zoals uw vader David gewandeld heeft, dan zal Ik uw leven verlengen’ (3:14).

Maar er dreigen al wolken: om zijn zuidelijke grens te beschermen, huwt Salomo met een Egyptische prinses (3:1). Omdat ze populair zijn, schaft hij de verboden ‘hoogten’ niet af, maar neemt hij deel aan de offerdienst die daar plaatsvindt (3:2-4).

God schenkt soms wonderlijke gaven van wijsheid – technische, sociale, bestuurlijke of rechterlijke vaardigheden – maar tenzij we ook van Hem een hart krijgen dat er is op afgestemd Hem waarlijk lief te hebben en Hem volkomen te gehoorzamen, kunnen onze wegen rampzalig eindigen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 1 oktober uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zondag 30 september 2012

'Ik wil me op niets anders laten voorstaan dan het kruis van Jezus' (Gal. 6)


1 Koningen 2, Galaten 6, Ezechiël 33, Psalmen 81-82

Het einde van Galaten 6 brengt diverse thema’s samen.

(1) Het was Paulus’ gewoonte om zijn brieven te dicteren. Niettemin schreef hij gewoonlijk het laatste klein stukje in zijn eigen opvallende handschrift, om de brieven te legitimeren (vergelijk met 2 Thess. 3:17). Zo ook hier (Gal. 6:11).
Sommigen hebben gesuggereerd dat zijn ‘grote letters’ verraden dat zijn zicht achteruitgaat. De belangrijke kwestie is hier dat Paulus wil dat zijn lezers de ware stem achter zijn brief herkennen.

(2) De oproerkraaiers proberen om de Galatische heidense gelovigen te overtuigen de besnijdenis aan te nemen (6:12). Dat zou hen (zo dachten ze) goede Joden maken – een noodzakelijke voorwaarde voor hen om ware christenen te worden.

Maar Paulus achterhaalt dat minstens een gedeelte van hun motivatie eruit bestaat aanvaard te blijven in de kringen van de Joodse synagoge. Op dit punt van de kerkgeschiedenis, was de grootste vervolging afkomstig van de synagogeraden die tucht uitoefenden.

Paulus had zelf zijn deel van het lijden gehad: de negenendertig zweepslagen, die hij vijf keer onderging (2 Kor. 11) was een straf van de synagoge. Paulus is van mening dat sommige Joden die zichzelf christen noemen en er op staan dat christenen uit de heidenen Joden worden, gewoonweg niet bereid zijn om de schande te ondergaan die ze van sommige mede-Joden zullen te lijden krijgen, wanneer hun naaste ‘broers’ en ‘zusters’ niet-koosjere (of onreine) heidenen blijken.

(3) Niet alleen dat, maar besnijdenis was een teken van beleden verbondstrouw. Hier ligt het echte probleem, benadrukt Paulus: zij die besneden zijn vinden het onmogelijk om zich ‘aan de wet te houden’, dus waarom zouden ze dan proberen anderen te overhalen ditzelfde spoor te bewandelen (6:13)? Sommigen onder hen willen bekeerlingen tot het judaïsme tellen als scalpen aan een speer.

Maar Paulus benadrukt dat de christen in niets anders roemt dan in het kruis van de Heer Jezus (6:14). Dat is voor God de enige basis voor onze aanvaarding, niets anders – niet besnijdenis, niet het houden van de wet, niet reine tafels, niet het behoren tot de juiste gemeenschap. De enige basis is het kruis, dus is dat onze enige ‘roem’. Als je dit gelooft, zal het er weinig toe doen wat de wereld denkt: het is voor zover het jou betreft alsof de wereld gekruisigd is, en jij bent gekruisigd voor zover het de wereld betreft.

(4) Uit dit kruiswerk van Jezus Christus komt de ‘nieuwe schepping’ op (6:15). Dit is wat telt – mannen en vrouwen die zo veranderd zijn, door het geloof in Jezus, dat ze tot een nieuwe schepping behoren die nog moet afgerond worden. Dit is onveranderlijk waar, zelfs voor ‘het Israël van God’ – wat kan verwijzen naar de kerk als het ware Israël, of mogelijk betekent dat Israël naar het vlees, net als ieder ander, deze waarheid onder ogen moet zien.

(5) Op persoonlijk vlak herinnert Paulus de Galaten er vriendelijk aan dat hij voor zijn geloof heeft moeten betalen met lijden. Geldt dit ook voor de oproerkraaiers? Dus waarom zou een ware christen nu moeten toevoegen aan het lijden van Paulus?


Eigen vertaling van de overdenking bij 30 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

zaterdag 29 september 2012

Ook het kruim heeft zwaktes (1 Kon. 1)

1 Koningen 1, Galaten 5, Ezechiël 32, Psalm 80

De overgang van het koninklijk gezag van David naar Salomo (1 Koningen 1) verloopt warrig. Een van Davids zonen, Adonia, spant samen met Joab, het hoofd van het leger, en probeert de macht over te nemen. Batseba, de moeder van Salomo, herinnert haar zieke echtgenoot aan zijn belofte dat Salomo de opvolger zou zijn, en het gecompliceerde tafereel kent zijn afloop.

Nog maar eens springt het chronische falen van David op gezinsvlak er uit. De auteur van 1 Koningen vestigt er onze aandacht op in de terloopse commentaar in 1:6.

Verwijzend naar Adonia, die de coup probeerde te plegen, merkt hij op: ‘Nu had zijn vader hem zijn leven lang geen verwijt gemaakt: Waarom doet gij zo? Ook was hij zeer welgevormd van gestalte en volgde in geboorte op Absalom’ – alsof er goed uitzien een soort eenvoudige arrogantie voortbracht die deed denken dat hij op alles recht had, ook op de kroon zelf. Van de vele belangrijke lessen kunnen we er twee uitlichten:

Ten eerste kunnen zelfs begaafde en moreel oprechte gelovigen vaak tragische zwakheden vertonen. Af en toe staat een Daniël op, van wie geen mislukkingen vermeld staan. Maar het merendeel van het kruim in de Schrift geeft blijkt van de een of andere zwakte – Abraham, Mozes, Petrus, Thomas, en (niet het minst) David.

We moeten die realiteit onder ogen zien, want vandaag is het niet minder zo. God wekt strategisch geplaatste en invloedrijke leiders op. Een uitzondering kan zodanig vasthoudend zijn dat het zeer moeilijk is om ook maar een noemenswaardige misrekening te bespeuren. Maar gewoonlijk is dit niet het geval.

Gewoonlijk vertonen zelfs de besten van onze christelijke leiders fouten die hun dichtste familieleden en vrienden kunnen opmerken (of de leiders ze nu zelf zien of niet!). Dit zou ons niet moeten verrassen. In deze gevallen wereld is dit hoe de dingen gaan, en ook hoe de dingen verliepen in de tijd dat de Bijbel geschreven werd.

Daarom zouden we niet gedesillusioneerd mogen zijn wanneer leiders blijk geven van onvolmaaktheden. We zouden hen moeten ondersteunen waar we maar kunnen en waar mogelijk proberen de tekortkomingen te corrigeren, en de rest aan God overlaten – terwijl we ondertussen wel altijd beseffen welk vreselijk potentieel voor falen en fouten er in ons leven voorkomt.

Ten tweede werkt Gods soevereiniteit nog maar een keer doorheen de ingewikkelde inspanningen van zijn volk. Wanneer David op de hoogte gebracht wordt van het probleem, gooit hij zijn handen niet in de lucht en gaat hij niet in gebed over de situatie: hij beveelt onmiddellijk dat beslissende, symbolische en complexe stappen gezet worden om te verzekeren dat Salomo de troon kan bestijgen.

Vertrouwen in Gods soevereine goedheid is nooit een excuus voor passiviteit of laksheid. Vele jaren van geloofswandel hebben David geleerd dat, wat ‘wandelen door geloof’ ook allemaal nog moge betekenen, het allerminst een vrijbrief is voor passiviteit. Willen we vermijden te handelen in strijd met God, of met ijdele pogingen onafhankelijk van God, dan moeten we ook het piëtisme vermijden dat in voortdurend gevaar verkeert om vertrouwen te doen verschrompelen tot fatalisme.


Eigen vertaling van de overdenking bij 29 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

vrijdag 28 september 2012

'Ben ik dus een vijand van u geworden, nu ik u de waarheid zeg?' (Gal. 4)


2 Samuël 24, Galaten 4, Ezechiël 31, Psalm 79
Galaten 4 bevat een aantal gedeeltes die ervoor gezorgd hebben dat christenen zich lange tijd hebben afgevraagd hoe Paulus de geschiedenis van Israël precies ziet – in het bijzonder de zogenaamde ‘beeldspraak’ van 4:21-31. Ze vragen heel wat aandacht.

Ingebed in het midden van het hoofdstuk staan echter twee korte paragrafen die heel wat tonen van het hart van de apostel (4:12-20), hoewel je er makkelijk overheen leest.

(1) De eerste (4:12-16) toont hoe de apostel pleit bij de Galaten. Hij benadrukt dat zijn sterke taal tegenover hen niets te maken heeft met persoonlijke pijn: ‘U hebt mij in geen enkel opzicht onrecht aangedaan’ (4:12, HSV). Hij herinnert hen er zelfs aan dat het begin van hun wederzijdse relatie een verbondenheid bewerkte die Paulus nooit zou kunnen verbreken. Hij kwam de eerste maal bij hen, zegt hij, omdat hij ‘ziek geworden was’ (4:13).

We kunnen niet met zekerheid zeggen waar het om ging. Misschien is de beste suggestie (hoewel het niet meer is dan dit), dat Paulus met het schip aankwam op de zuidkust van wat nu Turkije is, en dat hij bij zijn dienst daar besmet werd met malaria of een of andere subtropische ziekte. De beste oplossing in die tijd was om dan naar hoger gelegen streken te reizen – naar de regio van de Galaten.

Daar vond Paulus een opmerkelijk behulpzaam en gastvrij volk. Terwijl hij het evangelie tot hen predikte, behandelden ze hem als ware hij ‘een bode Gods’ (4:14; HSV: ‘een engel van God’). Hoe zou Paulus hen dan kunnen laten vallen of afschrijven? Maar spijtig genoeg was hun vreugde verdwenen. Ze waren zodanig gecharmeerd door de vreemde visie van de opruiers, dat ze Paulus als een vijand beschouwen omdat hij hen de waarheid vertelt (4:16).

Hier zie je dan een apostel die van dichtbij betrokken is bij de levens van de mensen tot wie hij predikt, bereid en gretig om met hen uit de complexe geschiedenis van hun relaties te geraken, maar niet bereid om compromissen te sluiten met de waarheid om de scherpe randjes in hun relaties weer weg te werken. Bij Paulus moet zuiverheid in de leer blijven staan naast zuiverheid in relaties; ze mogen niet tegen elkaar uitgespeeld worden.

(2) Paulus bespeurt een verregaande zwakte in het karakter van de Galaten en legt er vriendelijk de vinger op: ze houden van ijverige mensen, zeker van mensen die hen met ijver omringen, zonder zich goed af te vragen in welke richting die ijver gaat (4:17-20). Paulus waarschuwt: ‘Het is goed als u zich inspant, maar doe het dan ook voor de goede zaak’ (4:18, NBV). In de onmogelijkheid om te communiceren via telefoon of e-mail en dus zonder recente update, is de apostel onzeker over hoe hij best verdergaat. Moet hij deze vermaning verderzetten? Moet hij nu zijn toon veranderen en hen het hof maken? Hij voelt zich als een moeder die voor een tweede keer door de pijn van een bevalling moet, om het kind opnieuw te laten geboren worden dat ze eigenlijk al ter wereld bracht.

Zouden hedendaagse voorgangers en leiders minder zorg aan de dag moeten leggen voor hen over wie ze verantwoordelijk zijn wanneer die afdwalen?


Eigen vertaling van de overdenking bij 28 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

donderdag 27 september 2012

'O, onverstandige Galaten, wie heeft u betoverd?' (Gal. 3)



2 Samuël 23, Galaten 3, Ezechiël 30, Psalm 78:40-72
Galaten 3 zou ons gemakkelijk kunnen boeien met een volledig boek, dikker dan dat waar deze dagelijkse overdenkingen uit komen. Maar hier zal ik mezelf beperken tot twee opmerkingen.

Ten eerste doet Paulus een beroep op de ervaring. Hij vraagt de Galaten of hun bekering en alles wat ze van de genade van God en de kracht van de Geest ervaren hebben, hen is overkomen als een gevolg van hun houden van de wet van Mozes, of als gevolg van hun geloof. Uiteindelijk was Christus hun voor ogen geschilderd als de gekruisigde Redder (3:1). Ze geloofden wat ze hoorden (3:2) en ze ontvingen de Geest.

Dit standpunt had hen iets gekost: ze hadden geleden onder vervolging (3:4). Bovendien hadden ze wonderbaarlijke, transformerende werken van de Geest gezien, alles als gevolg van hun door God gegeven geloof (3:5). Waarom zouden ze dan denken, nu ze begonnen waren door de Geest, begonnen door geloof, dat ze nu hun ‘doel’ zouden moeten bereiken – wellicht verdere stappen in groei en kennis van God – door zorgvuldig de wet na te leven? Die aanpak, geeft Paulus aan, is in tegenstelling met hun eigen bekering, een smet op het lijden dat hen overkomen is, en in strijd met hun eigen ervaring van de kracht van Gods Geest.

Dit betekent dat het pad naar het ‘doel’ van de christen geloof is, en het leven en de kracht van de Geest, niet het navolgen van de talrijke wetten. Er anders over denken is ‘dwaas’, te luisteren naar hen die ons ‘betoverd’ hebben met een vals begrip van geestelijkheid dat ons aftrekt van de gekruisigde Jezus (zie 3:1).

Ten tweede focust de argumentatie in de rest van het hoofdstuk niet op de ervaring van de individuele christen, maar op de geschiedenis van Gods heilsplan. Paulus zegt met andere woorden niet dat de wet van God moet werken in het geweten van elke ongelovige wil die persoon tot Christus moeten komen. Of het nu wel of niet waar is, het is gewoon niet waar Paulus het hier over heeft.

Paulus probeert eerder de prioriteit van het geloof te schetsen met betrekking tot onze rechtvaardiging, door terug te keren in de geschiedenis tot bij Abraham (3:6-9). Dit werpt meteen de vraag op waarom de wet van Mozes er dan eigenlijk nog moest ‘bijkomen’. Paulus biedt ons hier geen complete analyse van de verschillende doeleinden die gediend worden door de wet, maar benadrukt bepaalde punten: ze kwam er niet bij om de principes op te heffen die al gevestigd waren in de tijd van Abraham en ook niet om een alternatieve weg tot redding te bieden.

Veeleer maakte ze de menselijke zonde duidelijk en onloochenbaar, aangezien die ontmaskerd werd als overtreding; dus dreef ze mensen naar Jezus Christus, langs de heilshistorische tijdslijn. Een van de manieren waarop Paulus het Oude Testament verschillend verstaat in vergelijking met zijn Joodse collega’s, is dat hij de nadruk legt op het feit dat we het moeten lezen langs zijn temporale assen: Paulus legt uit hoe de Bijbel samenhangt.


Eigen vertaling van de overdenking bij 27 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

woensdag 26 september 2012

Geen moment gezwicht, want de waarheid van het evangelie moest behouden blijven (Gal. 2)



2 Samuël 22, Galaten 2, Ezechiël 29, Psalm 78:1-39
Sommige commentatoren menen te verstaan dat Paulus in Galaten 2:1 e.v. zegt, dat hij na verloop van een aantal jaren naar Jeruzalem terugkeerde om het evangelie dat hij gepredikt had onder de heidenen voor te leggen aan de apostelen in Jeruzalem en andere leiders, omdat hij zichzelf wilde aftoetsen.

Hij deed dit natuurlijk stilletjes, maar feit is dan dat Paulus bang was dat hij zijn wedloop vruchteloos liep of gelopen had (2:2). Dit bewijst dat Paulus niet zo zelfzeker was als hij pretendeerde te zijn in het voorgaande hoofdstuk. In bepaalde zin is hij dan toch maar een apostel in afgeleide zin.

Maar deze lezing houdt geen stand. Wat Paulus bedoelt ligt nogal anders. Bij de Galaten waren onruststokers van buitenaf binnengedrongen, mannen die zichzelf voorstelden als erkend door Jeruzalem, als op de een of andere manier ondersteund door de ‘gewone’ apostelen.

Het boek Handelingen levert bewijs dat Paulus soms achternagezeten werd door dergelijke mensen. Dus gaat hij naar Jeruzalem, niet om zijn evangelie te laten goedkeuren of bijsturen (op dit moment zal Paulus zijn mening of richting niet veranderen), maar om te verzekeren dat er geen misrepresentaties zijn onder de leiders in Jeruzalem over wat hij predikt, en om die leiders aan te moedigen om zichzelf volledig af te scheiden van de ‘valse broeders’, die zich onterecht beroepen op Jeruzalem om Paulus en zijn dienst onder de heidenen schade toe te brengen.

In het kort gezegd, Paulus zet stappen om te verzekeren dat hij zijn wedloop niet tevergeefs loopt; deze onruststokers proberen om zijn werk ongedaan te maken. Hij wil alle nodige stappen zetten om hun aanspraken te ondermijnen en hun invloed teniet te doen.

Handelingen 15 toont dat dit precies is wat het overleg in Jeruzalem bewerkte. Galaten 2:11-14 suggereert inderdaad dat Paulus sneller dan bepaalde andere apostelen eenstemmigheid over het evangelie bereikte. Verre van zich te onderwerpen aan hun oordeel over de inhoud van wat hij predikte, was hij bereid om zijn eigen afkeuring te laten blijken als hij hen op inconsistente manier zag handelen.

Hoewel er vele uiterst belangrijke theologische kwesties uit deze ontmoetingen naar voor komen, kunnen we ons op dit moment toeleggen op een praktisch punt. Terwijl het evangelie waard is om voor te strijden, zijn er goede en verkeerde manieren om met dergelijke zaken om te gaan. Wanneer de inconsequente houding van Petrus publiek plaatsvindt en ook publiek schade aanricht, is ook de terechtwijzing door Paulus publiek (2:11-21).

Wanneer Paulus probeert duidelijkheid te scheppen, te ontdekken wat er aan de hand is en de strekking van zijn eigen werk te presenteren, benadert hij de anderen ‘discreet’ (2:2).

Zijn bekommernis gaat uiteindelijk uit naar de voortgang van het zuivere evangelie, niet naar zijn eigen publieke rechtvaardiging. Wanneer we onszelf in de positie bevinden waarin we hardnekkig moeten strijden voor het evangelie, moeten we er goed over nadenken hoe we dit op de meest wijze en strategische manier kunnen doen.


Eigen vertaling van de overdenking bij 26 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

dinsdag 25 september 2012

'Er is geen ander evangelie, er zijn alleen maar mensen die u in verwarring brengen' (Gal. 1)



2 Samuël 21, Galaten 1, Ezechiël 28, Psalm 77
De openingszinnen van de brieven van Paulus zijn gewoonlijk met grote zorg geschreven. De eenvoudigste vorm van brieven in de oude Griekse wereld was: ‘Van mij, aan jou, Groeten’ – vaak gevolgd door een bepaalde verklaring van dank, en dan de body (het hoofddeel) van de brief.

Maar het is Paulus’ gewoonte om te ‘sleutelen’ aan elk onderdeel om te anticiperen op wat er nog volgt in de rest van de brief. Een studie van zijn brief als geheel verrijkt dus ons begrip van zijn openingszinnen – en vice versa (Gal. 1:1-5).

(1) Paulus stelt zichzelf niet altijd voor als ‘een apostel’. Soms gebruikt hij geen aanduiding (bijv. in 1 en 2 Thess.); soms verwijst hij naar zichzelf als een ‘dienstknecht’ (Rom. 1:1). Hier is hij ‘Paulus, een apostel’ omdat een aantal mensen de christenen in Galatië in verwarring brachten met een ‘ander evangelie’, dat eigenlijk helemaal ‘geen evangelie is’ (1:6-7), en om dit te doen moesten ze Paulus gezag ondermijnen en hem in het beste geval afwijzen als een namaak-apostel.

(2) Zo niet, zegt Paulus: niet alleen is hij een apostel, maar hij was gezonden ‘niet vanwege mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God, de Vader’ (1:1). Zijn apostelschap was niet een afgeleid apostelschap, alsof hij uitgestuurd was door de gemeente in Jeruzalem, of door een of andere eersteklas apostel daar. Integendeel, hij was gezonden ‘door Jezus Christus’, op basis van zijn ervaring op de weg naar Damascus waarbij hij de opgewekte en verheerlijkte Jezus zelf had gezien, en door God de Vader.

(3) Paulus bestempelt God de Vader als degene die Jezus heeft opgewekt uit de dood. Paulus had de opgewekte Jezus gezien, de verrezen Jezus. In zijn jaren als toegewijde farizeeër, had hij Jezus afgewezen als een boze bedrieger, een boosdoener, die door God vervloekt was zoals duidelijk bleek uit de manier waarop hij stierf. Toen hij de opgewekte Jezus zelf zag, deed dit Paulus alles heroverwegen. Jezus was door God zelf gerechtvaardigd, en het goede nieuws waarvan Paulus een afgezant of apostel was is gegrond in de kruisiging en opwekking van Jezus.

(4) Hoezeer hij ook de nadruk legt op zijn status en gezag als apostel, toch associeert Paulus zichzelf en zijn leer op een wijze manier met ‘al de broeders’ die bij hem zijn (1:2). Als de Galaten dan afgetrokken worden naar dit ‘andere evangelie’, dan moeten ze weten dat ze zich niet alleen afwenden van Paulus, maar ook van de talloze gelovigen die op een lijn staan met Paulus.

(5) In plaats van de traditionele groet Chairein, gebruikt Paulus het christelijke woord genade (charis) en de Joodse groet vrede (shalom in het Hebreeuws) en baseert deze zegeningen op de plaatsvervangende dood van de Heer Jezus (1:3-5) – niet op een bepaalde bijzondere relatie tot de Wet van Mozes.

(6) Verwonderlijk genoeg laat Paulus het ‘dank’-gedeelte weg, en gaat meteen over naar zijn verbijsterde terechtwijzing over de dreigende afvalligheid van zijn lezers (1:6-10). Hoe zeldzaam ook, er zijn momenten dat een vermaning niet kan wachten.


Eigen vertaling van de overdenking bij 25 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.

maandag 24 september 2012

Hij zal ons met Christus alle dingen schenken - ZEKER


‘Hij heeft zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen overgegeven. Hoe zou Hij ons met Hem ook niet alle dingen schenken?’ (Rom. 8:32). Hoe kunnen we ons ooit voorstellen dat God na deze dingen nog iets zou achterhouden voor zijn volk, van geestelijke of tijdelijke dingen?

Hoe zou Hij hen niet krachtdadig roepen, niet vrijelijk rechtvaardigen, niet ten volle heiligen, en niet eeuwig verheerlijken? Hoe zal Hij hen niet bekleden, voeden, beschermen en bevrijden?

Zeker, als Hij zijn eigen Zoon geen enkele slag zou besparen, geen traan, geen gekerm, geen zucht, geen omstandigheid van ellende, kun je je onmogelijk voorstellen dat Hij zijn volk, het volk voor wie dit alles geleden werd, hierna ooit iets zou weigeren of onthouden aan genadebewijzen, vertroostingen, voorrechten, geestelijk of tijdelijk, van wat goed voor haar is.'

(citaat van John Flavel (1630-1691), gelezen bij John Piper en vrij vertaald)

'De genade van de Heere Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen' (2 Kor. 13)

2 Samuël 20, 2 Korinthiërs 13, Ezechiël 27, Psalmen 75-76
In veel kerken overal ter wereld - hoewel in vergelijking met elders toch minder frequent in Noord-Amerika - spreekt de voorganger aan het einde van de dienst stil de twee woorden ‘de genade’ uit (Eng.: ‘The grace’).
Zij die samengekomen zijn weten dan dat dit een teken is voor de volledige gemeente om samen te bidden, waarbij ze het vers reciteren waaruit deze twee woorden afkomstig zijn: ‘De genade des Heren Jezus Christus, en de liefde Gods, en de gemeenschap des heiligen Geestes zij met u allen’ (2 Kor. 13:13).

De tekst is kort en eenvoudig en we lopen gevaar dat we er snel overheen lezen zonder erover na te denken.

(1) De drieënige God is de bron van deze zegeningen. Dit is op zichzelf opmerkelijk: het duurde niet lang vooraleer christenen als Paulus de implicaties zagen van wie Jezus is, en de implicaties van de gave van de Geest, voor hun kennen van God zelf. De volledige Godheid is betrokken in deze rijkelijk royale heilsoperatie die Gods gevallen beelddragers herstelt tot gemeenschap met hun Schepper.

(2) In de eerste twee zinsdelen zijn de ‘genade’ ongetwijfeld de genade die de Heer Jezus Christus geeft of voorziet, en de ‘liefde’ de liefde die God zelf over ons uitstort. Dit maakt het heel erg waarschijnlijk dat de derde bijzin ‘de gemeenschap van de Heilige Geest’ niet verwijst naar onze gemeenschap met de Geest, maar naar de gemeenschap die de Heilige Geest schenkt, mogelijk maakt of geeft.

De Heilige Geest is uiteindelijk de bewerker van de christelijke gemeenschap. We genieten christelijke gemeenschap met elkaar dankzij het werk van de Geest in elk van ons individueel en in ons allen gemeenschappelijk. Daarbij haalt Hij de focus van ons hart en ons denken weg van onszelf en de zonde, en richt die op aanbidding van God en verlangen naar heiligheid en vreugde in Jezus en zijn evangelie en leer. Zonder dergelijke transformatie zou onze ‘gemeenschap’, ons partnerschap in het evangelie, onmogelijk zijn.

(3) Op geen enkel moment mogen we ons ook maar verbeelden dat genade exclusief van Jezus komt, liefde exclusief van God de Vader, en gemeenschap exclusief van de Geest – alsof Jezus geen liefde zou kunnen geven of gemeenschap bewerken, de Vader geen genade zou kunnen aan de dag leggen enzovoort. In zekere zin komen genade, liefde en gemeenschap van de drieënige God.

Maar je zou genade duidelijk kunnen verbinden met de Heer Jezus, omdat zijn opofferende, plaatsvervangende dood aan het kruis voortkwam uit loutere genade; we zouden liefde duidelijk kunnen verbinden met God, omdat het volledige heilsplan voortkomt uit een wijs en liefhebbend hart van God, van wie er gezegd wordt ‘God is liefde’ (zie 1 Joh. 4:8 en de overdenking van 11 oktober); gemeenschap zouden we duidelijk kunnen verbinden met de Heilige Geest, aangezien het werk van transformatie dat ons samenbindt in het partnerschap van het evangelie zijn werk is.

Prijs God van wie alle zegeningen komen; prijs Vader, Zoon en Heilige Geest.


Eigen vertaling van de overdenking bij 24 september uit 'For the Love of God - Volume 1'. Dit is een dagboek door D.A. Carson, uitgegeven bij IVP in 1998 (rechten liggen bij Crossway). Het dagboek kan in het Engels online gevolgd worden via de blog For the Love of God (The Gospel Coalition) of is beschikbaar in pdf-formaat voor gratis download via deze link naar For the Love of God Volume I. Met toestemming overgenomen van Crossway, de uitgeverstak van Good News Publishers, Wheaton, IL 60187, www.crossway.org Rechten Nederlandse vertaling: Jan Leplae – Niets van deze vertaling mag overgenomen worden zonder voorafgaandelijke schriftelijke toestemming.